woensdag 14 februari 2018

Hoofdstuk 39


De groep rept zich zo snel ze kunnen naar de Nexus. De kamer heeft een verandering ondergaan: de lijken die er lagen, zijn vergaan.

Met de drie sleutels in handen, en de drie spreuken, weet de groep uit te puzzelen welke sleutel op welk sleutelgat past. Een teleportatiecirkel verschijnt. Alítih weet de werking ervan te doorgronden en wenkt de groep.

Voor ze vertrekken, biedt Vyrellis hen voor de laatste keer haar hulp: ze kan hen helpen om haar zus ongemerkt te besluipen… maar dat zal ook betekenen dat ze elkaar niet zullen kunnen zien. Na een korte aarzeling aanvaardt de groep haar aanbod, en stapt de cirkel in.

En de helden stappen… en vallen… recht in een visioen. De beelden die hen omringen fluisteren van bestemming, van betekenis. Nazhaar reikt naar zijn verloren broer, Chiara bedwingt de vijanden van de halfelfen, Alítih beheerst de destructieve kant van haar magie, Berlinden laat de wilden herleven, en Varlock vindt zijn kracht als heerser.

Dan neemt de schemersmidse de werkelijkheid weer over. Hun groepsgenoten zien ze niet meer, maar elk voor zich, gaan ze op verkenning… en op zoek naar hun bestemming.

Veel later zal Chiara vertellen over het moment dat ze de kamer binnenstapte waarin ze een bloedrood tapijt aantrof. Een tapijt dat ze herkende, uit haar visioen. En hoe ze voelde dat ze maar een ding kon doen: het tapijt opstappen, zich overgeven aan het vuur dat eruit ontsproot, en het proberen te omhelzen.

Nazhaar zal zwijgen over het moment dat hij Chiara zag zitten, verzwolgen door vlammen, en achteruitdeinsde. Over het moment dat hij de schilderijen aan de muren ontdekte, waaruit Kara’Vakasta hem van alle kanten toeglimlachte, en hij die vastberaden een na een van de muren sleurde en aan stukken begon te gooien.

Varlock zal kijken naar zijn nieuwe weerspiegeling en zich het moment herinneren dat hij de pantserhandschoen vond… er onweerstaanbaar toe aangetrokken werd, zijn hand erin schoof en daarna doorboord werd door metaal, dat zich in zijn lijf vertakte en nestelde.

Berlinden zal de drakenschub die hij vindt aan zijn strijdmakker schenken, en weten dat hij de juiste keuze maakte, toen hij Alítih hoorde schreeuwen en haar te hulp snelde.

En Alíth zal nachtmerries hebben over het moment dat ze de magische cirkel uit haar visioen instapte, het podium besteeg, haar armen strekte naar de energie aan weerszijden, en erdoor gegrepen werd als een marionet. Beeltenissen van Kara’Vakasta overal om haar heen, en een in het bijzonder, die haar aanstaarde, wreed glimlachte, en veranderde in haar spiegelbeeld, terwijl de tovenares in haar hoofd kroop en haar wil probeerde te buigen.



Overal duiken kopieën van Kara’Vakasta op uit schilderijen aan de wand, en het lijkt onmogelijk om te bepalen wie de echte is.

Chiara rijst op uit de vlammen als een vurige feniks, een gevlamde boog in haar handen. Ze vuurt pijl na pijl af en velt de ene na de andere kopie. Nazhaar kijkt met genoegen naar de schilderijen die hij heeft weten onschadelijk te maken, maar moet zich al snel weren tegen een overmacht. Varlock zwaait zijn hamer, en voelt meteen dat hij de echte tovenares te pakken heeft, maar Kara’Vakasta verlaat het lichaam meteen en springt naar een andere kopie.

Berlinden probeert zich een weg te banen door de kopieën, maar ziet twee Alítihs, die elkaar aanvallen, van elkaar wegvluchten, het podium weer trachten te bereiken, en gekweld naar hun hoofd grijpen.

‘Ah, Berlinden…’, klinkt uit de kelen van Kara’Vakasta. ‘Je hebt het goed gedaan, hen hier gebracht, voor mij…’

‘Dat was niet voor joú’, protesteert Berlinden, schuldig, onzeker.

Zijn blik wordt getrokken door grote, boomachtige vormen, bedekt met zwarte doeken. Hij heeft het gevoel dat hij hier moet zijn, dat hij hier eindelijk zal weten wat er van de wildens geworden is.

Dan valt Alítih, maar bizar genoeg knielt een kopie van Kara’Vakasta bij haar neer, en lijkt haar weer bij te willen brengen. intussen laat ze een schokgolf van het platform uitgaan, die iedereen in de kamer opzij werpt.

Chiara verschijnt als een vurige wraakengel in de deuropening, en Kara’Vakasta aarzelt geen moment. ‘Daar ben je. Sluit je bij mij aan – samen kunnen we macht in de wereld verwerven!’

De halfelf gooit haar rode haren over een schouder en glimlacht. ‘Misschien… dat voorstel klinkt niet slecht.’  Varlock spurt inmiddels naar het platform en probeert Alítih in veiligheid te brengen.

Alítih komt bij met het vreselijke gevoel dat ze haar eigen ledematen niet meester is – noch haar magie. Wanneer ze het bezorgde gezicht van Varlock ziet, dwingt iets haar om haar magie te activeren. Inwendige jammerend van ellende ziet ze die in zijn gezicht exploderen.

Varlock valt achterover en tast naar zijn gezicht, maar dwergen zijn van stevig materiaal gemaakt. Alleen zijn baard heeft het niet overleefd…

Alítih krabbelt intussen op, weet zichzelf weer in bedwang te krijgen en teleporteert zichzelf de gevarenzone uit.

Intussen houdt Chiara Kara’Vakasta lang genoeg aan de praat opdat de rest een na ene met de kopieën kan afrekenen… Intussen laadt ze haar boog, en wacht, wacht en mikt… tot ze de kwaadaardige tovenares zelf in haar vizier krijgt. ‘Goed’, belooft ze, ‘ik zal met je samenwerken’… en pal daarop jaagt ze een pijl, dwars door haar hart.



Berlinden strompelt uitgeput maar hoopvol naar de bomen. De naam Kara’Vakasta verdwijnt van zijn zwarte ribben, maar hij merkt het amper, wanneer hij ziet wat hem wacht. Rijen en rijen van Grauwe Zaden liggen hier opgestapeld. Hier zijn de wilden, die verdwenen leken: niet vernietigd, maar slapend. Wachtend, op een gastheer, een lichaam… zoals Fáelán ooit voor Berlinden was…

Nazhaar bevestigt inmiddels triomfantelijk de zwarte schub tussen zijn rode en zijn blauwe, maar brult van ontzetting wanneer hij voelt wat het met hem doet. De toegevoegde kracht die hij bij vorige gelegenheden ontving van een schub, is nu wel heel anders… die kronkelt zich een weg door hem heen, en barst dan bij zijn schouders tevoorschijn in de vorm van gerafelde vleugels, waar sappen en vocht vanaf stromen. In zijn geest verschijnt een enorme aanwezigheid: de geest van een dracolich, die boven de drakenzee zweeft en krijst: ‘Ik mag ze opeten… ik mag ze allemaal opeten van de meesteresse!’

Met een ruk draait Berlinden zich naar hem, wanneer hij Nazhaar die woorden hoort mompelen. Tao Feng? Met een schok beseft hij de waarheid: de zwarte schub die hij Nazhaar heeft overhandigd… is het phylacterium dat hij had moeten vernietigen om de laatste naam van zijn ribben te kunnen laten verdwijnen…

Alítih probeert intussen de beklemmende ervaring van zich af te schudden. In een poging om zich weer meester over de situatie te voelen, doorzoekt ze de magische geschriften die vlakbij het heiligdom te vinden zijn. Maar dan voelt ze de verandering door de schemersmidse trekken.

Vyrellis fluistert hen een laatste bedankt toe, en verdwijnt…

En de schemersmidse rijst op, boven de drakenzee. Van overal komen verbijsterde mensen aanrennen. De vermoeide helden horen dat ze maanden zijn weggeweest…

Geen opmerkingen:

Een reactie posten