maandag 11 januari 2016

Hoofdstuk 2

Nadat Zentorm de hele herberg met zijn ene oog heeft opgenomen, verstrekt hij een beschrijving van drie verdachte individuen, avonturiers die onuitgenodigd bij de grot van Marzark waren opgedoken, vlak voor het ei verdwenen bleek.
Alítih en Faélán kijken achterdochtig naar Chiara. De beschrijving lijkt niet helemaal op hen van toepassing, maar ze zijn niet vergeten dat de halfelf met haar vingers aan de eieren had gezeten. Chiara verzekert hen er fluisterend van dat ze er niks mee te maken heeft.
Voor de twee anderen hem kunnen tegenhouden, is Faélán al naar voor gestapt om te verklaren dat hij bij de grot van Marzark is geweest, samen met twee anderen, maar niks met de verdwijning van het ei te maken heeft. De prefect schenkt hem amper aandacht en weigert zijn verhaal zelfs maar te aanhoren. Volgens hem slaat de beschrijving absoluut niet op Faélán en zijn gezellen.
Na enig overleg met de prefect van Khesh blijken drie bewoners van het eiland wel echte verdachten: kruidenvrouw Halci, kapitein Erano Stern en Gherman zouden hier iets mee te maken hebben.
Zodra Chiara de naam van Gherman hoort vallen, overtuigt ze de twee anderen ervan zich als vrijwilligers op te geven om hem te gaan oppakken. Gherman is namelijk haar stiefvader en ze wil hem liever niet in handen van de ruwe kwanten van Zentorm laten vallen.

Ze leidt de groep naar hun huis, maar Gherman is niet thuis. Achter Chiara aan volgen ze de sporen van Gherman tot diep in het woud. Daar zit Gherman een groepje kobolden te beloeren dat letterlijk met vuur aan het spelen is. Met behulp van een grote vuurkever steken ze stukken bos in de fik en richten zoveel mogelijk vernielingen aan.
Het groepje confronteert de kobolden en weet ze onschadelijk te maken, al richt de vuurkever nog zware vernielingen aan. Gherman weet met kennersoog vast te stellen dat deze kobolden dienaren van Marzark zijn. Ze moeten via een onderzeese tunnel hier gekomen zijn…
Wanneer Gherman hoort dat hij gezocht wordt, schrikt hij, maar toont zich bereid mee terug te keren naar de herberg. Het lijkt hem het verstandigst om een verklaring te gaan afleggen, anders wordt hij helemaal als misdadiger bestempeld. 

Bij de herberg aangekomen, zien ze dat Zentorm iemand anders heeft gevonden om zijn brute methodes op los te laten. Halforc Horsk is in de boeien geslagen en krijgt er met de zweep van langs. Hij blijft jammerend betuigen dat hij van niets weet, maar het mag niet baten. Kapitein Erano Stern en Halci staan geboeid terzijde. Halci heeft een blauw oog en te zien aan de toestand van de soldaten rond haar, is ze niet zonder enig verzet meegekomen.
Prefect Padraig ziet de drie aankomen en snelt hen tegemoet. Uit Fáeláns stormachtige gelaatsuitdrukking kan hij al opmaken dat die niet te spreken is over de methodes van Zentorm. Hij bezweert hen zich onder geen beding met de gang van zaken te bemoeien: als Zentorm ontstemd raakt, dan zullen de gevolgen nog veel erger zijn. Fáelán bedwingt zich met moeite. Padraig vertelt hen dat Horsk heeft verklaard dat hij een halfelf in het woud heeft gezien met het vermiste drakenei.
Zentorm ziet de groep aankomen en sommeert hen om Gherman in de boeien te slaan. Chiara gruwelt van het idee en ook Faélán voelt zich niet meteen geroepen. Alítih neemt de taak op zich en probeert onmerkbaar om de boeien slecht om te doen. Helaas mag het niet baten, één van de soldaten merkt dat ze los om Ghermans polsen zitten en niet veel later vervoegt hij de kapitein en de kruidenvrouw.
Inmiddels maakt Faélán wel van de gelegenheid gebruik om naar de kapitein te sluipen en hem uit te vragen over het gebeurde. Erano vertelt hen een verhaal dat maar al te bekend klinkt: enige tijd geleden waren ze naar het verblijf van Khesh gereisd. Daar werden ze betrapt door de draak en alleen vrijgelaten op voorwaarde dat ze… een drakenei van Marzark zouden stelen. Hij verwijst Fáelán naar zijn eerste stuurman, die zal hen wel helpen als hij hem het wachtwoord geeft.

