De zwarte middernachtshemel hangt boven de ‘Jalan Vashir II’. Op het schip heerst een gespannen sfeer.
Nazhaar ijsbeert in zijn hut, en voelt dat de tijd begint te dringen. Als hij nu geen knoop doorhakt, wordt de keuze hem ontnomen. Varlock wordt intussen terzijde genomen door een aantal dwergen die hem nog een ander alternatief laten zien: verborgen in hun gedeelte van het schip prijkt een dreigend uitziende gestalte van metaal. Ze vertellen hem ernstig dat dit bedoeld was als noodplan, mocht er hem iets overkomen, maar als hij dat wil, kunnen ze dit nieuwe lichaam ook aan de kapitein bieden. Alítih en Berlinden overwegen of ze een van de Grauwe Zaden moeten inzetten, mét of zonder Nazhaars medewerking – als ze wachten tot Tao Feng Nazhaar volledig overneemt, is het te laat.
Het is Chiara die de stilte doorbreekt. Haar eigen drakengeleidegeest waarschuwt haar: Tao Feng is zich terug naar de werkelijkheid aan het klauwen, en bevindt zich op dit eigenste moment op hetzelfde bestaansniveau als Omayenko zelf. Ze rept zich naar de hut van Nazhaar, maar wordt daar begroet door een ijzig kalme kapitein, die het levensloze lichaam van zijn broer over zijn schouder draagt. Hij beent naar de boeg en kiepert Nozark overboord. Tot haar verbijstering ziet Chiara dat Nazhaar zijn gekleurde schubben kwijt is. Hij vertelt haar dat Nozark erin heeft toegestemd die over te nemen, maar dat hij dat proces niet heeft overleefd.
Varlock en Berlinden wachten de uitleg niet af – Nazhaar is misschien zijn verstand al kwijt, weggebrand door de ondode geest van Tao Feng – en springen overboord. Ze vinden in het water echter alleen een verterend lichaam, dat nog amper substantie heeft. Berlinden heeft het zaad van Grauwe Oogst nog steeds in zijn hand, en perst het in de mond van het lichaam.
Een ogenblik later zien Chiara en Alítih Tao Feng bovenkomen, maar de draak leeft niet meer werkelijk – reusachtig, verstijfd halverwege een beweging, stort het beest neer, en spietst zichzelf op de boeg vast.
Varlock klimt even later aan boord, en brengt de huls van wat ooit Nozark was mee: lege huid, met vijf gekleurde schubben. Bij dit lugubere aanzicht duurt het even voor tot iedereen doordringt dat van Berlinden geen spoor is… tot ze zijn zwarte mantel op het water ziet drijven, nog even wiegend op het ritme van de golven. Dan stijgt een vlucht raven op, en laat stukjes en beetjes onbezield wrakhout achter.
Tot hun ontsteltenis begrijpt de groep wat er is gebeurd: met het verdwijnen van Tao Feng, de laatste naam die op zijn borst gekerfd stond, is ook Berlinden zelf verdwenen.
De raven zetten koers richting Waterzooi. Het lijkt niet veel goeds te voorspellen, daar moeten ze achteraan! Nazhaar – die geen commentaar meer wil over wat er met zijn broer is gebeurd – organiseert alle manschappen op het schip om het weer vaarklaar te maken. De kop van Tao Feng wordt als nieuw boegbeeld behouden, en de ‘Tao’ koerst naar Waterzooi.
Daar wacht hen een omineus beeld. De schemersmidse, nog steeds het donkere middelpunt van de brug tussen de drie eilanden, wordt bekroond door een duistere figuur. Aan zijn schouders wappert de gevederde mantel die Berlinden droeg… Somber beschouwt hij de groep een poosje, dan daalt hij met een machtige sprong af en landt voor hen. Nazhaar stapt uitdagend naar voren, zijn bijl geheven, maar de rest houdt hem tegen. In het bleke gezicht van deze onbekende menen ze vaag iemand te herkennen: de eerste drager van de ravenmantel.
Kan dit werkelijk Fáelán zijn, de jonge ridder die verdween door de manipulaties van Kara’Vakasta?
