In tegenstelling tot Chiara voelt Nazhaar zich niet geneigd
om zijn droom met alleman te delen. Maar hij zit er wel mee in zijn maag…
~ De droom van Nazhaar
~
Het is een
regenachtige nacht op het gevangeniseiland Io Barazat. Zich niet bewust van het
feit dat buiten handlangers van de Ridders van Ardeyn rondsluipen, doen de
paladijnen van Bahamut en Tiamat hun ronde.
Een nieuwe gevangene
is net binnengebracht: Nozark, een van de Ridders van Ardeyn zelf. Spoedig
zullen ze de Vost Miraj op de hoogte moeten brengen van hun vangst. Maar
misschien kunnen ze eerst zelf nog iets uit hem krijgen.
Net wanneer ze hem
willen opsluiten, slaagt een gevangen gnoom erin om keet te schoppen. Hij
stookt de andere gevangenen op, en in de chaos wordt Nozark in een andere cel
gestopt dan bedoeld. Althans, door de plichtsbewuste paladijn van Bahamut die
hem wil ondervragen… de wachter die hem snel bij de gnoom naar binnen schuift
is een undercover spion, die feilloos zijn kans heeft benut.
De gnoom en Nozark
beginnen plannen te smeden. Als ze samenwerken, zouden ze hier dan niet kunnen
wegkomen? Ze worden onderbroken door een bewaker die Nozark komt ondervragen,
maar ook dat duurt niet al te lang…
Een aardbeving doet
het hele eiland op zijn grondvesten daveren. Een reusachtige ijzeren draak is
als een aangeschoten vogel uit de lucht getuimeld. Een gloeiende vorm boven hem
krijst triomfantelijk, zijn drakenskelet in leven gehouden door onnatuurlijke
energie: ‘Mijn naam is Tao Feng… en van de meesteresse mag ik jullie állemaal
opeten!’
Nazhaar heeft het sterke gevoel dat wat hij in zijn droom
heeft gezien… nog niet is voorgevallen. Maar hij weet ook niet wat hij eraan
kan veranderen. Zolang hij hier in de schemersmidse vastzit in elk geval niets.
Er is maar een antwoord: zo snel mogelijk de volgende sleutel vinden. Dan heeft
hij misschien een kans om zijn broer te helpen – of op zijn minst uit te vinden
bij wat voor duistere zaakjes hij betrokken is!
Aangespoord door Nazhaar gaat de groep onontdekte hoekjes
verder uitkammen. Nazhaars ondernemingslust wordt versterkt, wanneer hij ineens
oog in oog komt te staan met een troep van zijn ex-matrozen – de verraders, die
Taazhon zijn gevolgd!
In eerste instantie maken ze korte metten met de matrozen
die zich, gewapend met hellebaarden, achter een hoop rommel hebben verschanst.
Chiara vuurt haar pijlen af, Nazhaar en Varlock werken zich over de barricade
heen.
‘Ga Taazhon halen!’ klinkt al snel de kreet, en een van de
matrozen verdwijnt in de richting van een gang.
Varlock zet de achtervolging in, maar wordt plotsklaps uit
de gang weggeteleporteerd. Hij kijkt verbijsterd om zich heen, maar schreeuwt
het meteen daarna uit wanneer vlammen uit alle muren tevoorschijn schieten.
De rest van de groep hoort zijn gepijnigde kreten vanachter
een deur in hun vertrek komen. Alítih vliegt ernaartoe, maar rammelt tevergeefs
aan de zware deur. Nazhaar komt haar te hulp, maar krijgt er ook geen beweging
in. Uiteindelijk is het een brullende, half verschroeide dwerg zonder
wenkbrauwen die zelf de deur openschopt.
Nazhaar is niet van plan om deze kans te laten liggen. Ze
moeten de achtervolging inzetten, als ze Tazhon te pakken willen krijgen!
Varlock houdt hen echter tegen als ze de gang in willen stormen. Zo is hij in
de kamer met het vuur terechtgekomen…
Ze proberen het systeem te misleiden door er een dode
matroos op te gooien, maar er gebeurt niks. Berlinden krijgt in de gaten
dat iemand verderop het systeem aan het bedienen is, het geen eenvoudige
drukplaat is. Hij offert zichzelf op en laat zich wegteleporteren, zodat de
rest van de groep veilig voorbij de gang kan.
