Een roeibootje legt aan op een eiland in de buurt van Khesh.
Aan het roer zit Chiara, een halfelf die als ranger voor de notaris van Khesh
werkt. Ze heeft toegezegd om twee recente nieuwkomers op het eiland in haar
boot mee te nemen en de weg te wijzen. Zij vervullen een missie voor
Halcinapoatlira, een plaatselijke kruidenmagiër. In een boek heeft zij gelezen
dat op een naburig eiland een zeldzame knol te vinden zou zijn.
Halci, die makkelijk vrienden maakt, heeft een nieuwe kennis
met de taak belast: Alítih’erana, een eladrin die kort geleden per schip op Khesh
is aangekomen. De zilverharige tovenares is zwijgzaam over haar verleden, maar
betoonde zich geïnteresseerd in Halci’s genezende magie. In ruil voor Halci’s
vriendelijke ontvangst wilde ze wel op zoek voor haar naar dit speciale gewas.
Ze wordt vergezeld door Fáelán, een ongeschoren maar
voorkomende ridder die vaak bij Halci over de vloer komt. Ze herinnert hem
immers aan zijn moeder, een genezeres, die hij enkele jaren geleden tragisch
verloor. De lotgevallen rondom haar dood verdreven hem van zijn eigen eiland en
sindsdien verblijft hij op Khesh.
Eenmaal aangelegd gaan ze een grot binnen, volgens de beschrijving
de uitgelezen plek om de knol te vinden. Algauw horen ze een heel zacht
gejammer in de grot. Alítih neemt meteen magische aura’s waar. Wat verderop
ziet ze een gouden wand, waarin magische voorwerpen gevat zitten, die
verlokkelijk naar de drie reiken. Geïnteresseerd wil Alítih voorwaarts gaan,
maar Fáelán houdt haar tegen: hij heeft het sterke gevoel dat er kwaadaardige
voorwerpen tussen zitten. Hier is iets niet pluis.
Chiara vertelt beiden te blijven waar ze zijn: zij zal wel
verder op onderzoek gaan. Ze verkent immers al van jongs af aan de eilanden
samen met haar stiefvader.
Ze ontdekt een gang die steeds warmer wordt, wellicht loopt
in de diepte van de grot een lavastroompje. De gang splitst zich, langs één
kant loopt de gouden wand verder. Daar zijn twee onverstaanbaar tegen elkaar
kwetterende kobolden bezig met het poetsen van de voorwerpen in de gouden wand.
Chiara sluipt terug tot bij de splitsing en verkent nu de
andere gang. Daar ontdekt ze een kamer waarin verschillende drakeneieren liggen.
Na enig aarzelen pakt ze er één en verstopt die onder haar mantel.
Wanneer ze terugkomt bij de anderen, wil ze hen in aanvang
niets over haar vondst vertellen. De roodharige halfelf is echter niet zo
bedreven in liegen: haar rode blosjes verraden haar meteen en de twee gaan zelf
poolshoogte nemen.
Fáelán raadt meteen iedereen af de eieren aan te raken. Het
kan heel slecht aflopen voor iemand die een drakenei meeneemt, hoeveel het ook
waard is. Alítih spitst haar lange oren bij het horen van dat nieuwtje, maar
verkiest wijsheid boven voorzichtigheid. Chiara wordt bevangen door twijfel en
haalt tenslotte het ei tevoorschijn dat ze had gepikt en legt het gauw terug op
zijn plekje.
Er wordt nu maar gauw overgegaan tot de eigenlijke reden van
hun bezoek aan de grot. Alítih graaft wat mopperig terwijl de twee anderen de
wacht houden, in geval de kobolden soms hun kant zouden opkomen – precies voor
dit soort taakjes had ze de ranger en Fáelán willen inzetten. Maar ze kan niet
om de logica heen dat zij de enige is die de knol bestudeerd heeft en hem dus
zal herkennen. Niet veel later haalt ze de knol triomfantelijk boven. De tocht
was dan toch niet tevergeefs.
