Pruttelend daalt Chiara af naar de hut, maar ze zit alleen maar eindeloos te staren naar de spreuk op de wand. ‘Waar de – vaart zal de hoop herleven.’ Wat moét ze daarmee? Chiara is niet iemand die bij de pakken blijft neerzitten, dus ze gaat eerst Turnwell nog eens op de rooster leggen, en wanneer die geen krimp geeft, sleurt ze Alítih uit de schemersmidse, en sleept de tovenares mee naar de geheime hut.
Alítih kan er al evenmin iets van maken, maar ze krijgt wel het gevoel dat dit raadsel nogal lijkt op hetgeen Nazhaar kreeg voorgelegd. Ze moedigt Chiara aan om nog eens in de logboeken van Erano Stern te duiken, en jawel, daar treft Chiara een soortgelijke zin: ‘Ze moet een naam hebben.’ Zou de spreuk op de wand letterlijk bedoeld zijn? Kan ze van de herberg weer een schip maken, als ze die een nieuwe naam geeft?
En wil ze dat eigenlijk wel?, wil Alítih nog vragen – maar het is al te laat. Chiara denkt met enige weemoed terug aan Sofaya en Radam, de twee halfelfen die ooit met haar naar dit eiland komen, en verklaart plechtig: ‘Ik doop u… de Sofara!’
Magie stroomt wervelend rond in de kamer… blaast door de letters van de spreuk op de wand en herschikt ze: ‘Waar de Sofara vaart, krijgen de halfelfen hoop’.
Buiten de hut klinken verbaasde schreeuwen – alleen Turnwell kijkt kalmpjes toe, en weet zijn evenwicht soepel te bewaren, wanneer de herberg zich krakend omvormt, en zich naar de zee uitstrekt. Niet veel later ligt een snel, slank schip in de haven, zij het dat de uitbouwen van de herberg haar vorm nog enigszins aan het oog onttrekken. Maar dat, oordeelt Turnwell, kan makkelijk verholpen worden.
Chiara is opgetogen, en geeft Turnwell de opdracht om met die werken te beginnen. Tegen de tijd dat ze terugkeert van de hoofdstad zal ze een elegante drijvende herberg hebben!
Het is inmiddels tijd om de reis naar de hoofdstad aan te vatten. Padraig begeeft zich met knallende hoofdpijn, en de hoop dat hij daar eindelijk van de slangenprins in zijn hoofd verlost zal worden, aan boord van zijn schip. De avonturiers schepen zich inmiddels in op de Tao, die Nazhaar onder geen beding wil achterlaten.
In eerste instantie verloopt de reis voorspoedig, maar dan belanden ze in een onnatuurlijke mist. Ternauwernood weten ze een aanvaring te vermijden met het vlammende vlaggenschip van Molatusalem, een van de piraten-zeekoningen. Ze zijn verplicht om het schip van Padraig te evacueren en achter te laten. Nog ernstiger: ook hun watervoorraad is eraan.
Er zit niets anders op dan een tussenstop te maken bij een van de naburige eilanden om water in te slaan. Ze zetten koers naar Sofatonis, een groen eiland dat vrijwel onbewoond zou moeten zijn, op enkele pygmeegnomenstammen na.
Wanneer ze daar aankomen, zien ze dat ze niet de enige zijn met roetsporen: een schip met zwartgeblakerde zeilen ligt al voor anker. Chiara’s scherpe ogen merken iets merkwaardigs op: het grootste deel van de bemanning is hard aan het werk met reparaties, maar er is een opvallende figuur die anders lijkt dan de rest. Wanneer tot haar doordringt wat het is, kan ze haar opwinding nauwelijks onderdrukken: het is een halfelf die daar staat…! Nazhaar heeft geen oren naar deze openbaring en besluit veiligheidshalve wat verderop aan te leggen.
Ze zijn amper een uurtje weg, als Varlock en Nazhaar verrast worden door een reusachtige knal aan de hemel. Een bliksemschicht uit de hemel treft de mast van de Tao en vernietigt die finaal. Naast de splinters landt lichtvoetig een halfelf, die zijn golvende haar uit zijn gezicht gooit, en koeltjes informeert naar de roodharige halfelf die hij eerder op het schip zag. Nazhaar wil deze schipvernielende aansteller zo snel mogelijk weg, en vertelt hem dus meteen dat hij beter bij zijn kamp was gebleven, als het Chiara was die hij zocht.
Chiara heeft inmiddels de aandacht van enige ogre-wachters getrokken, maar wordt zwierig gered door de halfelf, die zijn bliksemende entree herhaalt. Hij stelt zich voor als Nadhar en kijkt haar intens aan, voor hij verklaart dat zij gelijken zijn: ook in haar is een kracht ontwaakt, net zoals Beaufort in hem ontwaakt is.
Chiara is compleet overweldigd door deze knappe halfelf, die ook nog eens precies begrijpt hoe het is om je wezen te delen met een drakengeest. Ze drinkt zijn verhalen in over méér halfelfen, die echter niet allemaal, vertelt hij, zo in harmonie zijn met hun krachten als zij twee. Net daarom is het belangrijk dat zij zich bij hem aansluit.
Ze kijkt aarzelend om zich heen. Hij heeft haar naar een open plek geleid, waar gekapte cultisten bezig zijn met het opgraven van een grote sarcofaag. Ze beseft tot haar afgrijzen dat ze in gezelschap is van de Shan Cabal, en confronteert Nadhar hiermee. Hij sust haar, en wijst haar erop dat de Shan Cabal nu eenmaal de kennis heeft om hen te begeleiden, richting te geven, hun gaven te ontwikkelen… het is toch mooi om daar een doel voor te hebben?
De rest van de groep ziet het met lede ogen aan. En wat is dat voor een sarcofaag die daar wordt opgegraven en weggedragen?
Een antwoord daarop krijgen ze niet, want iedereen wordt verrast door een regen van kleine pijltjes uit het struikgewas. Nadhar grijpt naar zijn nek en bezwijmt elegant aan Chiara’s voeten.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten