donderdag 22 maart 2018

Hoofdstuk 40


Festiviteiten barsten los op het eiland. De terugkomst van de groep wordt gevierd, en dan is de ook nog de brug van de dwergen, die bijna afgerond is. Een nieuw tijdperk breekt aan, en die vreemde constructie die daar nu boven de zee hangt… hm, als de helden die hebben meegebracht, dan zal die ook wel voorspoed brengen. Toch?

Prins Varlock geeft de dwarforged de opdracht om de schemersmidse vast te ankeren en straalt met kalme vastberadenheid uit dat er nu niets onverwachts meer mee kan gebeuren.

Berlinden dwaalt door de wouden, en probeert uit te maken wat zijn doel nu is. Hij weet hoe hij de wilden kan laten herleven… maar is hij bereid om de prijs daarvoor te betalen? De Grauwe Zaden kunnen pas groeien door mensenlevens op te offeren. Misschien moet hij zich eerst concentreren op de laatste naam die zwart op zijn ribbenkast staat geschroeid? Tao Feng zwerft nog rond… maar zijn leven is verbonden aan dat van Nazhaar.

Chiara inspecteert haar herberg en ziet dat die in goede handen was in de tijd dat ze in de schemersmidse vertoefde. De voorbije maanden heeft Turnwell zo’n goede zaken gedaan dat hij nieuw personeel in dienst heeft genomen: nog meer elfen. Chiara beziet het even sceptisch, maar klaagt niet, wanneer ze de boekhouding inziet.

Alítih heeft moeite om de vreemde ervaring van Kara’Vakasta’s greep op haar geest te vergeten. Zichzelf een van haar vrienden zien aanvallen, was een akelige weerspiegeling van een van haar diepste angsten. ’s Nachts herbeleeft ze het moment in haar dromen, en hoort de stem van Kara’Vakasta weer in haar gedachten fluisteren. Ze hoopt in de bibliotheek van de schemersmidse meer aan de weet te komen over de vreemde machten die aan het werk waren. Terwijl buiten feestgeluiden klinken, studeert de tovenares vermoeid maar koppig.

Nazhaar inmiddels heeft andere zorgen. Hij heeft nog steeds de brief van zijn broer niet helemaal ontcijferd… en die rafelige vleugels op zijn rug maken zijn humeur er ook niet beter op. Gefrustreerd zwerft hij langs de haven en staart naar de schepen die daar aangemeerd liggen. Een kapitein zonder schip… wat is die nog? Als hij door de fragmenten van de brief bladert, heeft hij het gevoel dat zijn broer zoiets heeft aangevoeld, en hem iets probeert duidelijk te maken.

Hij marcheert naar Alítih en sleurt de tovenares vanachter haar boeken: er zijn prioriteiten in het leven, en zijn schip staat bovenaan de lijst. Hoe de schemersmidse precies werkt, en meer van die details, dat kan wel wachten. Alítih reageert niet bepaald geduldig – het is zijn broer, die kent hij zelf toch zeker het best? – maar stelt dan toch een paar vragen die Nazhaar doen nadenken… het scheepje in de fles… dat moet een naam krijgen. Zou het zo simpel zijn?

Hij loopt met het kleine scheepje naar het water, en laat het voorzichtig op een deinende golf zakken. ‘Ik noem u…’ – het beeld van het schip dat hem onrechtmatig is ontnomen, dringt zich wrokkig op – ‘Jalan Vashir’!

Alítih slaakt een kreet van afgrijzen, maar het is al te laat: een trots galjoen dobbert in de haven, met een zwierig geschilderde naam die zich – zo blijkt – niet zomaar laat verwijderen. Onopvallendheid is alvast uitgesloten.

Nazhaar ziet het hele probleem niet. Hij heeft ZIJN schip terug!



Wanneer de groep prefect Padraig van de gebeurtenissen rondom de schemersmidse op de hoogte gaat stellen, merken ze al snel dat diens toestand er niet op vooruit is gegaan. De Yuan-Ti die zijn hoofd met hem deelt, lijkt steeds meer invloed te krijgen. De prefect is druk bezig met het inzamelen van fondsen om zich te laten behandelen in de hoofdstad. Zorgwekkender: de Yuan-Ti lijkt daar actief aan mee te werken. Wat is de slangenprins van plan? De groep zegt toe om Padraig te begeleiden naar de hoofdstad – ze hebben immers een splinternieuw schip… en iets goed te maken tegenover Padraig. Zij hebben immers de Yuan-Ti naar Waterzooi gebracht.

