vrijdag 15 januari 2016

Hoofdstuk 5

Chiara, Sofaya, Radam, 

Dat jullie deze brief vinden betekent dat mijn verleden mij heeft ingehaald. Ooit was ik in dienst van het Dragovar-keizerrijk. Ik diende de Shan Qabal, een sekte die zich heeft afgescheurd van de arcane kaste. Wat ik voor hen deed beschaamde me diep. De sekte deinst voor niets terug als het gaat over het vergaren van oude, verboden magische kracht. Daar zijn jullie slachtoffer van. Vertrouw ze niet! 

Ik ontvoerde jullie en voer weg met de Morgen. We leden schipbreuk, maar ik kon toch nog drie van jullie redden. 

Jullie zijn niet alleen. De Stormwoede, een tweede schip, is veilig aangekomen op zijn bestemming, ook met 5 kinderen aan boord. Het spijt me dat ik jullie die bestemming niet kan meedelen, ik weet niet wie deze brief nog leest. 

Voor Radam laat ik mijn kompas na. Dat je mag vinden wie je zoekt. 

Voor Sofaya laat ik mijn verrekijker na. Dat je dichter bij de horizon mag komen. 

Voor Chiara laat ik de Morgenstond na, voor zover die te geven is. Ze mo -


De inhoud van de brief blijft in Chiara’s hoofd spoken, terwijl ze de autoriteiten op de hoogte stelt van de dood van Erano Stern en een waardige zeemansbegrafenis voor hem regelt. Wanneer de brandende sloep met het lichaam uit het zicht is verdwenen, tracht ze Radam zijn erfstuk te overhandigen. De halfelf is echter te ondersteboven van het gebeuren om iets anders te doen dan Chiara te smeken Sofaya te vinden met het kompas. Ze is sinds ze voor Taazhon moest vluchten, vermist.
Waterzooi lijkt onderhand vergeven van de mysteries. Chiara zet wat ze weet over de dood van Erano op een rijtje, maar het is niet veel: hij is gedood door iets dat geen wapens gebruikte, maar ook geen klauwen of tanden heeft – de wonden stemmen met geen enkel beest dat ze kent overeen. In het huis waren geen sporen van inbraak, en Alítih kon op het lichaam geen magisch residu ontdekken. 

In haar nieuwe eigendom, herberg ‘De Morgenstond’, bespreekt Chiara de zaak met haar vrienden. Nazhaar wijst op de synchroniciteit die ook haar al opviel: het is vreemd dat in één nacht tijd Halci verdween, Sofaya vermist raakte en Erano Stern vermoord werd.
Alítih toont zich het meest bezorgd over Halci: van Sofaya weten ze dat ze het woud is ingevlucht, wie weet houdt zij zich eenvoudigweg verborgen. Bij Halci’s huis was echter duidelijk sprake van inbraaksporen, om nog maar te zwijgen van de onrustbarende aantekeningen en de afbeelding in het dagboek. De priester vertelde haar dat de afgebeelde ketel in het dagboek in zijn geschriften beschreven werd als deel van een ritueel dat de energie van de feeëndimensie verzamelde om ondoden te creëren. Alítih, wiens afkomst en magie nauw met deze dimensie verstrengeld zijn, gruwelt van een dergelijke constructie en ziet een reden te meer om Halci op te sporen.
Fáelán tekent echter hevig verzet aan tegen het idee om de Slangenheuvel te gaan betreden, hij heeft helemaal geen zin in een confrontatie met Khesh. Het ziet er inderdaad naar uit dat dit de plek is waar ze Halci terug zullen vinden: vrouwe Padraig bevestigde dat dit de locatie is waar ooit de mijn met venomiet lag op Khesh. Ze herhaalde echter eveneens dat deze heuvel een deel van het verboden gebied van Khesh is. En de draak is de laatste tijd bijzonder paranoïde, dus het is niet aangewezen haar te ontstemmen.
Terwijl Alítih de rest ervan probeert te overtuigen dat een reddingsoperatie niettemin echt nodig is, worden ze onderbroken door een kreunende figuur, die de herberg komt binnenstommelen. Hij valt neer op een stoel met zijn hoofd in zijn handen en lijkt amper te weten waar hij is. Fáelán verlaat tot Alítihs ergernis het gesprek en snelt te hulp. Na korte tijd kan hij vaststellen dat de nieuwkomer aan niks anders dan een gigantische kater lijdt. Nadat hij hem enige versterkende middeltjes heeft toegediend, kan hij op zijn minst zijn naam vertellen: Varlock, een dwergenkrijger die helemaal niet had verwacht op Khesh te zijn. Desgevraagd kan hij zich absoluut niet herinneren hoe hij hier is beland, daarvoor is hij nog te beneveld, al dankt hij Fáelán hartelijk voor het verdrijven van zijn bonkende hoofdpijn.
Fáelán aanvaardt deze onvermoede bondgenoot als een signaal van Melora: het is duidelijk dat hij steun moet verlenen aan de redding van Halci. Hij ronselt Varlock dan ook meteen voor deze missie en die laat zich – nadat hem beloofd is dat hij een eerlijk aandeel in eventuele verdiensten zal krijgen – mee op sleeptouw nemen. Hij heeft toch niks beters te doen totdat hij heeft uitgevogeld wat hij in vredesnaam op Khesh doet.

Met de hulp van het kompas, dat hen na het noemen van de naam ‘Halci’ regelrecht naar de Slangenheuvel stuurt, komt de groep al gauw ter bestemming. Nadat ze de markeerstenen zijn gepasseerd die aanduiden dat ze het verboden gebied ingaan, is Fáelán duidelijk op zijn ongemak en maant iedereen tot voorzichtigheid aan. De groep begeeft zich zo zachtjes mogelijk achter Chiara aan, die rondspeurt naar bedreigingen.
Wanneer ze de heuvel naderen, zien ze al gauw dat die bewaakt wordt door een kring van goed bewapende kobolden. Het is duidelijk dat Khesh hier niet bepaald haar minste dienaars heeft geposteerd: sommigen van hen hebben vleugels, anderen een glanzende groene schub. Er moet een list bedacht worden om de heuvel op te kunnen sluipen, waar de punt van het kompas duidelijk naartoe wijst. Ze ontwaren er ook een bouwsel, wat de hoop voedt dat ze daar Halci zullen kunnen vinden.
Nazhaar stelt voor dat hij wel een paar kobolden kan afleiden: met een machtige brul zal hij een gevaarlijk beest imiteren en ze zo schrik aanjagen. Zijn het de laatste resten van Groenzuur of wordt de spanning van onopvallend doen hem te veel? Er komt een soort gepiep uit de keel van de drakenman dat niet bepaald angstaanjagend klinkt. Eén van de kobolden kijkt verstoord op, en rent meteen op het geluid af. Alítih reageert echter snel en slingert een steen in het struikgewas verderop, zodat de kobold van richting verandert.
Chiara ziet meteen de geschikte gelegenheid om in actie te komen. Ze wenkt de anderen, en onder dekking van de nevels die rond de heuvel hangen, leidt ze hen omhoog door het gat in de bewaking dat is gevallen. Varlock ziet dat Fáelán in zijn zware harnas achterop raakt en keert zich meteen om. De dwerg spant zijn spieren en trekt de verdrijver van zijn hoofdpijn met stevige greep omhoog. Intussen maant Chiara Nazhaar geërgerd tot stilte, maar ze halen het zonder kleerscheuren.
Op de top van de heuvel treffen ze een vervallen bouwsel met pilaren waaromheen slangenreliëfs kronkelen. In het midden daarvan ligt een hoop jute zakken waarop iets metaligs glinstert. Ineens klinkt een luid geratel en verheft zich een enorme, ijzerkleurige cobra.
Fáelán snelt heldhaftig op het beest af: het moet het zwijgen opgelegd worden voor het alle kobolden alarmeert. Terwijl hij op de slang inhakt, gaat er echter ineens een ijskoud gevoel door hem heen. Zijn makkers zien hoe er achter hem een spookachtige gedaante is opgedoemd die naar de ridder uithaalt. In zijn oren klinkt een koude, weergalmende stem: “Je kunt de dood niet ontlopen, Fáelán…”
Chiara had al een pijl op haar boog en laat die nu op de geestesverschijning afsuizen, en ook Alítih richt haar magie op het wezen.
Nazhaar stormt eveneens op het spook af, maar slaat er dwars doorheen. De boze verschijning slaat ijzige handen naar hem uit, maar Fáelán heeft inmiddels de bescherming van zijn godin aangeroepen en het wezen huivert wanneer goddelijke energie erop inslaat. Nazhaars zwaard maakt een eind aan het bestaan van de geest, die met een laatste jammerklacht in Faéláns oren in de grond zinkt: “Bluthel had je nodig, Fáelán…”
De ridder ziet er geschokt uit en de slang spuugt gif naar Nazhaar, die zich er vergeefs tegen probeert te beschermen. Varlock begrijpt dat het tijd wordt om in actie te komen. Hij trekt een vervaarlijke strijdhamer tevoorschijn en werpt zich in de strijd. Zich dekkend met zijn schild deelt hij een paar flinke dreunen uit. Fáelán roept nogmaals goddelijke energie te hulp om Nazhaar te genezen van het gif dat zich een weg door zijn bloed vreet en keert zich dan weer naar de slang. Ridder en dwerg bundelen hun krachten en hakken en beuken op het beest in.
Precies op tijd… Chiara’s scherpe oren hebben de geluiden van een grote groep naderende kobolden opgevangen. Ze zoekt razendsnel naar een passende verstopplek en ziet dan dat precies onder de slang een vreemd gekleurde tegel ligt… alsof daar iets verborgen is. Ze snelt ernaartoe om die te inspecteren, maar precies op dat moment slaat Varlock met één klap de slang en de tegel in stukken. Daaronder blijkt een holle ruimte verborgen. Chiara jaagt de groep meteen naar binnen en Varlock kan nog net op tijd wat jute zakken over de tegel heen trekken.

De groep houdt zich even angstvallig stil, maar hoort dan de kobolden onverrichterzake weer weglopen…
Ze blijken beland in een grote ruimte met kronkelende wanden, waarop opgloeiende schilderingen van slangen zijn aangebracht. Twee waterpoelen klotsen zachtjes in de schemering. Chiara en Fáelán lopen nieuwsgierig op de dichtstbijzijnde af. Meteen rimpelt het water en schieten twee slangen tevoorschijn die een wolk gif in hun gezichten spuiten. Verblind wankelen ze achteruit en hakken in de lucht. Nazhaar springt naderbij en spuwt zijn drakenadem naar de beesten, maar die ontwijken hem kronkelend. Fáelán wrijft echter het gif uit zijn ogen en hakt één van hen de kop af. Varlock zwaait zijn hamer en verplettert met een flinke klap de tweede.
Nazhaar besluit de tweede poel links te laten liggen en loopt naar de verste uithoek van de grot, waar een gang begint. Hij kan echter nog net op tijd achteruit springen wanneer zich een valluik onder zijn voeten opent.
Fáelán neemt de gelegenheid te baat om iedereen te waarschuwen voorzichtig te zijn… hij heeft de schilderingen herkend als eerbetoon aan de god Zehir, de beschermer van gifmengers en bedriegers. De kans is groot dat hier nog meer vallen verborgen zijn.
Alítih zet haar eigen talenten in om de grot af te speuren naar gevaar. Ze voelt een vage magische aura in de tweede poel en maakt de groep daarop attent. Fáelán en Chiara zijn niet bepaald happig om weer met slangen geconfronteerd te worden. Chiara gooit een steen in het water, maar dat levert niks op. Varlock haalt zijn schouders op en springt tot verbijstering van zijn metgezellen gewoon het water in. Niet veel later vist hij een riem op, die Alítih identificeert als een magisch voorwerp dat beschermt tegen gif.

Terdege gewaarschuwd gaan ze verder op verkenning door de gang. Chiara gaat op voorverkenning en ziet dat even verderop een splitsing is. Eén gang leidt naar een ruimte waar drie cultisten bidden voor een slangenaltaar, terwijl slangen om hen heen kronkelen. De groep besluit om gebruik te maken van het verrassingselement en de cultisten te overvallen voor ze weten wat er gebeurt.
Fáelán stormt naar binnen om een eind te maken aan deze verderfelijke rituelen en Chiara laat haar pijlen vliegen. De slangen kronkelen meteen op de aanvallers af en spuiten hun gif naar het dichtstbijzijnde slachtoffer. Varlock wankelt verblind, maar bonkt met zijn hamer meteen één slang tot pulp. Intussen geeft Nazhaar de cultisten en hun slangen een koekje van eigen deeg: hij springt naar voren en spuwt zijn vernietigende adem over de hele groep.
De cultisten trekken vervaarlijk uitziende knuppels en vallen Fáelán en Varlock aan. Varlock kan nog steeds niets zien en probeert zich blindelings te verweren. Fáelán ziet dat zijn strijdmakker het moeilijk heeft en stuurt hem goddelijk geïnspireerde steun toe. Varlock knippert meteen het gif uit zijn ogen en plet een tweede slang onder zijn hamer tot hapklaar vlees.
Alítih en Chiara nemen intussen de cultisten onder vuur, en Nazhaar trekt zijn bijl. Hij laat één van de cultistenkoppen over de grond rollen. Diens slang neemt meteen wraak en verblindt de drakenman. Chiara schiet hem echter te hulp en jaagt een pijl door het oog van de cultist die de verblinde Nazhaar wilde aanvallen.
De laatste cultist slaat inmiddels op Varlock in en probeert de dwerg achteruit te drijven. De krijger plant echter zijn voeten stevig op de grond en houdt stand. Chiara haalt diep adem, mikt zorgvuldig en laat dan vlak na elkaar twee pijlen vliegen die zich zingend in het gewoel storten: één ervan schakelt de laatste cultist uit, de tweede spijkert de laatste slang tegen de vloer.
Vloekend worden ogen schoongeveegd en gifwonden verzorgd. Vanuit de andere gang klonk immers nog meer gesis…

Geen opmerkingen:

Een reactie posten