Dan worden ze echter gestoord door zware stappen die door de
grot weerklinken. Een gigantische rode draak stelt zich voor als Marzark en
verspert hen met een verbazend snelle beweging de weg. Ze deelt hen kalmpjes
mede dat dit voor hen het eind van hun avontuur en bestaan is – men dringt niet
zomaar haar grot binnen.
Fáelán soebat heftig: ze hebben niks verkeerds gedaan, ze
kwamen alleen maar binnen op zoek naar een knol en wisten helemaal niet dat dit
de grot van de draak was. Alítih kan inderdaad de knol bovenhalen en de draak
lijkt deze eerlijkheid wel te appreciëren. Ook het feit dat Chiara weliswaar een
ei aanraakte (louter uit nieuwsgierigheid, verzekert ze hem haastig, ze wist
niet eens wat het was), maar niet meenam, spreekt in hun voordeel.
Niettemin ziet de rode draak weinig reden om dit groepje
zomaar hun onwellevendheid te vergeven. Ze heeft tenslotte een reputatie hoog
te houden en wil niet nog meer ongewenst bezoek. Alítih suggereert dat ze haar
misschien nog van nut kunnen zijn. De ene gunst is de andere waard… De draak
verwerpt dat idee in aanvang snuivend: wat kunnen deze amateurs voor haar doen?
Maar wanneer de tovenares haar erop wijst dat net hun onbekendheid haar van
dienst kan zijn, ziet Marzark toch wel enige merites in dit idee. Ze wil dat ze
voor haar één drakenei gaan stelen bij een andere draak: Khesh.
De drie aanvaarden dit voorstel gauw, hun leven staat immers
op het spel.
Bij wijze van hulp, zo stelt de rode draak hen bedrieglijk
vriendelijk voor, mogen ze één van de voorwerpen uit de gouden wand kiezen. Fáelán
weigert meteen beleefd maar kordaat: hij vertrouwt liever op zijn godin en zijn
eigen kracht dan op een magisch voorwerp dat mogelijk kwaadaardig is.
Alítih staat intussen gefascineerd naar de magische boeken
en ringen te staren, met een begerige schittering in haar violette ogen. Ze
merkt amper dat de draak goedkeurend knikt bij Fáeláns bescheiden afwijzing. Ook
Chiara heeft wel belangstelling voor de prachtige bogen die in de gouden muur
zijn ingebed. Een geladen stilte doet hen echter uiteindelijk besluiten – om
voor henzelf niet helemaal duidelijke redenen – het aanbod ook maar vriendelijk
af te slaan.
Terug op Khesh betoont Halci zich opgetogen met de knol. Wat
later zitten de drie na te praten in de plaatselijke herberg, de Morgenstond.
Gerben probeert voor de zoveelste keer om Fáelán te ronselen als ridder voor
het rijk, en Fáelán reageert daar voor de zoveelste keer ontwijkend op.
Dan wordt de deur opengegooid en vallen de gesprekken abrupt
stil terwijl een arrogant groepje binnen marcheert. Een drakenmens met ooglapje
stapt als laatste binnen en wordt door één van zijn ondergeschikten
aangekondigd als Zentorm de Alziende, prefect van Marzark. In de herberg klinkt
wat onderdrukt gegniffel in de trant van ‘alziende of halfziende?’, voor dat
onder de dreigende blikken uit het ene oog van Zentorm snel verstomt.
Zentorm houdt een dwingende toespraak waarin hij benadrukt
hoe belangrijk het is dat iedereen zijn plaats in de orde der dingen kent. De
onderliggende boodschap is niet te missen: wie de orde verstoort, krijgt met
hem te maken.
De drie avonturiers luisteren zwijgend toe, maar schrikken
op (en twee van hen werpen achterdochtige blikken op de roodharige derde),
wanneer Zentorm ineens brult: “Wié heeft het drakenei??”
Geen opmerkingen:
Een reactie posten