Nadat Zentorm de hele herberg met zijn ene oog heeft
opgenomen, verstrekt hij een beschrijving van drie verdachte individuen,
avonturiers die onuitgenodigd bij de grot van Marzark waren opgedoken, vlak
voor het ei verdwenen bleek.
Alítih en Faélán kijken achterdochtig naar Chiara. De
beschrijving lijkt niet helemaal op hen van toepassing, maar ze zijn niet
vergeten dat de halfelf met haar vingers aan de eieren had gezeten. Chiara
verzekert hen er fluisterend van dat ze er niks mee te maken heeft.
Voor de twee anderen hem kunnen tegenhouden, is Faélán al
naar voor gestapt om te verklaren dat hij bij de grot van Marzark is geweest,
samen met twee anderen, maar niks met de verdwijning van het ei te maken heeft.
De prefect schenkt hem amper aandacht en weigert zijn verhaal zelfs maar te
aanhoren. Volgens hem slaat de beschrijving absoluut niet op Faélán en zijn
gezellen.
Na enig overleg met de prefect van Khesh blijken drie
bewoners van het eiland wel echte verdachten: kruidenvrouw Halci, kapitein
Erano Stern en Gherman zouden hier iets mee te maken hebben.
Zodra Chiara de naam van Gherman hoort vallen, overtuigt ze
de twee anderen ervan zich als vrijwilligers op te geven om hem te gaan
oppakken. Gherman is namelijk haar stiefvader en ze wil hem liever niet in
handen van de ruwe kwanten van Zentorm laten vallen.
Ze leidt de groep naar hun huis, maar Gherman is niet thuis.
Achter Chiara aan volgen ze de sporen van Gherman tot diep in het woud. Daar
zit Gherman een groepje kobolden te beloeren dat letterlijk met vuur aan het
spelen is. Met behulp van een grote vuurkever steken ze stukken bos in de fik
en richten zoveel mogelijk vernielingen aan.
Het groepje confronteert de kobolden en weet ze onschadelijk
te maken, al richt de vuurkever nog zware vernielingen aan. Gherman weet met
kennersoog vast te stellen dat deze kobolden dienaren van Marzark zijn. Ze
moeten via een onderzeese tunnel hier gekomen zijn…
Wanneer Gherman hoort dat hij gezocht wordt, schrikt hij,
maar toont zich bereid mee terug te keren naar de herberg. Het lijkt hem het
verstandigst om een verklaring te gaan afleggen, anders wordt hij helemaal als
misdadiger bestempeld.
Bij de herberg aangekomen, zien ze dat Zentorm iemand anders
heeft gevonden om zijn brute methodes op los te laten. Halforc Horsk is in de
boeien geslagen en krijgt er met de zweep van langs. Hij blijft jammerend
betuigen dat hij van niets weet, maar het mag niet baten. Kapitein Erano Stern
en Halci staan geboeid terzijde. Halci heeft een blauw oog en te zien aan de
toestand van de soldaten rond haar, is ze niet zonder enig verzet meegekomen.
Prefect Padraig ziet de drie aankomen en snelt hen tegemoet.
Uit Fáeláns stormachtige gelaatsuitdrukking kan hij al opmaken dat die niet te
spreken is over de methodes van Zentorm. Hij bezweert hen zich onder geen
beding met de gang van zaken te bemoeien: als Zentorm ontstemd raakt, dan
zullen de gevolgen nog veel erger zijn. Fáelán bedwingt zich met moeite.
Padraig vertelt hen dat Horsk heeft verklaard dat hij een halfelf in het woud
heeft gezien met het vermiste drakenei.
Zentorm ziet de groep aankomen en sommeert hen om Gherman in
de boeien te slaan. Chiara gruwelt van het idee en ook Faélán voelt zich niet
meteen geroepen. Alítih neemt de taak op zich en probeert onmerkbaar om de
boeien slecht om te doen. Helaas mag het niet baten, één van de soldaten merkt
dat ze los om Ghermans polsen zitten en niet veel later vervoegt hij de
kapitein en de kruidenvrouw.
Inmiddels maakt Faélán wel van de gelegenheid gebruik om
naar de kapitein te sluipen en hem uit te vragen over het gebeurde. Erano
vertelt hen een verhaal dat maar al te bekend klinkt: enige tijd geleden waren
ze naar het verblijf van Khesh gereisd. Daar werden ze betrapt door de draak en
alleen vrijgelaten op voorwaarde dat ze… een drakenei van Marzark zouden
stelen. Hij verwijst Fáelán naar zijn eerste stuurman, die zal hen wel helpen
als hij hem het wachtwoord geeft.
De drie drentelen zo onopvallend mogelijk de herberg binnen
terwijl de mannen van Zentorm huishouden in het dorp, tot grote woede van
Fáelán.
