dinsdag 12 januari 2016

Hoofdstuk 4

Wanneer Alítih op haar schreden terugkeert, ziet ze een woedende Taazhon terug komen uit het bos. Zo diplomatisch mogelijk vraagt ze naar wat er gebeurt is. De woedende stuurman snauwt haar toe dat hij die verraders wel te pakken krijgt en hij beent weg.
Ze treft Nazhaar, die met de ziel onder zijn arm rondloopt. Immers, wat is een kapitein zonder zijn schip? Alítih merkt niet meteen de begerige blikken die Nazhaar op de “Jalan Vashir” werpt en neemt de drakenman mee op sleeptouw: na zijn vertoon bij het breken van de gijzeling is wel duidelijk dat hij een waardevolle bondgenoot kan zijn. En nu hij toch op Khesh vastzit, kan dat maar beter haar bondgenoot zijn.
Ze besluit terug te keren naar het landhuis om bij Padraig te informeren of hij iets meer weet van wat zich in de herberg heeft afgespeeld. Maar eenmaal daar worden Alítih en Nazhaar meteen geënterd door vrouwe Serusa. Met de aplomb van de drakenmensadel wijst ze hen aan als vrijwilligers om haar bezittingen over te brengen naar de herberg, waar ze verkiest te overnachten.
Nazhaar vindt het geen slecht idee om in een goed blaadje te blijven bij Serusa en stemt in. Alítih wil in aanvang protesteren wanneer Nazhaar haar een beautycase in handen drukt, maar bedenkt zich dan: ze merkt dat de grote kist van de edelvrouwe al is weggebracht. De gelegenheid om die eens te inspecteren, wil ze niet zomaar voorbij laten gaan.
Tijdens hun bepakte tocht naar de herberg zien ze dat op het centrale plein van Waterzooi ijverig getimmerd wordt: de matrozen van de “Jalan Vashir” zijn een soort platform aan het  bouwen. Het ritmische gehamer wordt echter ineens onderbroken wanneer een jonge draak bovenop de constructie neerstrijkt. Hij slaakt enkele kreten, en Alítih ziet Nazhaar aandachtig luisteren. “Bericht voor de kapitein,” mompelt hij. Met een vastberaden gezicht stapt hij op de draak af.
“Ik ben de kapitein,” spreekt Nazhaar de jonge draak aan, met al het gezag dat hij placht uit te oefenen. De “Jalan Vashir” is van hem, zo redeneert hij, en alles dat hem kan helpen het schip terug te krijgen, neemt hij met beide handen aan.
Hij krijgt inderdaad de boodschap van de draak te horen: de “Jalan Vashir” dient zich onmiddellijk te vervoegen bij de vloot die ligt bij Io’Barat. Het nieuws is teleurstellend weinig nuttig, en Nazhaar krijgt ook nog andere problemen: de twee timmerende matrozen hebben gehoord dat hij zich voor de kapitein uitgeeft, en komen dreigend op hem af.
Alítih, die de conversatie in de drakentaal niet heeft kunnen volgen, begrijpt deze taal maar al te best: ze zitten in de problemen. Nazhaar verzekert haar ervan dat hij de matrozen wel weer zal weten te kalmeren, en hij buldert hen toe dat hij de boodschap alleen aannam om de boodschapper tijd te besparen: hij zal de boodschap gewoon overbrengen.
De matrozen zijn niet van gisteren en lijken niet bereid hun voormalige kapitein het voordeel van de twijfel te geven. Ze stormen op Nazhaar af, onder het schreeuwen van ‘verrader’.

