zaterdag 7 juli 2018

Hoofdstuk 45

Nadhar ligt bewusteloos en ijskoud op de grond. Chiara springt meteen op het voetstuk van een standbeeld, en gebruikt het als dekking om haar eigen pijlen richting de aanvallers te laten vliegen.
Ook de rest van de groep, die zich bij haar voegt, probeert zich te weer te stellen tegen de gnoompygmeeën. Varlock slaagt erin om Nadhar bij te brengen, maar die wordt meteen opnieuw getroffen. Hij weet echter nog net Chiara te smeken om haar zielenvuur. Wanneer ook Alítih getroffen wordt en als een koud hoopje ellende op de bosvloer belandt, weet Chiara dat ze iéts moet doen. Ze concentreert zich op de aanwezigheid van Omayenko, en weet haar drakengeleidegeest zo te kanaliseren dat ze het vuur beheerst kan doorgeven en de kille bewusteloosheid verdrijven.

Nadhar slingert bliksems in het rond, Varlock maait pygmeeën neer met zijn bijl, en Chiara laat haar pijlen vliegen. Er lijken echter steeds meer gnomen uit bomen en struikgewas op te duiken, en hun pijltjes zoemen als muskieten.

Nazhaar kiest uitgerekend dit moment om te gaan inspecteren wat de cultisten hebben opgegraven. Hij ziet een vreemd, bijna gemummificeerd wezen, zonder duidelijke gelaatstrekken, en herinnert zich griezelige verhalen over döppelgangers, die elke vorm kunnen aannemen. Een telepathisch bevel uit het midden van de groep draagt de ogres op om zich niets van de pijlen aan te trekken, en hun buit onmiddellijk naar het strand te brengen. Nu weet Nazhaar het zeker: dat ding moet hij hebben.
Hij volgt de groep ogres op de voet, maar wordt opgemerkt door Tolvuul, de telepatische leider van de groep. Nazhaar weet hem er echter van te overtuigen dat hij met hem wil meewerken. Die gaat daar prompt op in met de opdracht Chiara te grijpen en naar hem toe te brengen.

Ook Nadhar doet zijn best om Chiara mee te krijgen, maar die ziet dit niet bepaald als het moment om haar vrienden in de steek te laten, en ze verzet zich verontwaardigd.
Tolvuul komt zich erin mengen, en dreigt haar op een andere manier te overhalen. Vanonder zijn kap komen dreigende tentakels die zich uitstrekken naar haar rosse krullen. Ze tast meteen naar haar zwaard, en verdedigt haar keuzevrijheid woedend.
Nazhaar maakt gebruik van de afleiding om zich tussen de ogres te mengen, en weet op de een of andere mysterieuze manier de vorm van hun leider Tolvuul aan te nemen. Hij weet de ogres lang genoeg om de tuin te leiden om hen de kist aan boord van de Tao te laten brengen.
Nadhar verklaart inmiddels dat Chiara hem geen keuze laat, en maakt zich op om haar met bliksemende kettingen aan te vallen. Chiara, ontsteld maar niet verslagen, beantwoordt dat meteen met het vuur van haar zwaard. Tolvuul wordt bestookt door Varlock en de gnomen, en besluit uiteindelijk dat dit geen zin heeft. ‘Deze missie is mislukt’, verklaart hij kortaf, en geeft het sein tot terugtrekken.
Chiara, die Nadhar ernstig heeft weten te verwonden, blijft hijgend en verward achter, wanneer Nadhar zich in de lucht verheft op zijn stormkracht. Hij werpt nog een spijtige blik op haar – ‘het had zo anders kunnen zijn’ – en verdwijnt snel als de bliksem in de verte…

Hoofdstuk 44

Turnwell, de herbergier die de Morgenstond voor Chiara drijft, benadert haar op een avond. Hij heeft de geheime hut van kapitein Erano Stern gezien, en heeft het gevoel dat het raadsel daar verlangt naar oplossing door haar. Chiara neemt hem aandachtig op. Hij weet wat de oplossing is! Of niet soms? Dan moet hij het haar vertellen! Turnwell glimlacht alleen geheimzinnig, en herhaalt dat het raadsel door haar wil opgelost worden.
Pruttelend daalt Chiara af naar de hut, maar ze zit alleen maar eindeloos te staren naar de spreuk op de wand. ‘Waar de – vaart zal de hoop herleven.’ Wat moét ze daarmee? Chiara is niet iemand die bij de pakken blijft neerzitten, dus ze gaat eerst Turnwell nog eens op de rooster leggen, en wanneer die geen krimp geeft, sleurt ze Alítih uit de schemersmidse, en sleept de tovenares mee naar de geheime hut.
Alítih kan er al evenmin iets van maken, maar ze krijgt wel het gevoel dat dit raadsel nogal lijkt op hetgeen Nazhaar kreeg voorgelegd. Ze moedigt Chiara aan om nog eens in de logboeken van Erano Stern te duiken, en jawel, daar treft Chiara een soortgelijke zin: ‘Ze moet een naam hebben.’ Zou de spreuk op de wand letterlijk bedoeld zijn? Kan ze van de herberg weer een schip maken, als ze die een nieuwe naam geeft?
En wil ze dat eigenlijk wel?, wil Alítih nog vragen – maar het is al te laat. Chiara denkt met enige weemoed terug aan Sofaya en Radam, de twee halfelfen die ooit met haar naar dit eiland komen, en verklaart plechtig: ‘Ik doop u… de Sofara!’
Magie stroomt wervelend rond in de kamer… blaast door de letters van de spreuk op de wand en herschikt ze: ‘Waar de Sofara vaart, krijgen de halfelfen hoop’.
Buiten de hut klinken verbaasde schreeuwen – alleen Turnwell kijkt kalmpjes toe, en weet zijn evenwicht soepel te bewaren, wanneer de herberg zich krakend omvormt, en zich naar de zee uitstrekt. Niet veel later ligt een snel, slank schip in de haven, zij het dat de uitbouwen van de herberg haar vorm nog enigszins aan het oog onttrekken. Maar dat, oordeelt Turnwell, kan makkelijk verholpen worden.
Chiara is opgetogen, en geeft Turnwell de opdracht om met die werken te beginnen. Tegen de tijd dat ze terugkeert van de hoofdstad zal ze een elegante drijvende herberg hebben!