Maar voor ze daartoe over kunnen gaan, is er een andere kwestie: Nazhaar kan, door de zwarte drakenschub, voelen dat Tao Feng op weg is naar Io Barazat – ongetwijfeld niet om daar veel goeds te gaan aanrichten. In het visioen dat hij van zijn broer had, zat die daar opgesloten. Als hij niet wil dat Nozark door een ondode draak wordt opgevreten voor hij hem heeft kunnen bedanken voor de nieuwe Jalan Vashir, kan hij zich maar beter haasten.

Padraig, bleek van de aanhoudende hoofdpijnen, stemt in om te wachten tot ze terug zijn: hij moet toch nog middelen bij elkaar krijgen. Hij vraagt hen wel om eerst eens poolshoogte te gaan nemen in wat bekend is komen te staan als de ‘Bloedvoetbaai’.



Wanneer Chiara op voorverkenning gaat, treft ze waarschuwingsborden met afgehakte ledematen, hoe dichter ze komt, hoe meer kabaal, en uiteindelijk een zootje ongeregeld dat zich hier heeft verzameld: mensen, tieflings, gnomes, dragonborn, bullywugs… Onder hen ziet ze verschillende figuren die wel enige zeevaarderskennis lijken te hebben, en prompt begint de praktische ranger met het ronselen van matrozen voor het galjoen van Nazhaar.

Nazhaar ziet het een tijdje vanuit de verte aan, maar verliest dan zijn geduld. Hij wil zélf zijn bemanning selecteren! Met forse tred stapt hij naar voren, het gewoel in. Hij wil zich voorstellen, maar dat is niet nodig – ‘Bloedvoet!’ gaat de kreet op. ‘Kapitein Bloedvoet!’ De verhalen over Nazhaars wapenfeiten zijn op de een of andere manier in vruchtbare aarde gevallen. Vrijwilligers verdringen zich om dienst te nemen op zijn schip.

Kapitein Nazhaar lost het simpel op: iedereen die dienst wil nemen, zal zich door de dwarforged een stuk permanent harnas moeten laten aanmeten. De meeste vrijwilligers worden wit rond de neus en nemen de benen. Nazhaar beschouwt tevreden het piepkleine groepje dat is overgebleven: dit zijn de échte mannen, waar hij op kan bouwen. Alítih slaat haar ogen ten hemel, mompelt dat, wat er ook van zij, zíj in elk geval niet gaat roeien, en gaat alvast de grootste hut in beslag nemen voor haar en haar boeken.



Het is de groep ter ore gekomen dat er bij de Serpentheuvel weer enige beroering is. Hadden ze daar nog niet alles opgeruimd dat er op te ruimen viel? Ze treffen er een cultist van Zehir die volle kisten afvoert. Wanneer ze hem even flink onder druk zet, geeft de verschrikte man meteen alles prijs: dit is klei, die in kisten wordt geladen en verkocht! Klei? Chiara gelooft er geen bal van. Jawel, héle goéde klei, houdt de man vol.

Tot haar verbijstering kan ze na enige tijd niets anders concluderen dan dat hij de waarheid spreekt. De klei van Irindol is simpelweg de beste die in de wijde omtrek te vinden is. Het blijkt te gaan om een handeltje van Padraig – of degene in zijn hoofd. Ongetwijfeld om sneller de nodige middelen bijeen te brengen om naar de hoofdstad te kunnen afreizen.



Voor vertrek steekt Nazhaar nog een bezoekje af bij Marzark. Hij is niet bepaald gelukkig met de zwarte drakenschub op zijn borst, en óók niet met die mottige vleugels! Misschien kan Marzark hem er wel vanaf helpen? Waarschuwingen van Varlock en Alítih dat ‘de Kunstzinnige’ hem wel eens als een trofee in haar muur zou kunnen inbedden, slaat de drakenman in de wind. Hij heeft een uitstékende verstandhouding met de rode draak, en heeft daar geen advies bij nodig.

Marzark blijkt niet zo ingenomen met haar kunstwerk in wording: hij stinkt een uur in de wind naar de ondode schub op zijn borst. Ze sommeert hem om als de wiedeweerga met zijn stand uit haar grot te verdwijnen en de volgende keer met een beter geschenk op de proppen te komen. Iets exotisch, bij voorkeur.



Kisten met boeken worden ingeladen, mondvoorraad wordt ingeslagen, wankelende matrozen met metalen platen heisen de zeilen. De Jalan Vashir (2? 1?) kiest het ruime sop. Het begin van de reis verloopt voorspoedig, maar op een avond kijkt de uitkijk verschrikt op: een groene komeet scheert aan de hemel voorbij, en een stem schreeuwt triomfantelijk: ‘Ik mag ze allemaal opeten, allemaal!’

Geen opmerkingen:

Een reactie posten