In de kamer aan het eind van de gang treft Alítih de
gevluchte boogschutter, die inderdaad bij een resem hendels staat. Hij slaagt
er nog net in om Berlinden een keer te roosteren voor haar magische
projectielen hem treffen. Varlock voert een verpletterende charge op hem uit,
en ze weten Berlinden vrij onbeschadigd te bevrijden.
Ze komen door een kamer waarvan een muur bedekt is met een
muurschildering. Het tafereel stelt de veroordeling van Kara’Vakasta voor, die
geflankeerd wordt door een necrosmidse. Het verdict wordt uitgesproken door de
eerste keizer: Azunkan I. Peinzend staart Nazhaar enige tijd naar de vijf
gekleurde schubben op de borst van de keizer.
Chiara’s gevoelige oren vangen echter iets op. Ze hoort
ritueel gezang vanachter gesloten deuren komen. De stem van een jongen vrouw
blijft maar om bevrijding smeken.
Voorzichtig glipt Chiara naar binnen. Twee dragonborn-geesten
verschijnen, en instinctief valt ze hen meteen aan. De rest van de groep hoort
haar kreten en schiet haar te hulp. Al snel begrijpen ze dat ze in een
hermetische gevangenis zijn terechtgekomen: zodra iemand de deur aanraakt, of
zich naar het altaar vooraan begeeft, verschijnen er meer geesten.
Vooraan bij het altaar zit een jonge vrouw vertwijfeld te
trillen. Vyrellis fluistert Alítih in dat dit geen echte splinter is van haar
zus, maar toch wel een deel van haar, een kleinere afspiegeling. Ze is hier
opgesloten, als straf voor haar daden… terwijl dit deel de verloren onschuld
van Kara’Vakasta is. Ze wil niets liever dan bevrijd worden uit haar eeuwige
gevangenis.
Ondanks Varlocks argwaan besluit de groep om haar te helpen.
Met vereende krachten weten ze de magische afgrenzing in de kamer beetje bij
beetje af te breken. Alítih doet een beroep op de koude magie die Vyrellis met
zich meedraagt, en Varlock en Berlinden storten zich op de deur, waar de
sterkste bezweringen zijn geconcentreerd.
Uiteindelijk begeeft de bezwering het, en de gestalte van
het onschuldige meisje dat Kara’Vakasta eens was, bedankt hen uit de grond van
haar hart, voor ze verdwijnt.
woensdag 22 november 2017
Hoofdstuk 35
Chiara en Nazhaar komen eindelijk weer tevoorschijn uit hun
kamers. Ze zeggen de hele tijd geslapen te hebben, maar het lijkt alsof er meer
gebeurd is. Nazhaar ziet er geschrokken uit. Chiara is subtiel maar ingrijpend
veranderd: haar rossige lokken zijn een vurig rood geworden, en telkens wanneer
ze haar hoofd beweegt, creëert ze kleine vonkjes.
Wanneer de rest van de groep vraagt wat er is gebeurd, doet
Nazhaar er aanvankelijk het zwijgen toe. Zo niet Chiara. Wat ze in haar droom
heeft gezien, heeft slapende herinneringen gewekt, en ze stijgen haar naar de
lippen.
De droom van Chiara ~
Vijf jonge halfelf-kinderen bevinden zich in de donkere krochten van een Shan Cabal-bolwerk. Onder hen een rossig meisje: Chiara. Links van haar weet ze Radam, en Sofaya. Rechts zijn Wiwikè en Baroma vastgeketend. Ze hangen boven grote urnen, die de as van grote drakenmagiërs van weleer bevatten en jammeren zachtjes.
De droom van Chiara ~
Vijf jonge halfelf-kinderen bevinden zich in de donkere krochten van een Shan Cabal-bolwerk. Onder hen een rossig meisje: Chiara. Links van haar weet ze Radam, en Sofaya. Rechts zijn Wiwikè en Baroma vastgeketend. Ze hangen boven grote urnen, die de as van grote drakenmagiërs van weleer bevatten en jammeren zachtjes.
Een wetenschapper
bekijkt hen kil. Dat halfelf-uitschot blijkt dan toch helemáál nergens goed
voor, of zo lijkt het. Het vorige experiment is volledig mislukt. Misschien
iets met de afstelling van zijn komforen… Hij verandert en verschuift dingen,
en zet het experiment dan in werking.