Het is inmiddels tijd om de reis naar de hoofdstad aan te vatten. Padraig begeeft zich met knallende hoofdpijn, en de hoop dat hij daar eindelijk van de slangenprins in zijn hoofd verlost zal worden, aan boord van zijn schip. De avonturiers schepen zich inmiddels in op de Tao, die Nazhaar onder geen beding wil achterlaten.
In eerste instantie verloopt de reis voorspoedig, maar dan belanden ze in een onnatuurlijke mist. Ternauwernood weten ze een aanvaring te vermijden met het vlammende vlaggenschip van Molatusalem, een van de piraten-zeekoningen. Ze zijn verplicht om het schip van Padraig te evacueren en achter te laten. Nog ernstiger: ook hun watervoorraad is eraan.
Er zit niets anders op dan een tussenstop te maken bij een van de naburige eilanden om water in te slaan. Ze zetten koers naar Sofatonis, een groen eiland dat vrijwel onbewoond zou moeten zijn, op enkele pygmeegnomenstammen na.

Wanneer ze daar aankomen, zien ze dat ze niet de enige zijn met roetsporen: een schip met zwartgeblakerde zeilen ligt al voor anker. Chiara’s scherpe ogen merken iets merkwaardigs op: het grootste deel van de bemanning is hard aan het werk met reparaties, maar er is een opvallende figuur die anders lijkt dan de rest. Wanneer tot haar doordringt wat het is, kan ze haar opwinding nauwelijks onderdrukken: het is een halfelf die daar staat…! Nazhaar heeft geen oren naar deze openbaring en besluit veiligheidshalve wat verderop aan te leggen. 

Terwijl enige matrozen op zoek gaan naar water, wil Chiara met alle geweld naar het kamp van het andere schip. Deze gelegenheid om meer te weten te komen over haar soortgenoten is te mooi! Alítih en Berlinden besluiten haar dan in vredesnaam maar te vergezellen.
Ze zijn amper een uurtje weg, als Varlock en Nazhaar verrast worden door een reusachtige knal aan de hemel. Een bliksemschicht uit de hemel treft de mast van de Tao en vernietigt die finaal. Naast de splinters landt lichtvoetig een halfelf, die zijn golvende haar uit zijn gezicht gooit, en koeltjes informeert naar de roodharige halfelf die hij eerder op het schip zag. Nazhaar wil deze schipvernielende aansteller zo snel mogelijk weg, en vertelt hem dus meteen dat hij beter bij zijn kamp was gebleven, als het Chiara was die hij zocht.
Chiara heeft inmiddels de aandacht van enige ogre-wachters getrokken, maar wordt zwierig gered door de halfelf, die zijn bliksemende entree herhaalt. Hij stelt zich voor als Nadhar en kijkt haar intens aan, voor hij verklaart dat zij gelijken zijn: ook in haar is een kracht ontwaakt, net zoals Beaufort in hem ontwaakt is.
Chiara is compleet overweldigd door deze knappe halfelf, die ook nog eens precies begrijpt hoe het is om je wezen te delen met een drakengeest. Ze drinkt zijn verhalen in over méér halfelfen, die echter niet allemaal, vertelt hij, zo in harmonie zijn met hun krachten als zij twee. Net daarom is het belangrijk dat zij zich bij hem aansluit.
Ze kijkt aarzelend om zich heen. Hij heeft haar naar een open plek geleid, waar gekapte cultisten bezig zijn met het opgraven van een grote sarcofaag. Ze beseft tot haar afgrijzen dat ze in gezelschap is van de Shan Cabal, en confronteert Nadhar hiermee. Hij sust haar, en wijst haar erop dat de Shan Cabal nu eenmaal de kennis heeft om hen te begeleiden, richting te geven, hun gaven te ontwikkelen… het is toch mooi om daar een doel voor te hebben?
De rest van de groep ziet het met lede ogen aan. En wat is dat voor een sarcofaag die daar wordt opgegraven en weggedragen?
Een antwoord daarop krijgen ze niet, want iedereen wordt verrast door een regen van kleine pijltjes uit het struikgewas. Nadhar grijpt naar zijn nek en bezwijmt elegant aan Chiara’s voeten.

Hoofdstuk 43

De zwarte middernachtshemel hangt boven de ‘Jalan Vashir II’. Op het schip heerst een gespannen sfeer.
Nazhaar ijsbeert in zijn hut, en voelt dat de tijd begint te dringen. Als hij nu geen knoop doorhakt, wordt de keuze hem ontnomen. Varlock wordt intussen terzijde genomen door een aantal dwergen die hem nog een ander alternatief laten zien: verborgen in hun gedeelte van het schip prijkt een dreigend uitziende gestalte van metaal. Ze vertellen hem ernstig dat dit bedoeld was als noodplan, mocht er hem iets overkomen, maar als hij dat wil, kunnen ze dit nieuwe lichaam ook aan de kapitein bieden. Alítih en Berlinden overwegen of ze een van de Grauwe Zaden moeten inzetten, mét of zonder Nazhaars medewerking – als ze wachten tot Tao Feng Nazhaar volledig overneemt, is het te laat.
Het is Chiara die de stilte doorbreekt. Haar eigen drakengeleidegeest waarschuwt haar: Tao Feng is zich terug naar de werkelijkheid aan het klauwen, en bevindt zich op dit eigenste moment op hetzelfde bestaansniveau als Omayenko zelf. Ze rept zich naar de hut van Nazhaar, maar wordt daar begroet door een ijzig kalme kapitein, die het levensloze lichaam van zijn broer over zijn schouder draagt. Hij beent naar de boeg en kiepert Nozark overboord. Tot haar verbijstering ziet Chiara dat Nazhaar zijn gekleurde schubben kwijt is. Hij vertelt haar dat Nozark erin heeft toegestemd die over te nemen, maar dat hij dat proces niet heeft overleefd.
Varlock en Berlinden wachten de uitleg niet af – Nazhaar is misschien zijn verstand al kwijt, weggebrand door de ondode geest van Tao Feng – en springen overboord. Ze vinden in het water echter alleen een verterend lichaam, dat nog amper substantie heeft. Berlinden heeft het zaad van Grauwe Oogst nog steeds in zijn hand, en perst het in de mond van het lichaam.
Een ogenblik later zien Chiara en Alítih Tao Feng bovenkomen, maar de draak leeft niet meer werkelijk – reusachtig, verstijfd halverwege een beweging, stort het beest neer, en spietst zichzelf op de boeg vast.


Varlock klimt even later aan boord, en brengt de huls van wat ooit Nozark was mee: lege huid, met vijf gekleurde schubben. Bij dit lugubere aanzicht duurt het even voor tot iedereen doordringt dat van Berlinden geen spoor is… tot ze zijn zwarte mantel op het water ziet drijven, nog even wiegend op het ritme van de golven. Dan stijgt een vlucht raven op, en laat stukjes en beetjes onbezield wrakhout achter.
Tot hun ontsteltenis begrijpt de groep wat er is gebeurd: met het verdwijnen van Tao Feng, de laatste naam die op zijn borst gekerfd stond, is ook Berlinden zelf verdwenen.
De raven zetten koers richting Waterzooi. Het lijkt niet veel goeds te voorspellen, daar moeten ze achteraan! Nazhaar – die geen commentaar meer wil over wat er met zijn broer is gebeurd – organiseert alle manschappen op het schip om het weer vaarklaar te maken. De kop van Tao Feng wordt als nieuw boegbeeld behouden, en de ‘Tao’ koerst naar Waterzooi.


Daar wacht hen een omineus beeld. De schemersmidse, nog steeds het donkere middelpunt van de brug tussen de drie eilanden, wordt bekroond door een duistere figuur. Aan zijn schouders wappert de gevederde mantel die Berlinden droeg… Somber beschouwt hij de groep een poosje, dan daalt hij met een machtige sprong af en landt voor hen. Nazhaar stapt uitdagend naar voren, zijn bijl geheven, maar de rest houdt hem tegen. In het bleke gezicht van deze onbekende menen ze vaag iemand te herkennen: de eerste drager van de ravenmantel.
Kan dit werkelijk Fáelán zijn, de jonge ridder die verdween door de manipulaties van Kara’Vakasta?
Hun vreugde om het weerzien wordt getemperd door enige behoedzaamheid, maar wanneer hij elk van de leden van de groep aanspreekt op hun meest gewaardeerde en slechtste kwaliteiten, beseffen ze al snel dat dit werkelijk Fáelán is… al klinkt zijn stem rauwer, en liggen er nu extra jaren op zijn gezicht.


De daaropvolgende dagen trekken de groepsleden zich op zichzelf terug. De voorbije tijd hebben ze allemaal merkwaardige ervaringen gehad, die een plekje moeten krijgen.
Chiara zoekt naar evenwicht. In eerste instantie zet ze de ontdekking van Omayenko – de drakengeest in haar binnenste – uit haar hoofd, en ze concentreert zich op haar erfenis, de herberg. Daar zijn steeds meer elfen aan de slag. De ranger stelt een paar kritische vragen, maar de Morgenstond blijkt te bloeien als nooit tevoren, dus ze blijft tevredengesteld achter. Tevreden én een tikkeltje onrustig, want het raadsel van haar afkomst, steekt nu weer de kop op. Ze verdiept zich in de logboeken van Erano Stern, en peinst over het tweede schip dat ooit halfelfen wegvoerde: wat is er gebeurd met De Storm?
Nazhaar zwerft rond in de haven. Op het oog lijkt hij niet aangedaan door het verlies van zijn broer, maar in stilte bevestigt hij de vijf schubben, het enige wat er van hem is overgebleven, op de boeg van de Tao. Daarna concentreert hij zich op het ronselen van andere schepen. Hij wil een vloot samenstellen die hem waardig is. Het gaat langzaam, maar de vervaarlijke kapitein heeft in bepaalde kringen al wel respect verworven. Zijn crew brult in de plaatselijke kroegen liederen over Kapitein Bloedvoet en zijn nietsontziende bijl, en heft het glas telkens als ze een van zijn daden ophalen. Een menselijk bootje en een dwergenonderzeeër stemmen toe om vanaf nu onder zijn vlag te varen.
Varlock lanceert inmiddels een oproep voor alle dwergen die naar Irindol zijn gestroomd. Als ze zich bij hem aansluiten, dan wacht hen het eeuwig leven… Hij verdiept zich ook in de warforged die nog steeds immobiel in de smidse wachten. Als hij die eens leven kon inblazen en beheersen, dan zou hij een formidabel leger tot zijn beschikking hebben. Maar welke magie kan daarvoor zorgen? De prins der dwergen gaat een ernstig gesprek voeren met de tovenares die hij inmiddels is gaan vertrouwen.
Hij treft Alítih in de schemersmidse. Ze dwaalt enigszins somber door de vertrekken. Met het verdwijnen van Berlinden heeft haar plan om de wilden te laten herleven, en hen triomfantelijk terug te brengen naar de feywild, een behoorlijke klap gekregen. Zal ze ooit de grootse daad weten te verrichten die haar in staat zal stellen om terug te keren naar huis? Wanneer ze Varlocks ambities aanhoort, kan het haar aanvankelijk weinig boeien. Varlock geeft het echter niet zomaar op, en hoe langer de dwergenprins gloedvol spreekt over het rijk dat hij wil stichten, de grootsheid van de dwergen die hij wil herstellen, hoe meer haar belangstelling wordt geprikkeld. Ligt hier misschien een nieuwe weg voor haar? Ze belooft hem op onderzoek te gaan, en voegt meteen de daad bij het woord. In een van de boeken die in de schemersmidse zijn achtergebleven vindt ze inderdaad een aanwijzing over de besturing van de warforged: er is sprake van vijf kronen, waarvan er één in de smidse zelf zou moeten rusten…
Fáelán probeert inmiddels zijn ziel tot rust te brengen, die door twee godinnen wordt beroerd. Hij trekt zich terug, en probeert, verzonken in meditatie, zowel Melora als de Ravenkoningin te bewegen om hem zinvolle leiding te geven. Zijn leven is hem teruggegeven – maar met welk doel? De wraakzucht die hem ooit voortdreef, lijkt aan kracht te hebben ingeboet. Dit tweede leven dat hem is vergund moet echter toch een betekenis hebben…?

donderdag 10 mei 2018

Hoofdstuk 42


Terwijl de groep een verwoed gevecht levert tegen dragonborn geesten die weigeren om dood te blijven, worstelt Nazhaar met een dilemma. Nu hij de zwarte schub verwijderd heeft, valt zijn kracht terug op het gewone niveau. Op deze manier kan hij Tao Feng toch helemaal niet aan? Hij ramt het ding terug op zijn plek, en onmiddellijk versmelt het zich met zijn huid. Versterkt gooit hij zich weer op de zwarte drakolich.

Tao Feng heeft inmiddels Varlock in zijn macht gekregen. De gehypnotiseerde dwergenprins valt Berlinden aan, maar komt gelukkig snel tot zichzelf. Wanneer Nazhaar bijna levensloos voor zijn voeten wordt gegooid, brengt hij hem fluks weer bij kennis.

Inmiddels zit Tao Feng niet stil. Hij verzamelt een groeiende bol gloeiende energie van giftige magie en stijgt op. De dreiging is duidelijk: als hij die laat vallen, wordt straks de hele kamer weggevaagd.

Nazhaar komt net op tijd bij kennis om zijn band met de zwarte drakolich te gebruiken. Hij slaagt erin om de bol te laten afbuigen, zodat die zonder schade aan te richten in zee terechtkomt. Tao Feng laat zich woedend op Nazhaar vallen, maar die is al druk bezig: hij kopieert het voorbeeld van de drakolich, en creëert een giftige bol energie.

Tao Feng zet nogmaals zijn hypnotische gave in, nu om Nazhaar in zijn macht te krijgen. Nazhaar aarzelt, en begint de controle over zijn bom te verliezen.

Chiara ziet het gevaar, en voelt de vlammende kracht in haar binnenste tot leven schieten bij dit acute gevaar. Ze grijpt als in trance haar boog, en daaruit schieten vlammen tevoorschijn, die transformeren tot een vuurdraak. Het wezen schiet naar voren, boort zich in de muil van Tao Feng, en verbrandt de drakolich in één klap tot as… alleen een zwarte schaduw op de muur resteert nog…

Berlinden voelt de namen op zijn borst weer veranderen… alleen ‘Nazhaar’ staat daar nu nog opgelijst. Hij beschouwt met een gevoel van moedeloosheid de drakenman. Had hij die vervloekte schub niet kunnen weggooien, of liever nog: vernietigen?

De gevangenenopstand is inmiddels zijn hoogtepunt aan het bereiken. Her en der stormen gevangenen richting zee, op zoek naar bootjes waarmee ze kunnen vluchten. En verderop ligt, als een verlokkelijke prooi, de Jalan Vashir… De groep moet het schip snel weer bereiken, om het veilig te stellen. Varlock kan Neptulon echter pas de volgende dag weer oproepen.

Alítih zet haar magie in om het water begaanbaar te maken, en vormt een pad waarover ze snel naar het schip kunnen rennen. Boven hun hoofd passeert een donkere schaduw: een gigantische ijzeren draak, geflankeerd door kleinere figuren, is op weg naar het eiland, dat na het verscheiden van Barazat immers geen draak meer heeft.



Nazhaar voelt zich enerzijds niet al te slecht na zijn belevenissen: zijn vleugels doen het weer. Anderzijds voelt hij een vreemde gewaarwording rondom de zwarte schub. Zijn vlees en huid worden steeds kouder, levenslozer… alsof iets het leven uit hem zuigt.

Wanneer Berlinden zijn zorgen met Alítih deelt, bevestigt de tovenares dat er iets niet goed zit. De schub is verbonden met de levenskracht van Tao Feng. Het kan maximaal een paar dagen duren, voor die Nazhaar helemaal overneemt.