Aan de toog bestelt de paladijn een kroes bier en meldt
nonchalant: “Ze heeft een naam nodig.” Eerste stuurman Sulman schenkt hen
meteen alle hulp die hij kan bieden: een kompas dat magischerwijs de locatie
van iemand aanwijst, wanneer je zijn naam noemt, en de sabel van de kapitein
zelf.
Nadat Chiara het vuur aan de schenen is gelegd, wordt
duidelijk wie de halfelf met het ei is: het moet Radam zijn. Het kompas leidt
hen rechtstreeks naar de bergen.
Daar treffen ze Radam in een penibele situatie: hij bungelt
ondersteboven aan een overhangende rots, waaraan ook grote kruiken hangen
waarin het vervaarlijk zoemt. Een groepje kobolden houdt zich bezig met stenen
slingeren naar de kruiken en Radam, onder luid gejuich wanneer iemand een
treffer scoort.
Onder de kobolden ontwaren ze er één die een paar kleine
draakjes in bedwang houdt… bij zijn voeten ligt de gladde vorm van het vermiste
drakenei.
Chiara schiet meteen haar mede-halfelf te hulp en spant haar
boog. Alítih en Faélán kiezen een strategische positie en lokken de kobolden
een helling op. Een verwoed gevecht ontspint zich. Wanneer Chiara een kobold
van de overhangende rots schiet, wordt de situatie voor de arme Radam nog
penibeler: de vallende kobold trekt een kruik mee naar beneden die kapot valt.
Daaruit stijgt een gigantische mug op die zich meteen vastzuigt aan Radams
gezicht. De arme halfelf zag er al niet bijster florissant uit, maar wordt nu
ook nog eens langzaam maar zeker leeggezogen.
Chiara moet haar pijlen nu op het insect richten, en weet
hem er na enkele pogingen af te schieten. Maar inmiddels is ook het tweede
beest bevrijd en de twee insecten storten zich meteen weer op de hulpeloze
Radam.
Alítih en Fáelán hebben het inmiddels moeilijk om zich te
kobolden van het lijf te houden, vooral wanneer een kobold met een
witgeschilderd masker zich in de strijd werpt. Ze krijgen zware aanvallen te
verduren, maar wanneer Faélán een beroep doet op de kracht van zijn godin en
Alítih de aanvallende kobold in een nachtmerrieachtige sluier dompelt, weten ze
de macht van hun tegenstrever te bedwingen.
Het lijkt echter al te laat. Chiara rent naar Radam die er
schijnbaar levensloos bij ligt. Faélán snelt haar te hulp, maar heeft al zijn
magie uitgeput. Hij wil de zuigwonden met materiële middelen proberen te
behandelen, al ziet hij al dat het hopeloos is. Dan wordt hij voorzichtig opzij
geduwd door Alítih, die een flesje met een genezend brouwsel van Halci opdiept
en het koelbloedig door de keel van de halfelf giet. Chiara wacht gespannen af,
maar ziet dan tot haar grote opluchting enige kleur op het gelaat van Radam
komen.
Terwijl de halfelf alle mogelijke moeite doet om staande te
houden dat hij niets verkeerds bedoelde en dat er zeker geen reden is om hem
over te dragen aan Zentorm, legt Alítih snel beslag op het ei. Radam werpt er
hoopvolle blikken op, maar moet al gauw terneergeslagen beseffen dat er geen
enkele kans op is dat hij het nog naar Khesh zal kunnen brengen. Wel wil met
name Fáelán ingaan op zijn smeekbede hem niet over te leveren aan prefect
Zentorm… al is die dan ook weer niet bereid om voor hem te liegen dat ze het ei
bij de kobolden hebben gevonden en verder niemand hebben gezien. Ook Chiara
voelt zich daar niet meteen toe geroepen: haar stiefvader moet natuurlijk wel
van alle blaam gezuiverd worden, en dan is het misschien handiger als er een
zondebok is…
Fáelán houdt zich op de achtergrond en kijkt met enige
afkeuring toe hoe Alítih aan prefect Zentorm een aangepaste versie van de
feiten overbrengt. De eerlijke ridder voelt zich echter ook niet geneigd om
Radam over te leveren aan de keizerlijken die hij zo haat, en die op dit moment
in het dorp kostbaarheden ‘in beslag aan het nemen zijn’ ter compensatie voor
de diefstal. Hij kiest dus maar voor het minste van twee kwaden. Stiekem doet
het hem wel deugd om te zien hoe de prefect woedend zijn manschappen verzamelt
en van het eiland verdwijnt – de blamage dat het ei in handen van kobolden van
zijn eigen eiland was, blijkt groter dan zijn verlangen de inwoners van Khesh
nog te terroriseren.
De bewoners van Khesh zien een schuimbekkende Zentorm
opgelucht in de verte verdwijnen, nadat hij de onheilspellende mededeling heeft
gedaan dat het laatste woord over deze zaak nog lang niet gezegd is!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten