Festiviteiten barsten los op het eiland. De terugkomst
van de groep wordt gevierd, en dan is de ook nog de brug van de dwergen, die
bijna afgerond is. Een nieuw tijdperk breekt aan, en die vreemde constructie
die daar nu boven de zee hangt… hm, als de helden die hebben meegebracht, dan
zal die ook wel voorspoed brengen. Toch?
Prins Varlock geeft de dwarforged de opdracht om de
schemersmidse vast te ankeren en straalt met kalme vastberadenheid uit dat er
nu niets onverwachts meer mee kan gebeuren.
Berlinden dwaalt door de wouden, en probeert uit te maken
wat zijn doel nu is. Hij weet hoe hij de wilden kan laten herleven… maar is hij
bereid om de prijs daarvoor te betalen? De Grauwe Zaden kunnen pas groeien door
mensenlevens op te offeren. Misschien moet hij zich eerst concentreren op de
laatste naam die zwart op zijn ribbenkast staat geschroeid? Tao Feng zwerft nog
rond… maar zijn leven is verbonden aan dat van Nazhaar.
Chiara inspecteert haar herberg en ziet dat die in goede
handen was in de tijd dat ze in de schemersmidse vertoefde. De voorbije maanden
heeft Turnwell zo’n goede zaken gedaan dat hij nieuw personeel in dienst heeft
genomen: nog meer elfen. Chiara beziet het even sceptisch, maar klaagt niet,
wanneer ze de boekhouding inziet.
Alítih heeft moeite om de vreemde ervaring van
Kara’Vakasta’s greep op haar geest te vergeten. Zichzelf een van haar vrienden
zien aanvallen, was een akelige weerspiegeling van een van haar diepste angsten.
’s Nachts herbeleeft ze het moment in haar dromen, en hoort de stem van Kara’Vakasta
weer in haar gedachten fluisteren. Ze hoopt in de bibliotheek van de
schemersmidse meer aan de weet te komen over de vreemde machten die aan het
werk waren. Terwijl buiten feestgeluiden klinken, studeert de tovenares
vermoeid maar koppig.
Nazhaar inmiddels heeft andere zorgen. Hij heeft nog
steeds de brief van zijn broer niet helemaal ontcijferd… en die rafelige
vleugels op zijn rug maken zijn humeur er ook niet beter op. Gefrustreerd
zwerft hij langs de haven en staart naar de schepen die daar aangemeerd liggen.
Een kapitein zonder schip… wat is die nog? Als hij door de fragmenten van de
brief bladert, heeft hij het gevoel dat zijn broer zoiets heeft aangevoeld, en
hem iets probeert duidelijk te maken.
Hij marcheert naar Alítih en sleurt de tovenares
vanachter haar boeken: er zijn prioriteiten in het leven, en zijn schip staat
bovenaan de lijst. Hoe de schemersmidse precies werkt, en meer van die details,
dat kan wel wachten. Alítih reageert niet bepaald geduldig – het is zijn broer,
die kent hij zelf toch zeker het best? – maar stelt dan toch een paar vragen
die Nazhaar doen nadenken… het scheepje in de fles… dat moet een naam krijgen. Zou
het zo simpel zijn?
Hij loopt met het kleine scheepje naar het water, en laat
het voorzichtig op een deinende golf zakken. ‘Ik noem u…’ – het beeld van het
schip dat hem onrechtmatig is ontnomen, dringt zich wrokkig op – ‘Jalan Vashir’!
Alítih slaakt een kreet van afgrijzen, maar het is al te
laat: een trots galjoen dobbert in de haven, met een zwierig geschilderde naam
die zich – zo blijkt – niet zomaar laat verwijderen. Onopvallendheid is alvast
uitgesloten.
Nazhaar ziet het hele probleem niet. Hij heeft ZIJN schip
terug!
Wanneer de groep prefect Padraig van de gebeurtenissen
rondom de schemersmidse op de hoogte gaat stellen, merken ze al snel dat diens
toestand er niet op vooruit is gegaan. De Yuan-Ti die zijn hoofd met hem deelt,
lijkt steeds meer invloed te krijgen. De prefect is druk bezig met het
inzamelen van fondsen om zich te laten behandelen in de hoofdstad.
Zorgwekkender: de Yuan-Ti lijkt daar actief aan mee te werken. Wat is de
slangenprins van plan? De groep zegt toe om Padraig te begeleiden naar de hoofdstad
– ze hebben immers een splinternieuw schip… en iets goed te maken tegenover Padraig.
Zij hebben immers de Yuan-Ti naar Waterzooi gebracht.