Alítih doorzoekt de boeken die ze uit de schemersmidse heeft meegenomen, maar kan niet veel alternatieven vinden. Ze kunnen besluiten om Nazhaar – en zo misschien in één klap ook Tao Feng – uit te schakelen. Ze kunnen het erop aan laten komen, en hopen dat de kapitein sterk genoeg is om de geest van een draak te weerstaan… Of er is een laatste, grimmige optie: Nazhaar kan zijn eigen geest overhevelen naar een geschikt, ander lichaam – dat van zijn broer Nozark, die ze net hebben gered…

Een raaf krast onheilspellend terwijl Alítih Nazhaar zijn opties voorlegt. De kapitein staart somber over de golven. Het leven van zijn broer stelen? Nee. Maar wat dan…?

Na een blik op Berlinden schotelt Alítih hem een laatste optie voor: als Nazhaar een van de zaden van Grauwe Oogst inneemt, dan overkomt hem wellicht wat ook Fáelán overkomen is: hij zou een wilden worden. Hoeveel er van ‘Nazhaar’ zou overblijven, valt echter niet te zeggen… en al evenmin of het zou werken, met de zwarte schub als deel van de vergelijking.

Nazhaar zucht diep. Het lijkt alsof zijn leven een onafwendbare koers heeft aangenomen toen hij de opstand op zijn schip niet kon beteugelen. En hoe hard hij ook probeert, er lijkt geen manier te zijn om die te wijzigen… Hij strijkt over de zwarte schub, die zich nu diep met hem verbonden heeft. Wat voor keuze moet hij maken…?

Hoofdstuk 41


De Jalan Vashir nadert Io Barazat. Wanneer ze nog een halve dagreis ver zijn, komen ze schedels tegen op het water. Het lijkt Nazhaar niet af te schrikken, integendeel. Hoe dichter ze komen, hoe meer hij doordrenkt raakt met kracht. Een groen licht begint in hem te schijnen, zijn vleugels voelen sterker, en hij heeft het gevoel dat hij tot van alles in staat is. En inderdaad: wanneer hij dat probeert, blijkt hij te kunnen opstijgen.

Alitih ziet het zorgelijk aan: dit kan geen goed nieuws zijn, deze magie proeft niet naar leven, maar naar dood. Nazhaar trekt het zich niet aan, hij zet onmiddellijk zijn nieuwverworven gaven in om een verkenningsronde te gaan maken, samen met Chiara.

Al snel zien ze een grote krater, omringd door groene vlammen. Nazhaar herinnert zich zijn visioen van zijn broer: hier moet Barazat, de ijzeren draak van dit eiland zijn neergestort. Net wanneer hij zich realiseert wat dit betekent, voelt hij een vreemde resonantie in de wolken. Het volgende moment valt Chiara hem vanuit het niets aan – ze is onder invloed van Tao Feng, die hen heeft gelokaliseerd.

Nazhaar beslist al snel dat hij niet opt wee fronten kan vechten. Hij duikt naar beneden, gooit Chiara richting de zee, en stijgt snel weer op.

Chiara landt hard op het zand en neemt Nazhaar deze actie niet bepaald in dank af. Gelukkig wordt de gewonde ranger al snel gevonden door Alítih, Varlock en Berlinden, die het gevecht in de lucht vanuit de verte zagen, en hen met Neptulon achternakwamen.

Tao Feng heeft Nazhaar de krater ingejaagd, hij is nergens meer te bekennen. De groep besluit om voorlopig hun echte doel hier na te streven: Nozark bevrijden. Ze trekken de gevangenis in, en beseffen al snel dat daar een opstand gaande is. Ze proberen door de gevechten heen te laveren, en informeren met wisselend succes naar de verblijfplaats van Nozark.

Intussen vlucht Nazhaar voor zijn leven, achternagezeten door een woedende drakolich, die stukken gebouwen achter hem aanslingert. Nazhaar voelt de verbinding tussen de schub en Tao Feng, en probeert de draak te raken door de schub te beschadigen… helaas doet dat ook hem niet bepaald goed. Hij stelt zijn strategie bij, wanneer hij tijdens zijn vlucht langs het karkas van Barazat komt. Een draak zonder vleugels is niet veel meer waard, redeneert hij. Hij klimt omhoog langs de krater, en doet een uitval naar de vleugels van Tao Feng. Die krijst van woede wanneer Nazhaar een treffer weet te plaatsen, en mept hem weg met zijn staart, alvorens een heel gebouw bovenop hem te laten instorten.

Tao Feng landt op het binnenplaatsje waar de rest van de groep staat, en commandeert meteen alle dragonborngeesten in de buurt om op te staan. De paladijn-geesten blijken hardnekkige tegenstanders: telkens wanneer ze worden neergeslagen, rijzen ze even later weer op. De groep trekt zich terug, en vlucht door een paar martelkamers richting de kapel, waar ze een gnoom aantreffen, die van meer blijkt te weten. Eddie kan hen vertellen waar Nozark is: hij zit verborgen in één van de ijzeren maagden. Via de ondergrondse tunnels brengt hij hen veilig ter plekke, en ze weten inderdaad een zwaar toegetakelde Nozark te vinden.



Nazhaar bevrijdt inmiddels zichzelf en kruipt via het puin de gevangenis binnen. Hij heeft het gevoel dat er maar één ding opzit: hij rukt de zwarte schub met geweld uit zijn borst los. Meteen valt de verbinding met Tao Feng weg… maar ook zijn extra kracht, en zijn vleugels hangen weer slap neer. Goed nieuws: hij ontmoet de rest van de groep op de binnenplaats. Slecht nieuws: Tao Feng komt hen ook vervoegen, en roept meteen weer geesten te hulp…

donderdag 22 maart 2018

Hoofdstuk 40


Festiviteiten barsten los op het eiland. De terugkomst van de groep wordt gevierd, en dan is de ook nog de brug van de dwergen, die bijna afgerond is. Een nieuw tijdperk breekt aan, en die vreemde constructie die daar nu boven de zee hangt… hm, als de helden die hebben meegebracht, dan zal die ook wel voorspoed brengen. Toch?

