Wanneer Alítih op haar schreden terugkeert, ziet ze een
woedende Taazhon terug komen uit het bos. Zo diplomatisch mogelijk vraagt ze
naar wat er gebeurt is. De woedende stuurman snauwt haar toe dat hij die
verraders wel te pakken krijgt en hij beent weg.
Ze treft Nazhaar, die met de ziel onder zijn arm rondloopt.
Immers, wat is een kapitein zonder zijn schip? Alítih merkt niet meteen de
begerige blikken die Nazhaar op de “Jalan Vashir” werpt en neemt de drakenman
mee op sleeptouw: na zijn vertoon bij het breken van de gijzeling is wel
duidelijk dat hij een waardevolle bondgenoot kan zijn. En nu hij toch op Khesh
vastzit, kan dat maar beter haar bondgenoot zijn.
Ze besluit terug te keren naar het landhuis om bij Padraig
te informeren of hij iets meer weet van wat zich in de herberg heeft
afgespeeld. Maar eenmaal daar worden Alítih en Nazhaar meteen geënterd door
vrouwe Serusa. Met de aplomb van de drakenmensadel wijst ze hen aan als
vrijwilligers om haar bezittingen over te brengen naar de herberg, waar ze
verkiest te overnachten.
Nazhaar vindt het geen slecht idee om in een goed blaadje te
blijven bij Serusa en stemt in. Alítih wil in aanvang protesteren wanneer
Nazhaar haar een beautycase in handen drukt, maar bedenkt zich dan: ze merkt
dat de grote kist van de edelvrouwe al is weggebracht. De gelegenheid om die
eens te inspecteren, wil ze niet zomaar voorbij laten gaan.
Tijdens hun bepakte tocht naar de herberg zien ze dat op het
centrale plein van Waterzooi ijverig getimmerd wordt: de matrozen van de “Jalan
Vashir” zijn een soort platform aan het
bouwen. Het ritmische gehamer wordt echter ineens onderbroken wanneer
een jonge draak bovenop de constructie neerstrijkt. Hij slaakt enkele kreten,
en Alítih ziet Nazhaar aandachtig luisteren. “Bericht voor de kapitein,”
mompelt hij. Met een vastberaden gezicht stapt hij op de draak af.
“Ik ben de kapitein,” spreekt Nazhaar de jonge draak aan,
met al het gezag dat hij placht uit te oefenen. De “Jalan Vashir” is van hem,
zo redeneert hij, en alles dat hem kan helpen het schip terug te krijgen, neemt
hij met beide handen aan.
Hij krijgt inderdaad de boodschap van de draak te horen: de
“Jalan Vashir” dient zich onmiddellijk te vervoegen bij de vloot die ligt bij Io’Barat.
Het nieuws is teleurstellend weinig nuttig, en Nazhaar krijgt ook nog andere
problemen: de twee timmerende matrozen hebben gehoord dat hij zich voor de
kapitein uitgeeft, en komen dreigend op hem af.
Alítih, die de conversatie in de drakentaal niet heeft
kunnen volgen, begrijpt deze taal maar al te best: ze zitten in de problemen.
Nazhaar verzekert haar ervan dat hij de matrozen wel weer zal weten te
kalmeren, en hij buldert hen toe dat hij de boodschap alleen aannam om de
boodschapper tijd te besparen: hij zal de boodschap gewoon overbrengen.
De matrozen zijn niet van gisteren en lijken niet bereid hun
voormalige kapitein het voordeel van de twijfel te geven. Ze stormen op Nazhaar
af, onder het schreeuwen van ‘verrader’.
Intussen is Fáelán met Sulman een voorzichtig gesprekje
begonnen over de Ridders van Ardyn, zoals de opstandige groep die de zilveren
tand draagt zich noemt. Wat zijn hun bedoelingen? Sulman geeft behoedzaam
antwoord, het is duidelijk dat hij Fáeláns eigen intenties probeert af te
tasten, voor hij meer informatie loslaat.
Fáelán komt aan de weet dat het doel van de Ridders van Ardyn
is om het Keizerrijk in zijn glorie van eertijds te herstellen: de corruptie
die er nu heerst moet nodig aangepakt worden. En daartoe bestrijden ze, zoals
het motto van het Keizerrijk zelf luidt, vuur met vuur. Harde methodes kunnen
nodig zijn om een smet van het blazoen te poetsen.