Een aswolk verspreidt zich door de hele kamer. Alweer mislukt! Of niet? Bij die kleine rosse lijkt er iéts te zijn gebeurd…
Zijn gedachten worden doorbroken wanneer een kleine, maar goedbewapende groep het laboratorium binnenvalt. Ridders van Ardeyn, onder leiding van Erano Stern, vallen de kamer binnen. In het tumult en de verwarring die ontstaan, slagen ze erin om drie kinderen los te maken.
De Shan Cabal-bewakers stormen echter toe en verhinderen hen om ook de rest te bevrijden. De kleine halfelf bij wie het experiment iets teweeg heeft gebracht, is te kostbaar om op het spel te zetten. Terwijl een deel van de Ridders de aftocht dekt, grijpen Erano en een van zijn mannen de kinderen, en trachten met hen te ontkomen.
De gangen zijn echter een warboel. Hun achtervolgers halen hen in. Alleen Chiara ziet op een gegeven moment licht in het duister – letterlijk. Een klein vlammetje wenkt haar. Ze weet haar redders ervan te overtuigen dat zij de weg naar buiten kent, en ze geven gehoor aan haar kreten.
Een woeste achtervolging eindigt bij gesloten deuren. De Ridders draaien zich om voor een laatste stellingname, in de hoop dat iemand de deuren tijdig openkrijgt. Chiara, die haar kwelgeesten ziet komen, voelt in haar binnenste een razend vuur opborrelen. Een steekvlam schiet uit haar tevoorschijn en verpulvert de toesnellende bewakers, samen met een Ridder die haar verdedigde.
Chiara ziet het niet eens. Ze luistert naar de vriendelijke stem van een vlam die de vorm van een omaatje heeft aangenomen. ‘Ik heb veel van je zielenvuur gebruikt, kind, maar ik blijf bij je. Geef mij vorm als je weer ontwaakt.’
De groep kijkt gefascineerd toe wanneer Chiara demonstreert wat al die jaren in haar lag te wachten, op het moment dat ze de herinnering zou hervinden, op het moment dat haar zielenvuur weer zou ontwaken. Ze roept een vlammetje tevoorschijn, dat naar haar wil de vorm van een draakje, of van een vriendelijk vrouwtje aanneemt.
Varlock besluit dat hij óók een huisdier wil, en doet een nieuwe poging om de beer, Murtabi, te bewegen om zijn vriendschap te aanvaarden. Hij komt echter van een kale reis thuis: beren temmen is geen sinecure. Toch is de kroonprins der dwergen vastbesloten het niet zo makkelijk op te geven.
Daarna vindt Alítih het welletjes geweest met zijpaden: naar de bibliotheek. Nu! De groep stemt in en al gauw staan ze voor de deur van ‘Ariana Karavakos – meesteresse van Kennis en Magie’. De groep doorzoekt de bibliotheek, maar komt tot een ontnuchterende vaststelling: een groot deel van de boeken is leeg. De kennisvretende wezens zijn hier duidelijk aan het werk geweest.
Berlinden en Varlock gooien de deuren open die leiden naar de vertrekken van Ariana Karavakos. Heeft zij er soms iets mee te maken?
De werkelijkheid blijkt verrassend anders. De groep komt door een kamer die bekroond wordt door een koepel waarin een sterrenhemel is geschilderd. ‘Een ring van sterren markeert de sleutel van kennis’ is als een spreuk daaronder aangebracht. Wanneer ze een volgende kamer instappen, treffen ze daar een verwarde oudere dame, die duidelijk in de greep van een kennisvreter verkeert, die luguber vriendelijk haar schouders masseert.
Nazhaar valt de kennisvreter aan, de rest van de groep probeert deze splinter van Kara’Vakasta uit te schakelen voor ze weer tot zichzelf is gekomen. Maar verzwakt of niet, Ariana Karavakos heeft nog steeds haar magie om haar te verdedigen.
Abrupt bevindt de groep zich weer in de bibliotheek. Tot hun verbijstering zien ze tegenover zich een identieke versie van zichzelf, een spiegelbeeld dat alles exact herhaalt. Varlock ondervindt meteen dat een aanval alleen maar tot gevolg heeft dat hij zelf ook schade oploopt, en bovendien ook weer aangevallen wordt. Chiara klimt op een kast en tracht zichzelf onbereikbaar te maken, maar wordt door haar spiegelbeeld achternagezeten. Nazhaar wil een spiegelbeeld van iemand anders aanvallen, maar weet ineens niet meer zeker wie echt is en wie niet.
Alítih probeert koortsachtig de magie van de spreuk te doorgronden. Ze ziet de rest van de groep diverse tactieken uitproberen en krijgt het vermoeden dat alleen Varlock intuïtief de juiste weg heeft gevonden – hij heeft zonet zichzelf een klap met zijn schild verkocht. De rest van de groep heeft het zwaar te verduren, en ze krijgt het sterke vermoeden dat deze magie een offer eist. Ze denkt er niet te lang over na, en richt haar destructieve magie op zichzelf.
De groep kijkt verrast op wanneer hun spiegelbeelden in rook opgaan. Alítih ligt schijnbaar levenloos op de grond. Terwijl Berlinden en Nazahaar hun uiterste best doen om haar van de rand van de dood terug te halen, komt Ariana naar buiten. Ze neemt de situatie in ogenschouw en slaakt een diepe, vermoeide zucht. Haar leven hier is een last geworden. Vrijwillig geeft ze de sleutel af, en verdwijnt.
Het scheelt niet veel of Alítih gaat haar achterna, maar tenslotte dringen de magisch gesterkte woorden van Nazhaar tot haar door. Ze slaat haar ogen op en ziet de tweede sleutel op de handpalm van Chiara liggen. Hun queeste begint vrucht af te werpen.
Een aswolk verspreidt zich door de hele kamer. Alweer mislukt! Of niet? Bij die kleine rosse lijkt er iéts te zijn gebeurd…
Zijn gedachten worden doorbroken wanneer een kleine, maar goedbewapende groep het laboratorium binnenvalt. Ridders van Ardeyn, onder leiding van Erano Stern, vallen de kamer binnen. In het tumult en de verwarring die ontstaan, slagen ze erin om drie kinderen los te maken.
De Shan Cabal-bewakers stormen echter toe en verhinderen hen om ook de rest te bevrijden. De kleine halfelf bij wie het experiment iets teweeg heeft gebracht, is te kostbaar om op het spel te zetten. Terwijl een deel van de Ridders de aftocht dekt, grijpen Erano en een van zijn mannen de kinderen, en trachten met hen te ontkomen.
De gangen zijn echter een warboel. Hun achtervolgers halen hen in. Alleen Chiara ziet op een gegeven moment licht in het duister – letterlijk. Een klein vlammetje wenkt haar. Ze weet haar redders ervan te overtuigen dat zij de weg naar buiten kent, en ze geven gehoor aan haar kreten.
Een woeste achtervolging eindigt bij gesloten deuren. De Ridders draaien zich om voor een laatste stellingname, in de hoop dat iemand de deuren tijdig openkrijgt. Chiara, die haar kwelgeesten ziet komen, voelt in haar binnenste een razend vuur opborrelen. Een steekvlam schiet uit haar tevoorschijn en verpulvert de toesnellende bewakers, samen met een Ridder die haar verdedigde.
Chiara ziet het niet eens. Ze luistert naar de vriendelijke stem van een vlam die de vorm van een omaatje heeft aangenomen. ‘Ik heb veel van je zielenvuur gebruikt, kind, maar ik blijf bij je. Geef mij vorm als je weer ontwaakt.’
De groep kijkt gefascineerd toe wanneer Chiara demonstreert wat al die jaren in haar lag te wachten, op het moment dat ze de herinnering zou hervinden, op het moment dat haar zielenvuur weer zou ontwaken. Ze roept een vlammetje tevoorschijn, dat naar haar wil de vorm van een draakje, of van een vriendelijk vrouwtje aanneemt.
Varlock besluit dat hij óók een huisdier wil, en doet een nieuwe poging om de beer, Murtabi, te bewegen om zijn vriendschap te aanvaarden. Hij komt echter van een kale reis thuis: beren temmen is geen sinecure. Toch is de kroonprins der dwergen vastbesloten het niet zo makkelijk op te geven.
Daarna vindt Alítih het welletjes geweest met zijpaden: naar de bibliotheek. Nu! De groep stemt in en al gauw staan ze voor de deur van ‘Ariana Karavakos – meesteresse van Kennis en Magie’. De groep doorzoekt de bibliotheek, maar komt tot een ontnuchterende vaststelling: een groot deel van de boeken is leeg. De kennisvretende wezens zijn hier duidelijk aan het werk geweest.
Berlinden en Varlock gooien de deuren open die leiden naar de vertrekken van Ariana Karavakos. Heeft zij er soms iets mee te maken?
De werkelijkheid blijkt verrassend anders. De groep komt door een kamer die bekroond wordt door een koepel waarin een sterrenhemel is geschilderd. ‘Een ring van sterren markeert de sleutel van kennis’ is als een spreuk daaronder aangebracht. Wanneer ze een volgende kamer instappen, treffen ze daar een verwarde oudere dame, die duidelijk in de greep van een kennisvreter verkeert, die luguber vriendelijk haar schouders masseert.
Nazhaar valt de kennisvreter aan, de rest van de groep probeert deze splinter van Kara’Vakasta uit te schakelen voor ze weer tot zichzelf is gekomen. Maar verzwakt of niet, Ariana Karavakos heeft nog steeds haar magie om haar te verdedigen.
Abrupt bevindt de groep zich weer in de bibliotheek. Tot hun verbijstering zien ze tegenover zich een identieke versie van zichzelf, een spiegelbeeld dat alles exact herhaalt. Varlock ondervindt meteen dat een aanval alleen maar tot gevolg heeft dat hij zelf ook schade oploopt, en bovendien ook weer aangevallen wordt. Chiara klimt op een kast en tracht zichzelf onbereikbaar te maken, maar wordt door haar spiegelbeeld achternagezeten. Nazhaar wil een spiegelbeeld van iemand anders aanvallen, maar weet ineens niet meer zeker wie echt is en wie niet.
Alítih probeert koortsachtig de magie van de spreuk te doorgronden. Ze ziet de rest van de groep diverse tactieken uitproberen en krijgt het vermoeden dat alleen Varlock intuïtief de juiste weg heeft gevonden – hij heeft zonet zichzelf een klap met zijn schild verkocht. De rest van de groep heeft het zwaar te verduren, en ze krijgt het sterke vermoeden dat deze magie een offer eist. Ze denkt er niet te lang over na, en richt haar destructieve magie op zichzelf.
De groep kijkt verrast op wanneer hun spiegelbeelden in rook opgaan. Alítih ligt schijnbaar levenloos op de grond. Terwijl Berlinden en Nazahaar hun uiterste best doen om haar van de rand van de dood terug te halen, komt Ariana naar buiten. Ze neemt de situatie in ogenschouw en slaakt een diepe, vermoeide zucht. Haar leven hier is een last geworden. Vrijwillig geeft ze de sleutel af, en verdwijnt.
Het scheelt niet veel of Alítih gaat haar achterna, maar tenslotte dringen de magisch gesterkte woorden van Nazhaar tot haar door. Ze slaat haar ogen op en ziet de tweede sleutel op de handpalm van Chiara liggen. Hun queeste begint vrucht af te werpen.
zondag 22 oktober 2017
Hoofdstuk 34
Alítih deinst achteruit wanneer de enorme beer zich op
haar wil werpen. Varlock springt meteen voor haar en dwingt de beer met zijn
schild achteruit. De prins der dwergen aarzelt echter even, wanneer hij zijn bijl
zwaait. Het beest heeft iets eerlijks en eenvoudigs. Kan hij het wel zomaar
afslachten? Het gedraagt zich simpelweg zoals een goed huisdier zou doen…
Terwijl Varlock daarover nadenkt, veilig achter zijn schild, terwijl de beer naar hem klauwt, neemt Alítih de gelegenheid te baat om weg te teleporteren en haar macht bij die van Berlinden te voegen. De wilden is in een verwoed gevecht verwikkeld met het plantwezen, dat enorm veerkrachtig blijkt, en keer op keer weer overeind komt.
Camnor bespeurt dat Berlinden ongewenste hulp krijgt en vuurt een nieuw salvo giftige sporen op Alítih af. Meteen daarna roept hij twee gloeiende manden achter zich aan, die Alítih tot haar schrik herkent als Ketels van Grauwe Oogst! De tovenares schreeuwt een waarschuwing, en wankelt wanneer het gif haar bloed bereikt. Berlinden ziet het gevaar, maar wordt door het plantwezen op afstand gehouden. Varlock heeft zijn handen vol aan de beer.