Prins Varlock geeft de dwarforged de opdracht om de schemersmidse vast te ankeren en straalt met kalme vastberadenheid uit dat er nu niets onverwachts meer mee kan gebeuren.

Berlinden dwaalt door de wouden, en probeert uit te maken wat zijn doel nu is. Hij weet hoe hij de wilden kan laten herleven… maar is hij bereid om de prijs daarvoor te betalen? De Grauwe Zaden kunnen pas groeien door mensenlevens op te offeren. Misschien moet hij zich eerst concentreren op de laatste naam die zwart op zijn ribbenkast staat geschroeid? Tao Feng zwerft nog rond… maar zijn leven is verbonden aan dat van Nazhaar.

Chiara inspecteert haar herberg en ziet dat die in goede handen was in de tijd dat ze in de schemersmidse vertoefde. De voorbije maanden heeft Turnwell zo’n goede zaken gedaan dat hij nieuw personeel in dienst heeft genomen: nog meer elfen. Chiara beziet het even sceptisch, maar klaagt niet, wanneer ze de boekhouding inziet.

Alítih heeft moeite om de vreemde ervaring van Kara’Vakasta’s greep op haar geest te vergeten. Zichzelf een van haar vrienden zien aanvallen, was een akelige weerspiegeling van een van haar diepste angsten. ’s Nachts herbeleeft ze het moment in haar dromen, en hoort de stem van Kara’Vakasta weer in haar gedachten fluisteren. Ze hoopt in de bibliotheek van de schemersmidse meer aan de weet te komen over de vreemde machten die aan het werk waren. Terwijl buiten feestgeluiden klinken, studeert de tovenares vermoeid maar koppig.

Nazhaar inmiddels heeft andere zorgen. Hij heeft nog steeds de brief van zijn broer niet helemaal ontcijferd… en die rafelige vleugels op zijn rug maken zijn humeur er ook niet beter op. Gefrustreerd zwerft hij langs de haven en staart naar de schepen die daar aangemeerd liggen. Een kapitein zonder schip… wat is die nog? Als hij door de fragmenten van de brief bladert, heeft hij het gevoel dat zijn broer zoiets heeft aangevoeld, en hem iets probeert duidelijk te maken.

Hij marcheert naar Alítih en sleurt de tovenares vanachter haar boeken: er zijn prioriteiten in het leven, en zijn schip staat bovenaan de lijst. Hoe de schemersmidse precies werkt, en meer van die details, dat kan wel wachten. Alítih reageert niet bepaald geduldig – het is zijn broer, die kent hij zelf toch zeker het best? – maar stelt dan toch een paar vragen die Nazhaar doen nadenken… het scheepje in de fles… dat moet een naam krijgen. Zou het zo simpel zijn?

Hij loopt met het kleine scheepje naar het water, en laat het voorzichtig op een deinende golf zakken. ‘Ik noem u…’ – het beeld van het schip dat hem onrechtmatig is ontnomen, dringt zich wrokkig op – ‘Jalan Vashir’!

Alítih slaakt een kreet van afgrijzen, maar het is al te laat: een trots galjoen dobbert in de haven, met een zwierig geschilderde naam die zich – zo blijkt – niet zomaar laat verwijderen. Onopvallendheid is alvast uitgesloten.

Nazhaar ziet het hele probleem niet. Hij heeft ZIJN schip terug!



Wanneer de groep prefect Padraig van de gebeurtenissen rondom de schemersmidse op de hoogte gaat stellen, merken ze al snel dat diens toestand er niet op vooruit is gegaan. De Yuan-Ti die zijn hoofd met hem deelt, lijkt steeds meer invloed te krijgen. De prefect is druk bezig met het inzamelen van fondsen om zich te laten behandelen in de hoofdstad. Zorgwekkender: de Yuan-Ti lijkt daar actief aan mee te werken. Wat is de slangenprins van plan? De groep zegt toe om Padraig te begeleiden naar de hoofdstad – ze hebben immers een splinternieuw schip… en iets goed te maken tegenover Padraig. Zij hebben immers de Yuan-Ti naar Waterzooi gebracht.

Maar voor ze daartoe over kunnen gaan, is er een andere kwestie: Nazhaar kan, door de zwarte drakenschub, voelen dat Tao Feng op weg is naar Io Barazat – ongetwijfeld niet om daar veel goeds te gaan aanrichten. In het visioen dat hij van zijn broer had, zat die daar opgesloten. Als hij niet wil dat Nozark door een ondode draak wordt opgevreten voor hij hem heeft kunnen bedanken voor de nieuwe Jalan Vashir, kan hij zich maar beter haasten.

Padraig, bleek van de aanhoudende hoofdpijnen, stemt in om te wachten tot ze terug zijn: hij moet toch nog middelen bij elkaar krijgen. Hij vraagt hen wel om eerst eens poolshoogte te gaan nemen in wat bekend is komen te staan als de ‘Bloedvoetbaai’.



Wanneer Chiara op voorverkenning gaat, treft ze waarschuwingsborden met afgehakte ledematen, hoe dichter ze komt, hoe meer kabaal, en uiteindelijk een zootje ongeregeld dat zich hier heeft verzameld: mensen, tieflings, gnomes, dragonborn, bullywugs… Onder hen ziet ze verschillende figuren die wel enige zeevaarderskennis lijken te hebben, en prompt begint de praktische ranger met het ronselen van matrozen voor het galjoen van Nazhaar.