Maar voor ze daartoe over kunnen gaan, is er een andere
kwestie: Nazhaar kan, door de zwarte drakenschub, voelen dat Tao Feng op weg is
naar Io Barazat – ongetwijfeld niet om daar veel goeds te gaan aanrichten. In
het visioen dat hij van zijn broer had, zat die daar opgesloten. Als hij niet
wil dat Nozark door een ondode draak wordt opgevreten voor hij hem heeft kunnen
bedanken voor de nieuwe Jalan Vashir, kan hij zich maar beter haasten.
Padraig, bleek van de aanhoudende hoofdpijnen, stemt in
om te wachten tot ze terug zijn: hij moet toch nog middelen bij elkaar krijgen.
Hij vraagt hen wel om eerst eens poolshoogte te gaan nemen in wat bekend is
komen te staan als de ‘Bloedvoetbaai’.
Wanneer Chiara op voorverkenning gaat, treft ze
waarschuwingsborden met afgehakte ledematen, hoe dichter ze komt, hoe meer
kabaal, en uiteindelijk een zootje ongeregeld dat zich hier heeft verzameld:
mensen, tieflings, gnomes, dragonborn, bullywugs… Onder hen ziet ze
verschillende figuren die wel enige zeevaarderskennis lijken te hebben, en
prompt begint de praktische ranger met het ronselen van matrozen voor het
galjoen van Nazhaar.
Nazhaar ziet het een tijdje vanuit de verte aan, maar
verliest dan zijn geduld. Hij wil zélf zijn bemanning selecteren! Met forse
tred stapt hij naar voren, het gewoel in. Hij wil zich voorstellen, maar dat is
niet nodig – ‘Bloedvoet!’ gaat de kreet op. ‘Kapitein Bloedvoet!’ De verhalen
over Nazhaars wapenfeiten zijn op de een of andere manier in vruchtbare aarde
gevallen. Vrijwilligers verdringen zich om dienst te nemen op zijn schip.
Kapitein Nazhaar lost het simpel op: iedereen die dienst
wil nemen, zal zich door de dwarforged een stuk permanent harnas moeten laten
aanmeten. De meeste vrijwilligers worden wit rond de neus en nemen de benen. Nazhaar
beschouwt tevreden het piepkleine groepje dat is overgebleven: dit zijn de
échte mannen, waar hij op kan bouwen. Alítih slaat haar ogen ten hemel, mompelt
dat, wat er ook van zij, zíj in elk geval niet gaat roeien, en gaat alvast de
grootste hut in beslag nemen voor haar en haar boeken.
Het is de groep ter ore gekomen dat er bij de
Serpentheuvel weer enige beroering is. Hadden ze daar nog niet alles opgeruimd
dat er op te ruimen viel? Ze treffen er een cultist van Zehir die volle kisten
afvoert. Wanneer ze hem even flink onder druk zet, geeft de verschrikte man
meteen alles prijs: dit is klei, die in kisten wordt geladen en verkocht! Klei?
Chiara gelooft er geen bal van. Jawel, héle goéde klei, houdt de man vol.
Tot haar verbijstering kan ze na enige tijd niets anders
concluderen dan dat hij de waarheid spreekt. De klei van Irindol is simpelweg
de beste die in de wijde omtrek te vinden is. Het blijkt te gaan om een
handeltje van Padraig – of degene in zijn hoofd. Ongetwijfeld om sneller de
nodige middelen bijeen te brengen om naar de hoofdstad te kunnen afreizen.
Voor vertrek steekt Nazhaar nog een bezoekje af bij
Marzark. Hij is niet bepaald gelukkig met de zwarte drakenschub op zijn borst,
en óók niet met die mottige vleugels! Misschien kan Marzark hem er wel vanaf
helpen? Waarschuwingen van Varlock en Alítih dat ‘de Kunstzinnige’ hem wel eens
als een trofee in haar muur zou kunnen inbedden, slaat de drakenman in de wind.
Hij heeft een uitstékende verstandhouding met de rode draak, en heeft daar geen
advies bij nodig.
Marzark blijkt niet zo ingenomen met haar kunstwerk in
wording: hij stinkt een uur in de wind naar de ondode schub op zijn borst. Ze sommeert
hem om als de wiedeweerga met zijn stand uit haar grot te verdwijnen en de
volgende keer met een beter geschenk op de proppen te komen. Iets exotisch, bij
voorkeur.
Kisten met boeken worden ingeladen, mondvoorraad wordt
ingeslagen, wankelende matrozen met metalen platen heisen de zeilen. De Jalan
Vashir (2? 1?) kiest het ruime sop. Het begin van de reis verloopt voorspoedig,
maar op een avond kijkt de uitkijk verschrikt op: een groene komeet scheert aan
de hemel voorbij, en een stem schreeuwt triomfantelijk: ‘Ik mag ze allemaal
opeten, allemaal!’
Geen opmerkingen:
Een reactie posten