Met een grote grijns stapt Camnor, zijn zeis geheven, vanachter zijn altaar, en belooft snoevend dat hij vandaag de laatste der wilden naar zijn broeders zal sturen.
Er breekt iets in Berlinden. De wilden schreeuwt het uit, zijn eenzaamheid en verdriet lijken een stem en tastbaarheid te krijgen. Zijn lichaam gloeit van magie en wilskracht, van gerechtvaardigde wraak en vastberadenheid. ‘Voel de woede van de wilden!’ brult hij naar Camnor, de hemel, de hele schemersmidse.
De tempel beeft wanneer Berlinden een beroep doet op de magie van zijn voorouders, alle kracht van de wilden die er ooit waren, in zich verzamelt. De energie van de Ketels achter Camnor dooft op slag. Alle bomen veranderen, als met een vermoeide, opgeluchte zucht, in vredige, groene wilgen. Ook op de plaats van Camnor zelf is een boom verschenen, een grote wilg, waarin nog vaag de trekken van het gezicht van de arboreaan te herkennen zijn, tot zwijgen gebracht, terug deel van de natuur. Bij zijn wortels ligt alleen nog de zeis. Peinzend raapt Berlinden hem op: dit wapen lijkt het symbool van het einde dat hij hier vandaag heeft gebracht.
Terwijl Varlock daarover nadenkt, veilig achter zijn schild, terwijl de beer naar hem klauwt, neemt Alítih de gelegenheid te baat om weg te teleporteren en haar macht bij die van Berlinden te voegen. De wilden is in een verwoed gevecht verwikkeld met het plantwezen, dat enorm veerkrachtig blijkt, en keer op keer weer overeind komt.
Camnor bespeurt dat Berlinden ongewenste hulp krijgt en vuurt een nieuw salvo giftige sporen op Alítih af. Meteen daarna roept hij twee gloeiende manden achter zich aan, die Alítih tot haar schrik herkent als Ketels van Grauwe Oogst! De tovenares schreeuwt een waarschuwing, en wankelt wanneer het gif haar bloed bereikt. Berlinden ziet het gevaar, maar wordt door het plantwezen op afstand gehouden. Varlock heeft zijn handen vol aan de beer.
Met een grote grijns stapt Camnor, zijn zeis geheven, vanachter zijn altaar, en belooft snoevend dat hij vandaag de laatste der wilden naar zijn broeders zal sturen.
Er breekt iets in Berlinden. De wilden schreeuwt het uit, zijn eenzaamheid en verdriet lijken een stem en tastbaarheid te krijgen. Zijn lichaam gloeit van magie en wilskracht, van gerechtvaardigde wraak en vastberadenheid. ‘Voel de woede van de wilden!’ brult hij naar Camnor, de hemel, de hele schemersmidse.
De tempel beeft wanneer Berlinden een beroep doet op de magie van zijn voorouders, alle kracht van de wilden die er ooit waren, in zich verzamelt. De energie van de Ketels achter Camnor dooft op slag. Alle bomen veranderen, als met een vermoeide, opgeluchte zucht, in vredige, groene wilgen. Ook op de plaats van Camnor zelf is een boom verschenen, een grote wilg, waarin nog vaag de trekken van het gezicht van de arboreaan te herkennen zijn, tot zwijgen gebracht, terug deel van de natuur. Bij zijn wortels ligt alleen nog de zeis. Peinzend raapt Berlinden hem op: dit wapen lijkt het symbool van het einde dat hij hier vandaag heeft gebracht.
Heel de tempel lijkt tot rust gekomen, in een stilte die
weldadig is. Berlinden loopt voorbij het altaar, naar het stille water
erachter, en knielt neer, om dit moment van vrede voor zichzelf te bewaren. Hij
merkt amper dat de naam van Camnor van zijn ribbenkast is verdwenen, en dat
zijn houtachtige linkerarm plaatsmaakt voor de illusie van een mensenarm in
harnas.
Varlock inmiddels heeft de beduusde beer stevig
vastgebonden. Wanneer Alíth hem fronsend vraagt wat hij in vredesnaam van plan
is met dat beest, vertelt de dwerg vastberaden dat hij van plan is om het te
temmen. Hij heeft het gevoel dat het een trouwe metgezel zou kunnen worden. Ze
geeft er niet al te veel commentaar op, en gaat verder op verkenning. Behalve
een voorraadkamer met vaten bloed, stille bewijzen van de cultus van de
arboreanen, blijkt de tempel echter werkelijk volledig gezuiverd. De beer wordt
voorlopig in de voorraadkamer opgesloten, zodat ze de rest van dit gebied
kunnen verkennen.
Wanneer ze de junglekamer opnieuw betreden, treffen ze
daar vijf arboreanen, die echter in de greep van bomen verstrikt zitten.
Angstig staren ze naar Berlinden die, zijn zeis in de hand, grimmig op hen
afkomt. ‘De oogster, de oogster!’ kunnen ze alleen nog angstig kreunen, voor
Berlinden, die stilletjes bij elke houw de naam van een gevallen broeder
prevelt, een eind aan hun bestaan maakt.
Wanneer ze door een volgend portaal stappen, komen ze
terecht in een ruimte die Vyrellis meteen thuisbrengt als de Grote Bibliotheek.
Een groot standbeeld van haar staat in het midden van de ruimte, waar Alítih
met verwondering en verlangen in rondkijkt: torenhoge kasten met boeken zijn
rondom en dwars door de ruimte opgesteld.
Al snel beseft ze echter dat er iets niet pluis is: de
boeken fluisteren angstig, en lijken in paniek. Heeft ze dit gevoel niet eerder
gehad? Twee wezens, die ze herkent van in de bibliotheek van vrouwe Padraig,
komen aangesneld, een van hen van tussen boekenkasten, een van hen op de
galerij boven de kasten. ‘Indringers!’ sissen ze woedend, ‘de kennis is van
ons!’
Varlock slingert meteen zijn bijl naar de voorste,
terwijl Alítih haar magisch vuur erop loslaat, en daarna snel naar de galerij
aan de overkant teleporteert. Berlinden is intussen omhooggeklommen, om de
tweede aanvaller met zijn zeis van de kast te hakken.
Op de begane grond heeft Varlock het niet makkelijk: van
tussen de kasten komen nog meer wezens aangestormd, en met hun hongerige magie
rukken ze aan zijn geest. Langzaam maar zeker raakt hij ingesloten en begint
zijn kracht het te begeven. Voor zijn ogen schemert een visioen…
Berlinden en Alítih schieten echter net op tijd te hulp
en weten de leider van de wezens op de vlucht te jagen. Hij rent naar een deur
waarachter hij duidelijk veilig hoopt te zijn, maar wordt neergehaald door een
woeste charge van Varlock. De dwerg struikelt echter pardoes de deur binnen,
waarboven een bordje met ‘Ariane Karavakos – meesteresse der kennis’ is
opgehangen.
Dat kan geen goed nieuws zijn.
‘Wie is daar?!’ klinkt een stem.
Even houdt iedereen zijn adem in. Ze zijn vermoeid van de
geleverde gevechten, en missen twee strijdmakkers. Een confrontatie met een
nieuw fragment van Kara’Vakasta kunnen ze nu echt niet aan. Wanneer twee
voidblades tevoorschijn komen, aarzelt de groep niet. Berlinden en Alítih
sleuren Varlock overeind en ze kiezen wijselijk het hazenpad. In de vlucht
grissen ze echter twee documenten uit de bibliotheek mee – alles wat hen kan
helpen om deze plek beter te begrijpen is welkom!
Na een wilde ren door portalen belandden ze opgelucht
terug in de grote hal. Hun kamers blijken een lichte verandering te hebben
ondergaan. Varlock treft in zijn vertrekken een hoopgevende toevoeging: een
ruimte waarin hij prima een groot en harig huisdier zou kunnen onderbrengen.