De drie drentelen zo onopvallend mogelijk de herberg binnen terwijl de mannen van Zentorm huishouden in het dorp, tot grote woede van Fáelán.
Aan de toog bestelt de paladijn een kroes bier en meldt nonchalant: “Ze heeft een naam nodig.” Eerste stuurman Sulman schenkt hen meteen alle hulp die hij kan bieden: een kompas dat magischerwijs de locatie van iemand aanwijst, wanneer je zijn naam noemt, en de sabel van de kapitein zelf.
Nadat Chiara het vuur aan de schenen is gelegd, wordt duidelijk wie de halfelf met het ei is: het moet Radam zijn. Het kompas leidt hen rechtstreeks naar de bergen.
Daar treffen ze Radam in een penibele situatie: hij bungelt ondersteboven aan een overhangende rots, waaraan ook grote kruiken hangen waarin het vervaarlijk zoemt. Een groepje kobolden houdt zich bezig met stenen slingeren naar de kruiken en Radam, onder luid gejuich wanneer iemand een treffer scoort.
Onder de kobolden ontwaren ze er één die een paar kleine draakjes in bedwang houdt… bij zijn voeten ligt de gladde vorm van het vermiste drakenei.
Chiara schiet meteen haar mede-halfelf te hulp en spant haar boog. Alítih en Faélán kiezen een strategische positie en lokken de kobolden een helling op. Een verwoed gevecht ontspint zich. Wanneer Chiara een kobold van de overhangende rots schiet, wordt de situatie voor de arme Radam nog penibeler: de vallende kobold trekt een kruik mee naar beneden die kapot valt. Daaruit stijgt een gigantische mug op die zich meteen vastzuigt aan Radams gezicht. De arme halfelf zag er al niet bijster florissant uit, maar wordt nu ook nog eens langzaam maar zeker leeggezogen.
Chiara moet haar pijlen nu op het insect richten, en weet hem er na enkele pogingen af te schieten. Maar inmiddels is ook het tweede beest bevrijd en de twee insecten storten zich meteen weer op de hulpeloze Radam.
Alítih en Fáelán hebben het inmiddels moeilijk om zich te kobolden van het lijf te houden, vooral wanneer een kobold met een witgeschilderd masker zich in de strijd werpt. Ze krijgen zware aanvallen te verduren, maar wanneer Faélán een beroep doet op de kracht van zijn godin en Alítih de aanvallende kobold in een nachtmerrieachtige sluier dompelt, weten ze de macht van hun tegenstrever te bedwingen.
Het lijkt echter al te laat. Chiara rent naar Radam die er schijnbaar levensloos bij ligt. Faélán snelt haar te hulp, maar heeft al zijn magie uitgeput. Hij wil de zuigwonden met materiële middelen proberen te behandelen, al ziet hij al dat het hopeloos is. Dan wordt hij voorzichtig opzij geduwd door Alítih, die een flesje met een genezend brouwsel van Halci opdiept en het koelbloedig door de keel van de halfelf giet. Chiara wacht gespannen af, maar ziet dan tot haar grote opluchting enige kleur op het gelaat van Radam komen.
Terwijl de halfelf alle mogelijke moeite doet om staande te houden dat hij niets verkeerds bedoelde en dat er zeker geen reden is om hem over te dragen aan Zentorm, legt Alítih snel beslag op het ei. Radam werpt er hoopvolle blikken op, maar moet al gauw terneergeslagen beseffen dat er geen enkele kans op is dat hij het nog naar Khesh zal kunnen brengen. Wel wil met name Fáelán ingaan op zijn smeekbede hem niet over te leveren aan prefect Zentorm… al is die dan ook weer niet bereid om voor hem te liegen dat ze het ei bij de kobolden hebben gevonden en verder niemand hebben gezien. Ook Chiara voelt zich daar niet meteen toe geroepen: haar stiefvader moet natuurlijk wel van alle blaam gezuiverd worden, en dan is het misschien handiger als er een zondebok is… 

Fáelán houdt zich op de achtergrond en kijkt met enige afkeuring toe hoe Alítih aan prefect Zentorm een aangepaste versie van de feiten overbrengt. De eerlijke ridder voelt zich echter ook niet geneigd om Radam over te leveren aan de keizerlijken die hij zo haat, en die op dit moment in het dorp kostbaarheden ‘in beslag aan het nemen zijn’ ter compensatie voor de diefstal. Hij kiest dus maar voor het minste van twee kwaden. Stiekem doet het hem wel deugd om te zien hoe de prefect woedend zijn manschappen verzamelt en van het eiland verdwijnt – de blamage dat het ei in handen van kobolden van zijn eigen eiland was, blijkt groter dan zijn verlangen de inwoners van Khesh nog te terroriseren.
De bewoners van Khesh zien een schuimbekkende Zentorm opgelucht in de verte verdwijnen, nadat hij de onheilspellende mededeling heeft gedaan dat het laatste woord over deze zaak nog lang niet gezegd is!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten