In de daaropvolgende dagen is het voor het gros van de
inwoners van Khesh heerlijk rustig. Fáelán dwaalt echter onrustig over het
eiland. Hij heeft iets opgevangen over een spookreus die over het eiland zou
dwalen en ondervraagt iedereen die hij te pakken kan krijgen. Niemand kan hem
er echter wijzer over maken en hij raakt langzaam maar zeker gefrustreerd.
Op dat moment komt Chiara zijn hulp en die van Alítih inroepen
bij een andere kwestie: de ranger maakt zich zorgen over de tunnels waar de
kobolden van Marzark uit tevoorschijn gekomen zijn. Moeten ze niet eens gaan
onderzoeken wat daar eigenlijk allemaal gaande is?
Bij de ingang van de tunnel treffen ze een stapel hout, die
bij andere inspectie blijkt te bestaan uit de onderdelen van een ballista. Dit
lijkt een nogal onheilspellende vondst en de drie besluiten dat ze de ballista
niet zomaar kunnen achterlaten om misschien tegen het dorp te worden ingezet.
Chiara pikt er een cruciaal onderdeel uit en verbergt dat in het huis van
Gherman.
Terwijl ze teruglopen richting het dorp, worden ze ineens
geconfronteerd met een verschrikte verschijning: een paniekerige halfelf,
behangen met schelpen, met een lelijke zuurwond. Chiara herkent haar als Sofaya,
een van de andere twee halfelfen op het eiland. Fáelán verzorgt de ernstige wond
kundig, terwijl Sofaya vertelt wat er is gebeurd: ze heeft op het strand een
kist gevonden die de zuurwond heeft veroorzaakt.
De drie besluiten op het strand poolshoogte te gaan nemen.
De kist lijkt op slot, maar Alítih tovert uit haar zak een paar instrumentjes
tevoorschijn die daarbij wel van pas kunnen komen. Zodra ze de kist aanraakt,
komt er echter een slijmwezen tevoorschijn dat zich meteen op haar en Fáelán
stort. Alítih struikelt verschrikt achterover en probeert het wezen met een
spreuk te stuiten, maar mist het faliekant. Fáelán springt meteen beschermend
voor haar en valt het wezen aan. Het wezen richt zich meteen op hem en de
ridder wordt door een lading zuur getroffen.
Chiara heeft inmiddels haar pijlen op het wezen gericht. Het
blijkt meteen resultaat te hebben, maar niet zo’n gunstig: twee etherische
wezens komen tevoorschijn en vallen de groep ook aan. De ranger verpinkt echter
niet en schiet meteen één daarvan uiteen. Fáelán hakt inmiddels op het
slijmwezen in en weet het tot een nat hoopje te reduceren op het moment dat
Chiara het tweede etherische wezen uiteen laat spatten.
De kist blijkt verder niets te bevatten, maar wanneer ze hun
ogen naar de zee richten, zien ze een groot schip richting de haven van
Waterzooi varen: de “Jalan Vashir”. Nieuwsgierig trekken ze naar Waterzooi om
te zien wat de nieuwkomers hier komen doen.
Twee drakenmannen stappen als eerste aan wal: de kapitein,
die een glanzende borstplaat van Bahamut draagt, en zijn stuurman die een havik
op zijn schouder heeft. De kapitein verklaart aan burgemeester Gerben Padraig
dat zijn schip averij heeft opgelopen door zuur.
De drie vinden dit wel een opvallend toeval na hun aanvaring
met het zuurwezen en ellebogen zich naar voren door de toekijkende mensenmenigte.
Ze zien een troep gevangenen van boord gaan: 7 halflings en één drakenman in
ketenen. Tot slot komt een edelvrouwe aan wal, die er niet echt florissant uitziet,
gevolgd door een bediende die een grote kist meedraagt.
In de herberg worden de drie door Padraig verzocht aan te
schuiven bij de bespreking met de kapitein. Voor ze iets kunnen reppen over het
zuurwezen op het strand, worden ze overdonderd door de kapitein die de lakens
begint uit te delen alsof hij heel Khesh bezit.
Chiara wordt met enige matrozen het woud ingestuurd om hout
te gaan hakken, waarmee de averij aan het schip hersteld kan worden. Eenmaal in
het woud wordt ze door één van hen, de elf die verantwoordelijk is voor de
herstellingen, ondervraagd over haar metgezellen: is die Fáelán te vertrouwen?
Chiara verklaart dat ze hen amper kent, maar tot op heden niets over haar
bondgenootschap met hen te klagen heeft.
Intussen vertelt de kapitein dat de edelvrouwe die op het
schip mee reist, lijdt aan een ziekte, Groenzuur geheten. Ze hadden geen gepast
medicijn aan boord, en hij hoopt op het eiland iemand met de nodige kennis te
treffen, die de dame kan verzorgen terwijl de averij aan het schip hersteld
wordt.
In de tussentijd moet zij natuurlijk ergens ondergebracht
worden in overeenstemming met haar stand. Padraig ziet zich binnen de kortste
keren gedwongen de bezoekers de gastvrijheid van zijn eigen landhuis te bieden.
Hij verzekert hen ervan dat zijn vrouw, een erkende genezeres, de edelvrouwe
goed zal verzorgen. De kapitein lijkt echter niet helemaal zeker dat zij ook de
juiste behandeling voor deze specifieke ziekte zal kennen, gezien die alleen
drakenmensen treft.
Alítih suggereert dat haar vriendin Halci mogelijk raad weet
met de ziekte en wordt door de kapitein meteen op pad gestuurd om haar op te
halen. Bij de hut van de kruidenvrouw gekomen echter, treft ze haar in trance
aan. Wat ze ook probeert, ze krijgt haar niet wakker. In plaats daarvan gaat ze
dan maar op onderzoek uit: misschien kan ze zelf een passend recept vinden en
een brouwsel bereiden. Ze vindt inderdaad een passage in één van de boeken van
Halci die de ziekte beschrijft. Groenzuur is een onprettige aandoening die
echter betrekkelijk eenvoudig genezen kan worden door 10 dagen een drankje in
te nemen, dat verderop beschreven staat. Een alternatieve remedie, zo staat nog
aangetekend, is de verboden drug Shanzan, die de ziekte in een half uur tijd
zou verdrijven.
De kapitein is inmiddels, met Padraig als gids, met de
edelvrouwe en de gevangenen naar het landhuis vertrokken. Zodra hij is
vertrokken, snijdt Taazhon, de eerste stuurman van het schip, een volgende
heikele kwestie aan. Hij ondervraagt Sofaya dreigend over de zilveren tand die
tussen haar schelpen bengelt. Waar heeft ze die vandaan? Waarom draagt ze die?
Ze vertelt trillend dat ze die van Sulman had gekregen en verder geen idee
heeft – ze vond het gewoon mooi.
Sulman wordt meteen met een kruisboog bedreigd en gesommeerd
te vertellen wat hij te maken heeft met de groep terroristen die deze tand als
teken draagt. Wanneer hij niet snel genoeg bevredigende antwoorden biedt,
schiet Taazhon hem zonder verpinken neer. Daarna stuurt hij zijn havik op
Sofaya af. Fáelán, die zich al een poosje zat te verbijten, springt vol
gerechtvaardigde woede overeind en trekt zijn zwaard om genoegdoening te eisen.
Taazhon valt hem meteen aan en verkoopt de ridder een verpletterende klap,
waarna hij diep inademt en een vuurpluim over hem uitbraakt. Fáelán stort
bewusteloos neer op de vloer van de herberg, maar heeft voor Sofaya net genoeg
tijd gekocht om door het raam te vluchten.
Chiara, die het gevoel kreeg dat er iets niet pluis was,
heeft de houthakploeg achtergelaten en is terug naar de herberg geslopen. Ze
hoort rumoer, ziet Sofaya door het raam springen en snelt met getrokken boog naderbij.
Wanneer ze een woedende drakenman uit het raam ziet leunen, zet ze impulsief
een pijl op de pees. Taazhon beveelt haar om Sofaya terug te halen, maar in
plaats daarvan richt ze haar pijl op hem en laat los.
Inmiddels is Alítih met haar boek bij het landhuis
aangekomen. Ze wilde van de faciliteiten en kennis van de vrouw van Padraig
gebruik maken, maar terwijl ze kruiden zat te mengen, is ze beland in een
onverwachte situatie. De gevangenen hebben zich weten te bevrijden en houden de
edelvrouwe en de inwoners van het huis gegijzeld. Na een poosje merkt Alítih
dat de drakenman zich maar wat onwennig voelt bij de andere gijzelnemers. Ze
schuifelt zijn richting op en knoopt een praatje met hem aan. Hij vertelt haar
dat zijn naam Nazhaar is en hij feitelijk de kapitein van het schip was… tot
hij door Groenzuur werd getroffen. Hij besloot de verboden drug Shanzan te
gebruiken om de ziekte te bestrijden, maar werd als gevolg daarvan gevangen
gezet.
Intussen fluit een boze Taazhon zijn havik terug en stuurt
die op Chiara af. De halfelf kiest eieren voor haar geld en vlucht het bos in. Taazhon
gaat haar met zijn havik achterna en laat Fáelán voor dood achter. De ridder geeft
geen teken van leven meer en begint er steeds grauwer uit te zien. Dan klinkt
er echter geluid van achter de bar: Sulman blijkt zich al die tijd dood te
hebben gehouden en verbindt nu haastig zijn wonden, voor hij Fáelán van het
randje van de afgrond komt terugtrekken. Wanneer Fáelán weer bij bewustzijn is,
ziet hij Sulman wat spullen verzamelen en door een luik achter de bar
vertrekken. Hij aarzelt niet lang en gaat met hem mee, voor Taazhon terugkeert
voor ronde twee.
Alítih bepeinst haar situatie, terwijl ze het drankje
bereidt dat de edelvrouwe moet genezen. Ze kan haar magie aanwenden om te
ontsnappen, maar dan laat ze de andere gijzelaars aan hun lot over.
De hooghartige edelvrouwe ondervraagt haar intussen over
haar metgezellen: de halfelf waar ze mee optrekt, bijvoorbeeld, is die wel te
vertrouwen? Alítih geeft afwezig het antwoord dat Chiara zeer capabel, zij het
mogelijk wat diefachtig is, terwijl ze de gijzelnemers observeert. Na een
poosje beseft ze dat er maar één gevaarlijke man onder hen is: de aanvoerder
Oleander. De rest ziet er niet uit alsof ze deze actie in hun eentje zouden kunnen
doorzetten. Maar brengt ze de inwoners van het huis in gevaar met een
ondoordachte aanval?
De edelvrouwe schijnt zich niet veel zorgen te maken: vroeg
of laat zullen capabele mensen haar wel redden, zo belangrijk is ze wel. Alítih
doorstaat haar neerbuigende uitleg tandenknarsend en weet niet of de toespraak
haar meer of minder motiveert in actie te komen. Ze overweegt haar opties: moet
ze een bondgenootschap aan Nazhaar voorstellen? Nog terwijl ze overweegt wat de
beste strategie is, besluit Nazhaar impulsief dat hij er genoeg van heeft om
door een halfling gecommandeerd te worden en deelt hem mede dat hij het van
hieraf overneemt.
Oleander laat dat niet zomaar op zich zitten en jaagt meteen
zijn dolk in Nazhaar. Die schudt dat af alsof het een lachertje is, zwaait zijn
bijl en deelt een forse klap uit. De rest van de halflings schiet Oleander te
hulp en algauw is Nazhaar er slecht aan toe. De edelvrouwe, die vertrouwen
schijnt te hebben in de krachtdadige aanpak van Nazhaar, geeft haar bediende
een wenk en laat hem een versterkend drankje aan de ex-kapitein toedienen. Nazhaar
gaat er weer met zwaaiende bijl tegenaan en weet Oleander met een welgemikte
klap te onthoofden. Hij schopt het hoofd richting de rest van de halflings, die
meteen de wapens neerleggen.
Chiara gebruikt inmiddels haar kennis van het woud om Taazhon
en de havik in een kat-en-muisspel te ontlopen. Uiteindelijk geeft de stuurman
het nors op: ze weet zich te goed te verbergen. Chiara verlaat pas na lange
tijd haar verstopplaats en trekt zich diep in het woud terug.
Fáelán is met Sulman de gang doorgevlucht en komt op het
strand uit. Daar heeft Sulman een bootje klaarliggen. Zonder er goed over na te
denken, springt Fáelán eveneens in het bootje en pas wanneer ze op zee zijn,
vraagt hij waar hun vlucht heen leidt. Het antwoord verrast hem: Sulman roeit
naar een schip waarmee hij van Khesh weg zal vluchten. Fáelán vraagt zich af
waar hij nu weer in verzeild is, maar voelt zich nog niet klaar om Sulman
zomaar te laten gaan. De snippers informatie die hij over de rebelse organisatie
hoorde, hebben hem nieuwsgierig gemaakt… zijn het werkelijk gewetenloze
terroristen of gaat het hier om een nobele zaak – de strijd tegen het
overheersende keizerrijk?
Intussen zijn bij het landhuis de hulptroepen rijkelijk laat
gearriveerd: Nazhaar krijgt van de kapitein een kwijtschelding van zijn straf,
als dank voor de hulp die hij bij het bevrijden van de gijzelaars heeft
verstrekt. Echter: hij wordt verbannen naar Khesh voor een jaar en een dag.
Vertoont hij zich voor dat moment elders in het keizerrijk, dan wordt hij
alsnog berecht.
Alítih is inmiddels poolshoogte gaan nemen in de herberg en
treft daar alleen een open luik en een bloedplek aan. Bezorgd haast ze zich
door de geheime gang, maar wanneer ze op het strand aankomt, is daar niemand of
niets te bekennen, alleen wat voetstappen in het zand die naar de zee leiden…
Geen opmerkingen:
Een reactie posten