Nazhaar ziet het een tijdje vanuit de verte aan, maar verliest dan zijn geduld. Hij wil zélf zijn bemanning selecteren! Met forse tred stapt hij naar voren, het gewoel in. Hij wil zich voorstellen, maar dat is niet nodig – ‘Bloedvoet!’ gaat de kreet op. ‘Kapitein Bloedvoet!’ De verhalen over Nazhaars wapenfeiten zijn op de een of andere manier in vruchtbare aarde gevallen. Vrijwilligers verdringen zich om dienst te nemen op zijn schip.

Kapitein Nazhaar lost het simpel op: iedereen die dienst wil nemen, zal zich door de dwarforged een stuk permanent harnas moeten laten aanmeten. De meeste vrijwilligers worden wit rond de neus en nemen de benen. Nazhaar beschouwt tevreden het piepkleine groepje dat is overgebleven: dit zijn de échte mannen, waar hij op kan bouwen. Alítih slaat haar ogen ten hemel, mompelt dat, wat er ook van zij, zíj in elk geval niet gaat roeien, en gaat alvast de grootste hut in beslag nemen voor haar en haar boeken.



Het is de groep ter ore gekomen dat er bij de Serpentheuvel weer enige beroering is. Hadden ze daar nog niet alles opgeruimd dat er op te ruimen viel? Ze treffen er een cultist van Zehir die volle kisten afvoert. Wanneer ze hem even flink onder druk zet, geeft de verschrikte man meteen alles prijs: dit is klei, die in kisten wordt geladen en verkocht! Klei? Chiara gelooft er geen bal van. Jawel, héle goéde klei, houdt de man vol.

Tot haar verbijstering kan ze na enige tijd niets anders concluderen dan dat hij de waarheid spreekt. De klei van Irindol is simpelweg de beste die in de wijde omtrek te vinden is. Het blijkt te gaan om een handeltje van Padraig – of degene in zijn hoofd. Ongetwijfeld om sneller de nodige middelen bijeen te brengen om naar de hoofdstad te kunnen afreizen.



Voor vertrek steekt Nazhaar nog een bezoekje af bij Marzark. Hij is niet bepaald gelukkig met de zwarte drakenschub op zijn borst, en óók niet met die mottige vleugels! Misschien kan Marzark hem er wel vanaf helpen? Waarschuwingen van Varlock en Alítih dat ‘de Kunstzinnige’ hem wel eens als een trofee in haar muur zou kunnen inbedden, slaat de drakenman in de wind. Hij heeft een uitstékende verstandhouding met de rode draak, en heeft daar geen advies bij nodig.

Marzark blijkt niet zo ingenomen met haar kunstwerk in wording: hij stinkt een uur in de wind naar de ondode schub op zijn borst. Ze sommeert hem om als de wiedeweerga met zijn stand uit haar grot te verdwijnen en de volgende keer met een beter geschenk op de proppen te komen. Iets exotisch, bij voorkeur.



Kisten met boeken worden ingeladen, mondvoorraad wordt ingeslagen, wankelende matrozen met metalen platen heisen de zeilen. De Jalan Vashir (2? 1?) kiest het ruime sop. Het begin van de reis verloopt voorspoedig, maar op een avond kijkt de uitkijk verschrikt op: een groene komeet scheert aan de hemel voorbij, en een stem schreeuwt triomfantelijk: ‘Ik mag ze allemaal opeten, allemaal!’

woensdag 14 februari 2018

Hoofdstuk 39


De groep rept zich zo snel ze kunnen naar de Nexus. De kamer heeft een verandering ondergaan: de lijken die er lagen, zijn vergaan.

Met de drie sleutels in handen, en de drie spreuken, weet de groep uit te puzzelen welke sleutel op welk sleutelgat past. Een teleportatiecirkel verschijnt. Alítih weet de werking ervan te doorgronden en wenkt de groep.

Voor ze vertrekken, biedt Vyrellis hen voor de laatste keer haar hulp: ze kan hen helpen om haar zus ongemerkt te besluipen… maar dat zal ook betekenen dat ze elkaar niet zullen kunnen zien. Na een korte aarzeling aanvaardt de groep haar aanbod, en stapt de cirkel in.

En de helden stappen… en vallen… recht in een visioen. De beelden die hen omringen fluisteren van bestemming, van betekenis. Nazhaar reikt naar zijn verloren broer, Chiara bedwingt de vijanden van de halfelfen, Alítih beheerst de destructieve kant van haar magie, Berlinden laat de wilden herleven, en Varlock vindt zijn kracht als heerser.

Dan neemt de schemersmidse de werkelijkheid weer over. Hun groepsgenoten zien ze niet meer, maar elk voor zich, gaan ze op verkenning… en op zoek naar hun bestemming.

Veel later zal Chiara vertellen over het moment dat ze de kamer binnenstapte waarin ze een bloedrood tapijt aantrof. Een tapijt dat ze herkende, uit haar visioen. En hoe ze voelde dat ze maar een ding kon doen: het tapijt opstappen, zich overgeven aan het vuur dat eruit ontsproot, en het proberen te omhelzen.

Nazhaar zal zwijgen over het moment dat hij Chiara zag zitten, verzwolgen door vlammen, en achteruitdeinsde. Over het moment dat hij de schilderijen aan de muren ontdekte, waaruit Kara’Vakasta hem van alle kanten toeglimlachte, en hij die vastberaden een na een van de muren sleurde en aan stukken begon te gooien.

Varlock zal kijken naar zijn nieuwe weerspiegeling en zich het moment herinneren dat hij de pantserhandschoen vond… er onweerstaanbaar toe aangetrokken werd, zijn hand erin schoof en daarna doorboord werd door metaal, dat zich in zijn lijf vertakte en nestelde.

Berlinden zal de drakenschub die hij vindt aan zijn strijdmakker schenken, en weten dat hij de juiste keuze maakte, toen hij Alítih hoorde schreeuwen en haar te hulp snelde.