Intussen is Fáelán met Sulman een voorzichtig gesprekje begonnen over de Ridders van Ardyn, zoals de opstandige groep die de zilveren tand draagt zich noemt. Wat zijn hun bedoelingen? Sulman geeft behoedzaam antwoord, het is duidelijk dat hij Fáeláns eigen intenties probeert af te tasten, voor hij meer informatie loslaat.
Fáelán komt aan de weet dat het doel van de Ridders van Ardyn is om het Keizerrijk in zijn glorie van eertijds te herstellen: de corruptie die er nu heerst moet nodig aangepakt worden. En daartoe bestrijden ze, zoals het motto van het Keizerrijk zelf luidt, vuur met vuur. Harde methodes kunnen nodig zijn om een smet van het blazoen te poetsen.
Dat laatste vindt Fáelán een beetje twijfelachtig, maar als ridder weet hij ook wel dat men soms niet anders kan dan het blanke staal hanteren om het onrecht te bestrijden. Hij spreekt dus zijn interesse uit om meer over hun zaak te leren. Sulman geeft hem een zilveren tand, maar waarschuwt hem dat het gevaarlijk kan zijn wanneer iemand die ziet. Fáelán stopt hem voorlopig ergens verborgen weg en neemt afscheid van Sulman.
Die legt aan bij wat op het eerste gezicht een drijvende boomstam lijkt. Maar na enige geheimzinnige manipulaties, draait de stam zich om, klappen er her en der mechanieken uit en vaart Sulman weg in het vreemdste schip dat Fáelán ooit heeft gezien.
Fáelán roeit terug naar Khesh en merkt dat hij het derde eiland van de archipel tegenover zich ziet liggen: Estaol. Op het strand treft hij een schrijntje van Melora, waar hij devoot een offer brengt en enige tijd mediteert. Hij wil graag leiding van zijn godin om te weten of de Ridders van Ardyn deel zijn van het pad dat hij moet gaan.

Chiara voelt zich inmiddels eindelijk veilig genoeg om haar schuilplaats te verlaten. Ze merkt dat ze tijdens haar vlucht terecht is gekomen op een plek die ze niet goed kent, en begint haar weg terug te zoeken. Na een poosje ziet ze aan de veranderende begroeiing dat ze het strand nadert. Ze hoort geblaf uit de verte komen en sluipt behoedzaam verder.
Op het strand ziet ze een orc met twee grote honden. Achter hem liggen drie sloepen, die op het strand zijn getrokken. Chiara weifelt nog wat ze moet doen, wanneer de orc haar al heeft opgemerkt. Hij trekt onmiddellijk een boog, vuurt op haar en stuurt de twee honden op haar af. Uit zijn kelige grom begrijpt Chiara dat de beesten het bevel hebben gekregen haar te doden, en ze lost meteen zelf een pijl, die één van de honden halverwege een sprong levenloos doet neerstorten.
Fáelán hoort het lawaai vanuit de verte en gaat op onderzoek uit. Aanvankelijk weet hij niet goed wat er gaande is, maar wanneer hij een woedende kreet uit de bosrand hoort komen, begrijpt hij dat het Chiara is, die in de problemen zit. Hij stormt met geheven zwaard op de orc af, die zich onmiddellijk naar deze nieuwe tegenstander keert.
Chiara heeft intussen haar boog laten vallen, heeft haar twee korte zwaarden getrokken en hakt woest op de tweede hond in, die haar net naar de keel wou vliegen. Zijn kwijlende kop tolt door het bos en valt met een plof in het struikgewas.
Ze ziet dat Fáelán het intussen moeilijk heeft met de orc, die een geducht tegenstander blijkt. Ze raapt haar boog weer op mikt zorgvuldig. Fáelán heeft zware klappen te verwerken gekregen, maar heeft de orc ook al flink toegetakeld. Alleen lijkt die net kracht te putten uit zijn verwondingen en stort zich in een bloedige razernij met hernieuwde energie op de ridder. Onder het grommen van kreten als ‘tot de dood!’ hakt en kerft hij op Fáelán in. Wanneer de eerste pijl hem echter treffen, kan Fáelán van de gelegenheid gebruik maken om door zijn verdediging te breken. Niet veel later maakt een laatste pijl een eind aan het orc-gevaar.
Althans, voorlopig. Wanneer ze de sloepen nader gaan inspecteren, begrijpen ze al snel dat er nog meer orcs op Khesh moeten zijn. Chiara en Fáelán besluiten om één van de sloepen te gebruiken om zelf richting Waterzooi te varen. De andere twee maken ze onklaar: wanneer de orcs hun gevallen kameraad vinden, moeten ze niet op zoek naar versterking kunnen gaan…

Op het plein van Waterzooi hebben Nazhaar en Alítih niet veel tijd om zich voor te bereiden op de strijd tegen twee woedende matrozen.
Alítih ontsteekt een zilveren vuur in één van de toestormende mannen, dat uit zijn mond en ogen weer naar buiten slaat terwijl hij schreeuwt van pijn. Nazhaar maakt gebruik van zijn status als ‘de kapitein’ om de jonge draak te sommeren zich in de strijd te werpen. De draak maakt de geteisterde matroos af, maar die slaagt erin om in zijn doodstrijd de draak nog een flinke verwonding toe te brengen. Het beest kiest ijlings de vlucht, terwijl Nazhaar klappen wisselt met de tweede matroos.
De overblijvende matroos stelt zich stevig teweer tegen Nazhaar, maar is niet voorbereid op Alítih die ineens verdwijnt van de plek waar ze stond en vanuit een zilveren nevel achter hem weer materialiseert. Nazhaar maakt van zijn verwarring gebruik om zijn bijl in het vlees van de matroos te laten bijten, en Alítih maakt een eind aan zijn verzet met een magische explosie.
Alítih en Nazhaar kijken hijgend om zich heen. Er zijn wel enkele nieuwsgierige blikken, maar geen andere opvarenden van het schip te zien. Aangezien er onder de bevolking van Waterzooi niet al te veel liefde voor drakenmensen is, lijkt de kans niet zo groot dat ze meteen verklikt zullen worden. Ze slepen zo snel mogelijk de lichamen onder het platform en overleggen daarna wat hen te doen staat. Nazhaar ziet echter geen grote problemen: al wat ze moeten doen, is de bagage van vrouwe Serusa oppakken en hun taken voortzetten, alsof er niets gebeurd is.
De tovenares staat even te kijken van dit arrogante plan, dat alleen uit de koker van een drakenman kan komen, maar het staat haar wel aan. In het kielzog van een zelfverzekerde Nazhaar stapt ze de herberg binnen. Daar trekt de bebloede bijl van Nazhaar wel enige aandacht van nieuwe barvrouw Ghantah, maar de drakenman verkondigt zonder verpinken dat hij een hert heeft neergelegd voor zijn maal vanavond.
De nieuwe kapitein van de “Jalan Vashir” zit onrustig achter zijn zeekaart en kijkt van tijd tot tijd naar het raam of de deur. Nazhaar trekt zijn onschuldigste gezicht wanneer de blik van de kapitein op hem valt en verklaart dat hij hier is om edelvrouwe Serusa te dienen. Beladen onder haar bagage wordt hem door niemand een strobreed in de weg gelegd en samen met Alítih komt hij zonder problemen in de kamer van Serusa.
Daar ziet Alítih meteen de kist van Serusa staan. Ze vraagt Nazhaar op de uitkijk te staan en begint rond te snuffelen tussen de bagage van de edelvrouwe. De kist krijgt ze ondanks al haar inspanningen niet open. Verder treft ze tot haar verbazing verschillende kruiden aan tussen de bezittingen van Serusa, die ze herkent als onderdelen van het brouwsel dat Groenzuur kan genezen.
Wanneer ze weer buiten komen, treffen ze Taazhon, die verbeten meldt dat hij niet van Khesh vertrekt voor hij minstens één van de verraders in handen heeft en hoogstpersoonlijk met hem heeft afgerekend.
Alítih maakt zich nu toch wel zorgen over haar makkers. Het schip moet hier zo snel mogelijk weg, en eigenlijk is de boodschap die Nazhaar in ontvangst genomen heeft, daar de beste manier voor. Nazhaar lijkt echter niet van plan om die aan de kapitein over te brengen: hij wil tot elke prijs zijn schip weer in handen krijgen. Ze besluit om de ‘eerst handelen, daarna overleggen’-tactiek van Nazhaar tegen hem te gebruiken en vertelt de kapitein eenvoudigweg zelf dat ze een boodschap voor hem hebben aangenomen.
De kapitein heeft eerst moeite te begrijpen waarom de boodschap niet rechtstreeks aan hem zou zijn overgebracht, maar laat zich dan toch overtuigen. Hij begint op staande voet zijn mannen te verzamelen en verklaart dat ze die avond nog, na de festiviteiten, zullen uitvaren. Tazhaan reageert niet bepaald enthousiast, maar heeft geen andere keuze dan de bevelen te gaan doorgeven, alvorens hij een laatste zoektocht naar de ‘terroristen’ gaat ondernemen.
Alítih informeert voorzichtig naar de aard van de geplande festiviteiten en krijgt te horen dat het gaat om de executie van de gevangenen die immers nog steeds in verzekerde bewaring zijn. Ze begrijpt dat het cruciaal is om ervoor te zorgen dat haar vrienden geen deel van deze feestvreugde zullen worden.