Hun vreugde om het weerzien wordt getemperd door enige behoedzaamheid, maar wanneer hij elk van de leden van de groep aanspreekt op hun meest gewaardeerde en slechtste kwaliteiten, beseffen ze al snel dat dit werkelijk Fáelán is… al klinkt zijn stem rauwer, en liggen er nu extra jaren op zijn gezicht.
De daaropvolgende dagen trekken de groepsleden zich op zichzelf terug. De voorbije tijd hebben ze allemaal merkwaardige ervaringen gehad, die een plekje moeten krijgen.
Chiara zoekt naar evenwicht. In eerste instantie zet ze de ontdekking van Omayenko – de drakengeest in haar binnenste – uit haar hoofd, en ze concentreert zich op haar erfenis, de herberg. Daar zijn steeds meer elfen aan de slag. De ranger stelt een paar kritische vragen, maar de Morgenstond blijkt te bloeien als nooit tevoren, dus ze blijft tevredengesteld achter. Tevreden én een tikkeltje onrustig, want het raadsel van haar afkomst, steekt nu weer de kop op. Ze verdiept zich in de logboeken van Erano Stern, en peinst over het tweede schip dat ooit halfelfen wegvoerde: wat is er gebeurd met De Storm?
Nazhaar zwerft rond in de haven. Op het oog lijkt hij niet aangedaan door het verlies van zijn broer, maar in stilte bevestigt hij de vijf schubben, het enige wat er van hem is overgebleven, op de boeg van de Tao. Daarna concentreert hij zich op het ronselen van andere schepen. Hij wil een vloot samenstellen die hem waardig is. Het gaat langzaam, maar de vervaarlijke kapitein heeft in bepaalde kringen al wel respect verworven. Zijn crew brult in de plaatselijke kroegen liederen over Kapitein Bloedvoet en zijn nietsontziende bijl, en heft het glas telkens als ze een van zijn daden ophalen. Een menselijk bootje en een dwergenonderzeeër stemmen toe om vanaf nu onder zijn vlag te varen.
Varlock lanceert inmiddels een oproep voor alle dwergen die naar Irindol zijn gestroomd. Als ze zich bij hem aansluiten, dan wacht hen het eeuwig leven… Hij verdiept zich ook in de warforged die nog steeds immobiel in de smidse wachten. Als hij die eens leven kon inblazen en beheersen, dan zou hij een formidabel leger tot zijn beschikking hebben. Maar welke magie kan daarvoor zorgen? De prins der dwergen gaat een ernstig gesprek voeren met de tovenares die hij inmiddels is gaan vertrouwen.
Hij treft Alítih in de schemersmidse. Ze dwaalt enigszins somber door de vertrekken. Met het verdwijnen van Berlinden heeft haar plan om de wilden te laten herleven, en hen triomfantelijk terug te brengen naar de feywild, een behoorlijke klap gekregen. Zal ze ooit de grootse daad weten te verrichten die haar in staat zal stellen om terug te keren naar huis? Wanneer ze Varlocks ambities aanhoort, kan het haar aanvankelijk weinig boeien. Varlock geeft het echter niet zomaar op, en hoe langer de dwergenprins gloedvol spreekt over het rijk dat hij wil stichten, de grootsheid van de dwergen die hij wil herstellen, hoe meer haar belangstelling wordt geprikkeld. Ligt hier misschien een nieuwe weg voor haar? Ze belooft hem op onderzoek te gaan, en voegt meteen de daad bij het woord. In een van de boeken die in de schemersmidse zijn achtergebleven vindt ze inderdaad een aanwijzing over de besturing van de warforged: er is sprake van vijf kronen, waarvan er één in de smidse zelf zou moeten rusten…
Fáelán probeert inmiddels zijn ziel tot rust te brengen, die door twee godinnen wordt beroerd. Hij trekt zich terug, en probeert, verzonken in meditatie, zowel Melora als de Ravenkoningin te bewegen om hem zinvolle leiding te geven. Zijn leven is hem teruggegeven – maar met welk doel? De wraakzucht die hem ooit voortdreef, lijkt aan kracht te hebben ingeboet. Dit tweede leven dat hem is vergund moet echter toch een betekenis hebben…?
Geen opmerkingen:
Een reactie posten