Dat laatste vindt Fáelán een beetje twijfelachtig, maar als
ridder weet hij ook wel dat men soms niet anders kan dan het blanke staal
hanteren om het onrecht te bestrijden. Hij spreekt dus zijn interesse uit om
meer over hun zaak te leren. Sulman geeft hem een zilveren tand, maar
waarschuwt hem dat het gevaarlijk kan zijn wanneer iemand die ziet. Fáelán
stopt hem voorlopig ergens verborgen weg en neemt afscheid van Sulman.
Die legt aan bij wat op het eerste gezicht een drijvende
boomstam lijkt. Maar na enige geheimzinnige manipulaties, draait de stam zich
om, klappen er her en der mechanieken uit en vaart Sulman weg in het vreemdste
schip dat Fáelán ooit heeft gezien.
Fáelán roeit terug naar Khesh en merkt dat hij het derde
eiland van de archipel tegenover zich ziet liggen: Estaol. Op het strand treft
hij een schrijntje van Melora, waar hij devoot een offer brengt en enige tijd
mediteert. Hij wil graag leiding van zijn godin om te weten of de Ridders van Ardyn
deel zijn van het pad dat hij moet gaan.
Chiara voelt zich inmiddels eindelijk veilig genoeg om haar
schuilplaats te verlaten. Ze merkt dat ze tijdens haar vlucht terecht is
gekomen op een plek die ze niet goed kent, en begint haar weg terug te zoeken.
Na een poosje ziet ze aan de veranderende begroeiing dat ze het strand nadert.
Ze hoort geblaf uit de verte komen en sluipt behoedzaam verder.
Op het strand ziet ze een orc met twee grote honden. Achter
hem liggen drie sloepen, die op het strand zijn getrokken. Chiara weifelt nog
wat ze moet doen, wanneer de orc haar al heeft opgemerkt. Hij trekt
onmiddellijk een boog, vuurt op haar en stuurt de twee honden op haar af. Uit
zijn kelige grom begrijpt Chiara dat de beesten het bevel hebben gekregen haar
te doden, en ze lost meteen zelf een pijl, die één van de honden halverwege een
sprong levenloos doet neerstorten.
Fáelán hoort het lawaai vanuit de verte en gaat op onderzoek
uit. Aanvankelijk weet hij niet goed wat er gaande is, maar wanneer hij een
woedende kreet uit de bosrand hoort komen, begrijpt hij dat het Chiara is, die
in de problemen zit. Hij stormt met geheven zwaard op de orc af, die zich
onmiddellijk naar deze nieuwe tegenstander keert.
Chiara heeft intussen haar boog laten vallen, heeft haar
twee korte zwaarden getrokken en hakt woest op de tweede hond in, die haar net
naar de keel wou vliegen. Zijn kwijlende kop tolt door het bos en valt met een
plof in het struikgewas.
Ze ziet dat Fáelán het intussen moeilijk heeft met de orc,
die een geducht tegenstander blijkt. Ze raapt haar boog weer op mikt
zorgvuldig. Fáelán heeft zware klappen te verwerken gekregen, maar heeft de orc
ook al flink toegetakeld. Alleen lijkt die net kracht te putten uit zijn
verwondingen en stort zich in een bloedige razernij met hernieuwde energie op
de ridder. Onder het grommen van kreten als ‘tot de dood!’ hakt en kerft hij op
Fáelán in. Wanneer de eerste pijl hem echter treffen, kan Fáelán van de
gelegenheid gebruik maken om door zijn verdediging te breken. Niet veel later
maakt een laatste pijl een eind aan het orc-gevaar.
Althans, voorlopig. Wanneer ze de sloepen nader gaan
inspecteren, begrijpen ze al snel dat er nog meer orcs op Khesh moeten zijn.
Chiara en Fáelán besluiten om één van de sloepen te gebruiken om zelf richting
Waterzooi te varen. De andere twee maken ze onklaar: wanneer de orcs hun
gevallen kameraad vinden, moeten ze niet op zoek naar versterking kunnen gaan…
Op het plein van Waterzooi hebben Nazhaar en Alítih niet
veel tijd om zich voor te bereiden op de strijd tegen twee woedende matrozen.
Alítih ontsteekt een zilveren vuur in één van de
toestormende mannen, dat uit zijn mond en ogen weer naar buiten slaat terwijl
hij schreeuwt van pijn. Nazhaar maakt gebruik van zijn status als ‘de kapitein’
om de jonge draak te sommeren zich in de strijd te werpen. De draak maakt de
geteisterde matroos af, maar die slaagt erin om in zijn doodstrijd de draak nog
een flinke verwonding toe te brengen. Het beest kiest ijlings de vlucht,
terwijl Nazhaar klappen wisselt met de tweede matroos.
De overblijvende matroos stelt zich stevig teweer tegen
Nazhaar, maar is niet voorbereid op Alítih die ineens verdwijnt van de plek
waar ze stond en vanuit een zilveren nevel achter hem weer materialiseert.
Nazhaar maakt van zijn verwarring gebruik om zijn bijl in het vlees van de
matroos te laten bijten, en Alítih maakt een eind aan zijn verzet met een
magische explosie.
Alítih en Nazhaar kijken hijgend om zich heen. Er zijn wel
enkele nieuwsgierige blikken, maar geen andere opvarenden van het schip te
zien. Aangezien er onder de bevolking van Waterzooi niet al te veel liefde voor
drakenmensen is, lijkt de kans niet zo groot dat ze meteen verklikt zullen
worden. Ze slepen zo snel mogelijk de lichamen onder het platform en overleggen
daarna wat hen te doen staat. Nazhaar ziet echter geen grote problemen: al wat
ze moeten doen, is de bagage van vrouwe Serusa oppakken en hun taken
voortzetten, alsof er niets gebeurd is.
De tovenares staat even te kijken van dit arrogante plan,
dat alleen uit de koker van een drakenman kan komen, maar het staat haar wel
aan. In het kielzog van een zelfverzekerde Nazhaar stapt ze de herberg binnen.
Daar trekt de bebloede bijl van Nazhaar wel enige aandacht van nieuwe barvrouw
Ghantah, maar de drakenman verkondigt zonder verpinken dat hij een hert heeft neergelegd
voor zijn maal vanavond.
De nieuwe kapitein van de “Jalan Vashir” zit onrustig achter
zijn zeekaart en kijkt van tijd tot tijd naar het raam of de deur. Nazhaar
trekt zijn onschuldigste gezicht wanneer de blik van de kapitein op hem valt en
verklaart dat hij hier is om edelvrouwe Serusa te dienen. Beladen onder haar
bagage wordt hem door niemand een strobreed in de weg gelegd en samen met
Alítih komt hij zonder problemen in de kamer van Serusa.
Daar ziet Alítih meteen de kist van Serusa staan. Ze vraagt
Nazhaar op de uitkijk te staan en begint rond te snuffelen tussen de bagage van
de edelvrouwe. De kist krijgt ze ondanks al haar inspanningen niet open. Verder
treft ze tot haar verbazing verschillende kruiden aan tussen de bezittingen van
Serusa, die ze herkent als onderdelen van het brouwsel dat Groenzuur kan
genezen.
Wanneer ze weer buiten komen, treffen ze Taazhon, die
verbeten meldt dat hij niet van Khesh vertrekt voor hij minstens één van de
verraders in handen heeft en hoogstpersoonlijk met hem heeft afgerekend.
Alítih maakt zich nu toch wel zorgen over haar makkers. Het
schip moet hier zo snel mogelijk weg, en eigenlijk is de boodschap die Nazhaar
in ontvangst genomen heeft, daar de beste manier voor. Nazhaar lijkt echter
niet van plan om die aan de kapitein over te brengen: hij wil tot elke prijs
zijn schip weer in handen krijgen. Ze besluit om de ‘eerst handelen, daarna
overleggen’-tactiek van Nazhaar tegen hem te gebruiken en vertelt de kapitein
eenvoudigweg zelf dat ze een boodschap voor hem hebben aangenomen.
De kapitein heeft eerst moeite te begrijpen waarom de
boodschap niet rechtstreeks aan hem zou zijn overgebracht, maar laat zich dan
toch overtuigen. Hij begint op staande voet zijn mannen te verzamelen en
verklaart dat ze die avond nog, na de festiviteiten, zullen uitvaren. Tazhaan
reageert niet bepaald enthousiast, maar heeft geen andere keuze dan de bevelen
te gaan doorgeven, alvorens hij een laatste zoektocht naar de ‘terroristen’
gaat ondernemen.
Alítih informeert voorzichtig naar de aard van de geplande
festiviteiten en krijgt te horen dat het gaat om de executie van de gevangenen
die immers nog steeds in verzekerde bewaring zijn. Ze begrijpt dat het cruciaal
is om ervoor te zorgen dat haar vrienden geen deel van deze feestvreugde zullen
worden.
Bij het landhuis treffen ze Chiara en Fáelán die voorzichtig
naar binnen geslopen zijn om bij Padraig verslag te gaan uitbrengen van de
situatie. De burgemeester ziet eruit alsof hij al onder grote druk staat en is
niet bepaald blij met het nieuws dat er ook nog eens orcs op zijn eiland
rondwaren.
Alítih wordt aangesproken door vrouwe Padraig die graag in
contact zou komen met kruidenvrouw Halci. Ze zegt toe vrouwe Padraig tot bij
haar te begeleiden – ze wilde toch al eens nagaan of alles wel goed was met
haar vriendin.
Bij Halci’s huis gekomen, blijkt de kruidenvrouw verdwenen.
Op haar studeertafel treft Alítih een opengeslagen dagboek aan. Bezorgd zoekt
ze naar een verklaring voor de vreemde gebeurtenissen rondom Halci, maar
ondanks het feit dat ze het elfse schrift herkent, kan ze de woorden niet
lezen. Ze wenkt Chiara naderbij en de halfelf brengt de taal thuis als Dieptespraak, een taal van onderwereldse wezens.
Wanneer Alítih het dagboek verder doorbladert, ziet ze dat
het begin er onschuldig genoeg uitziet, met aantekeningen en schetsen van
kruiden en dieren. Naar het einde toe wordt het echter steeds onbegrijpelijker
en op de laatste pagina staat een onduidelijke, half uitgewiste tekening. Hoe
lang ze er ook naar staart, ze kan er niks van maken.
Fáelán gaat intussen op onderzoek in het huis van Halci en
vindt groene steentjes, die hij tot zijn zorg herkent als venomiet: een giftig
gesteente. Zodra hij dat woord hoort vallen, herinnert Nazhaar zich dat ergens
in deze archipel een mijn is, waar venomiet eertijds werd ontgonnen door
slangachtige wezens.
Vrouwe Padraig bevestigt dat deze mijn zich op Khesh bevond,
maar kan uit het hoofd niet zeggen waar. Wel weet ze dat er in één van de
verboden gedeeltes van Khesh, waar alleen de draak Khesh mag komen, een heuvel
is die ‘de Slangenheuvel’ wordt genoemd. Vrouwe Padraig moet zich terug
huiswaarts begeven, maar vraagt hen om de onrustbarende verdwijning van de
kruidenvrouw nader uit te pluizen: hier is iets duisters gaande… Ze belooft
tegen de volgende dag zelf na te gaan of ze meer informatie over de mijn kan
bovenhalen.
Chiara ontdekt dat het slot van het raam geforceerd is. De
zorg om de veiligheid van Halci wordt steeds groter en Alítih besluit om de
priester in Waterzooi te gaan vragen of hij meer kan maken van de inhoud van
het boek. Wanneer Fáelán en Chiara haar willen vergezellen, raadt ze hen om
veiligheidshalve nog even uit Waterzooi weg te blijven: Taazhon zou hen maar al
te graag samen met de halflings berechten.
In Waterzooi gekomen, blijkt er echter niet veel zinnigs uit
de priester te komen. Hij is al flink beschonken, en Alítih besluit om zelf ook
maar de ochtend af te wachten voor ze tot actie overgaat. Ze ziet Padraig met
betrokken gezicht de executies gadeslaan, en ook vrouwe Padraig lijkt niet
bepaald in een feeststemming. Alítih is vooral opgelucht dat niemand de
lichamen onder het platform heeft ontdekt en houdt zich op de achtergrond, voor
ze zelf ook terug naar de hut van Halci trekt. Wel valt het haar nog op dat
kapitein Erano Stern de grote afwezige is op dit spektakel…
De volgende ochtend is de “Jalan Vashir” vertrokken en
kunnen Chiara en Fáelán zich tot hun opluchting weer vrij bewegen over Khesh.
De dorpspriester kan hen niet veel wijzer maken, maar herkent de tekening wel
als een mythische ketel, die hij ooit eerder afgebeeld gezien heeft. Hij
bevestigt dat de taal in het dagboek Dieptespraak is en toont zich bezorgd over
de situatie waarin Halci zich bevindt.
Aangezien eerder al gebleken is dat kapitein Erano Stern en
Halci wel eens samen in een onderneming betrokken waren, besluit Chiara om nog
eens langs te gaan bij de man die haar ooit naar Khesh bracht. Hij doet niet
open op haar kloppen en wanneer ze binnengaat, wacht haar een gruwelijk
tafereel: de kapitein ligt levenloos over zijn bureau met diepe wonden die
duidelijk niet door staal zijn toegebracht. Onder zijn krachteloze hand ligt
een half afgemaakte brief. Aangedaan reikt Chiara naar de brief om zijn laatste
woorden te lezen…
Cool! Kan je geloven dat ik al 30% vergeten was?
BeantwoordenVerwijderenOpmerking: Aleyn = Ardyn, Tazhaan = Taazhon
Ik heb 't aangepast!
Verwijderen