En Alíth zal nachtmerries hebben over het moment dat ze de magische cirkel uit haar visioen instapte, het podium besteeg, haar armen strekte naar de energie aan weerszijden, en erdoor gegrepen werd als een marionet. Beeltenissen van Kara’Vakasta overal om haar heen, en een in het bijzonder, die haar aanstaarde, wreed glimlachte, en veranderde in haar spiegelbeeld, terwijl de tovenares in haar hoofd kroop en haar wil probeerde te buigen.



Overal duiken kopieën van Kara’Vakasta op uit schilderijen aan de wand, en het lijkt onmogelijk om te bepalen wie de echte is.

Chiara rijst op uit de vlammen als een vurige feniks, een gevlamde boog in haar handen. Ze vuurt pijl na pijl af en velt de ene na de andere kopie. Nazhaar kijkt met genoegen naar de schilderijen die hij heeft weten onschadelijk te maken, maar moet zich al snel weren tegen een overmacht. Varlock zwaait zijn hamer, en voelt meteen dat hij de echte tovenares te pakken heeft, maar Kara’Vakasta verlaat het lichaam meteen en springt naar een andere kopie.

Berlinden probeert zich een weg te banen door de kopieën, maar ziet twee Alítihs, die elkaar aanvallen, van elkaar wegvluchten, het podium weer trachten te bereiken, en gekweld naar hun hoofd grijpen.

‘Ah, Berlinden…’, klinkt uit de kelen van Kara’Vakasta. ‘Je hebt het goed gedaan, hen hier gebracht, voor mij…’

‘Dat was niet voor joú’, protesteert Berlinden, schuldig, onzeker.

Zijn blik wordt getrokken door grote, boomachtige vormen, bedekt met zwarte doeken. Hij heeft het gevoel dat hij hier moet zijn, dat hij hier eindelijk zal weten wat er van de wildens geworden is.

Dan valt Alítih, maar bizar genoeg knielt een kopie van Kara’Vakasta bij haar neer, en lijkt haar weer bij te willen brengen. intussen laat ze een schokgolf van het platform uitgaan, die iedereen in de kamer opzij werpt.

Chiara verschijnt als een vurige wraakengel in de deuropening, en Kara’Vakasta aarzelt geen moment. ‘Daar ben je. Sluit je bij mij aan – samen kunnen we macht in de wereld verwerven!’

De halfelf gooit haar rode haren over een schouder en glimlacht. ‘Misschien… dat voorstel klinkt niet slecht.’  Varlock spurt inmiddels naar het platform en probeert Alítih in veiligheid te brengen.

Alítih komt bij met het vreselijke gevoel dat ze haar eigen ledematen niet meester is – noch haar magie. Wanneer ze het bezorgde gezicht van Varlock ziet, dwingt iets haar om haar magie te activeren. Inwendige jammerend van ellende ziet ze die in zijn gezicht exploderen.

Varlock valt achterover en tast naar zijn gezicht, maar dwergen zijn van stevig materiaal gemaakt. Alleen zijn baard heeft het niet overleefd…

Alítih krabbelt intussen op, weet zichzelf weer in bedwang te krijgen en teleporteert zichzelf de gevarenzone uit.

Intussen houdt Chiara Kara’Vakasta lang genoeg aan de praat opdat de rest een na ene met de kopieën kan afrekenen… Intussen laadt ze haar boog, en wacht, wacht en mikt… tot ze de kwaadaardige tovenares zelf in haar vizier krijgt. ‘Goed’, belooft ze, ‘ik zal met je samenwerken’… en pal daarop jaagt ze een pijl, dwars door haar hart.



Berlinden strompelt uitgeput maar hoopvol naar de bomen. De naam Kara’Vakasta verdwijnt van zijn zwarte ribben, maar hij merkt het amper, wanneer hij ziet wat hem wacht. Rijen en rijen van Grauwe Zaden liggen hier opgestapeld. Hier zijn de wilden, die verdwenen leken: niet vernietigd, maar slapend. Wachtend, op een gastheer, een lichaam… zoals Fáelán ooit voor Berlinden was…

Nazhaar bevestigt inmiddels triomfantelijk de zwarte schub tussen zijn rode en zijn blauwe, maar brult van ontzetting wanneer hij voelt wat het met hem doet. De toegevoegde kracht die hij bij vorige gelegenheden ontving van een schub, is nu wel heel anders… die kronkelt zich een weg door hem heen, en barst dan bij zijn schouders tevoorschijn in de vorm van gerafelde vleugels, waar sappen en vocht vanaf stromen. In zijn geest verschijnt een enorme aanwezigheid: de geest van een dracolich, die boven de drakenzee zweeft en krijst: ‘Ik mag ze opeten… ik mag ze allemaal opeten van de meesteresse!’

Met een ruk draait Berlinden zich naar hem, wanneer hij Nazhaar die woorden hoort mompelen. Tao Feng? Met een schok beseft hij de waarheid: de zwarte schub die hij Nazhaar heeft overhandigd… is het phylacterium dat hij had moeten vernietigen om de laatste naam van zijn ribben te kunnen laten verdwijnen…

Alítih probeert intussen de beklemmende ervaring van zich af te schudden. In een poging om zich weer meester over de situatie te voelen, doorzoekt ze de magische geschriften die vlakbij het heiligdom te vinden zijn. Maar dan voelt ze de verandering door de schemersmidse trekken.

Vyrellis fluistert hen een laatste bedankt toe, en verdwijnt…

En de schemersmidse rijst op, boven de drakenzee. Van overal komen verbijsterde mensen aanrennen. De vermoeide helden horen dat ze maanden zijn weggeweest…