Bij het landhuis treffen ze Chiara en Fáelán die voorzichtig naar binnen geslopen zijn om bij Padraig verslag te gaan uitbrengen van de situatie. De burgemeester ziet eruit alsof hij al onder grote druk staat en is niet bepaald blij met het nieuws dat er ook nog eens orcs op zijn eiland rondwaren.
Alítih wordt aangesproken door vrouwe Padraig die graag in contact zou komen met kruidenvrouw Halci. Ze zegt toe vrouwe Padraig tot bij haar te begeleiden – ze wilde toch al eens nagaan of alles wel goed was met haar vriendin.
Bij Halci’s huis gekomen, blijkt de kruidenvrouw verdwenen. Op haar studeertafel treft Alítih een opengeslagen dagboek aan. Bezorgd zoekt ze naar een verklaring voor de vreemde gebeurtenissen rondom Halci, maar ondanks het feit dat ze het elfse schrift herkent, kan ze de woorden niet lezen. Ze wenkt Chiara naderbij en de halfelf brengt de taal thuis als Dieptespraak, een taal van onderwereldse wezens.
Wanneer Alítih het dagboek verder doorbladert, ziet ze dat het begin er onschuldig genoeg uitziet, met aantekeningen en schetsen van kruiden en dieren. Naar het einde toe wordt het echter steeds onbegrijpelijker en op de laatste pagina staat een onduidelijke, half uitgewiste tekening. Hoe lang ze er ook naar staart, ze kan er niks van maken.
Fáelán gaat intussen op onderzoek in het huis van Halci en vindt groene steentjes, die hij tot zijn zorg herkent als venomiet: een giftig gesteente. Zodra hij dat woord hoort vallen, herinnert Nazhaar zich dat ergens in deze archipel een mijn is, waar venomiet eertijds werd ontgonnen door slangachtige wezens.
Vrouwe Padraig bevestigt dat deze mijn zich op Khesh bevond, maar kan uit het hoofd niet zeggen waar. Wel weet ze dat er in één van de verboden gedeeltes van Khesh, waar alleen de draak Khesh mag komen, een heuvel is die ‘de Slangenheuvel’ wordt genoemd. Vrouwe Padraig moet zich terug huiswaarts begeven, maar vraagt hen om de onrustbarende verdwijning van de kruidenvrouw nader uit te pluizen: hier is iets duisters gaande… Ze belooft tegen de volgende dag zelf na te gaan of ze meer informatie over de mijn kan bovenhalen.
Chiara ontdekt dat het slot van het raam geforceerd is. De zorg om de veiligheid van Halci wordt steeds groter en Alítih besluit om de priester in Waterzooi te gaan vragen of hij meer kan maken van de inhoud van het boek. Wanneer Fáelán en Chiara haar willen vergezellen, raadt ze hen om veiligheidshalve nog even uit Waterzooi weg te blijven: Taazhon zou hen maar al te graag samen met de halflings berechten.
In Waterzooi gekomen, blijkt er echter niet veel zinnigs uit de priester te komen. Hij is al flink beschonken, en Alítih besluit om zelf ook maar de ochtend af te wachten voor ze tot actie overgaat. Ze ziet Padraig met betrokken gezicht de executies gadeslaan, en ook vrouwe Padraig lijkt niet bepaald in een feeststemming. Alítih is vooral opgelucht dat niemand de lichamen onder het platform heeft ontdekt en houdt zich op de achtergrond, voor ze zelf ook terug naar de hut van Halci trekt. Wel valt het haar nog op dat kapitein Erano Stern de grote afwezige is op dit spektakel…

De volgende ochtend is de “Jalan Vashir” vertrokken en kunnen Chiara en Fáelán zich tot hun opluchting weer vrij bewegen over Khesh. De dorpspriester kan hen niet veel wijzer maken, maar herkent de tekening wel als een mythische ketel, die hij ooit eerder afgebeeld gezien heeft. Hij bevestigt dat de taal in het dagboek Dieptespraak is en toont zich bezorgd over de situatie waarin Halci zich bevindt.
Aangezien eerder al gebleken is dat kapitein Erano Stern en Halci wel eens samen in een onderneming betrokken waren, besluit Chiara om nog eens langs te gaan bij de man die haar ooit naar Khesh bracht. Hij doet niet open op haar kloppen en wanneer ze binnengaat, wacht haar een gruwelijk tafereel: de kapitein ligt levenloos over zijn bureau met diepe wonden die duidelijk niet door staal zijn toegebracht. Onder zijn krachteloze hand ligt een half afgemaakte brief. Aangedaan reikt Chiara naar de brief om zijn laatste woorden te lezen…

2 opmerkingen:

  1. Cool! Kan je geloven dat ik al 30% vergeten was?
    Opmerking: Aleyn = Ardyn, Tazhaan = Taazhon

    BeantwoordenVerwijderen