Berlinden loopt met een vleugje vrede in zijn hart tussen bomen die gezichten
hebben gekregen, vriendelijke herinneringen aan vrienden van weleer. En Alítih
staart gefrustreerd naar een prachtig bewerkte, ruime, uitnodigende, en lege
boekenkast. Twee snippers heeft ze uit de bibliotheek kunnen meenemen, en dat
lijkt lang niet genoeg:
Een uitgescheurde
pagina, op schors geschreven, vermeldt kort hoe sommige wilden en arboreanen
verlangen naar de vrijheid van de feywild, zelfs al zijn ze in de Schemersmidse
het leven geschonken. Een cryptische passage lijkt alter toegevoegd. Hierin wordt
gewag gemaakt van wedergeboorte door opoffering. Grauwe Zaden lijken een
centrale rol te spelen: de levenskracht van Wilden zit daarin vervat. Ingestie
door andere levensvormen is dodelijk.
Een ander werk
lijkt een biografie, geschreven in academische, geschiedkundige, oersaaie taal.
Het gaat over het opgroeien, de adolescentie en de ontdekking van kracht van
een eladrintovenares. Er staat dat ze de lange leercurve van magie wilde
omzeilen (de curve staat ook afgebeeld, met benoemde assen), te snel wilde
groeien, en daardoor ongelukken veroorzaakte. De precieze raming van de kosten
van de schade staat berekend.
Hoofdstuk 33
Na een verkwikkende nachtrust treffen Varlock, Berlinden
en Alítih elkaar in de grote hal. Alleen Chiara en Nazhaar laten zich, ondanks
herhaald kloppen op hun deur niet zien. Uit de kamer van Chiara komen de
geluiden van wilde dromen, en een vlammende stem. De drie overleggen wat hen te
doen staat, maar beseffen al snel dat dit deel van de schemersmidse op hen is
afgesteld. Wat er zich ook afspeelt in de kamers van Chiara en Nazhaar –
kennelijk is het een noodzakelijk proces.
Ze besluiten om verder op onderzoek te gaan, en de nog
onverkende portalen te inventariseren, beginnende bij een portaal bij de Grote
Trap.
Na enige tijd komen ze terecht in een junglekamer.
Berlinden vindt de sporen van een wild zwijn, maar Alítih wijst hen op iets
dringender: de sporen van andere, plantachtige wezens . Ze laten het zwijn
links liggen en volgen het spoor van de arboreaan. Wanneer ze het wezen
inhalen, grijpt Berlinden meteen zijn kans: hij dwingt de arboreaan om hem te
vertellen waar zijn leider Camnor zich bevindt.
Alítih en Varlock weten niet precies wat Berlindens plan
hier is, maar volgen hun makker wanneer die meteen de richting uitstormt waar
deze Camnor zich bevindt. In de aangewezen kamer treffen ze meer arboreanen,
maar ook een al te bekende figuur met een luit: de tiefling Mordechai, die ze
er net op tijd van hebben weten te weerhouden het tribuut voor Khesh te stelen.
Hij ziet er niet al te vrolijk uit, en wordt bedreigd door een wezen met
getande bekken.
Berlinden stormt meteen op de dichtstbijzijnde arboreaan
af, en verspilt geen tijd, maar hakt die zonder omhaal in de pan. Van genade
kan geen sprake meer zijn. De zielen van zijn broeders schreeuwen al te lang om
wraak, en deze dag zullen ze die krijgen ook. Hij slaat er amper acht op
wanneer Alítih en Varlock Mordechai bevrijden, maar gaat verder, op zoek naar
de rest van de arboreanen.
Ze komen terecht in de buitenlucht… of zo lijkt het, want
een onzichtbare muur blijkt hen toch nog steeds te omringen. Wanneer twee
arboreanen hen overvallen, verweren de drie zich snel. Alítih en Varlock vallen
de eerste aan, en de combinatie van magie en bijl hakt hem aan spaanders.
Berlinden bedwingt de tweede bijna in zijn eentje, maar dan duikt een ettercap
op, een spinachtig wezen dat webben spuwt. Varlock schiet echter naar voren, en
bonkt de tweede arboreaan tegen een steen, zijn leven verpletterend. De
ettercap voelt dat hij in de minderhed is, en vlucht.
Berlinden weigert om zich bezig te houden met deze
bij-figuur, en zet zijn zoektocht verder. De sporen leiden de groep naar een
soort openluchttempel.
Camnor wacht hen op bij het altaar van de arboreanen.
Reusachtige monolieten vormen een pad naar hem toe. Een groot boomwezen, een
schepping van de arboreanen, staat beschermend voor hem, net als een
reusachtige beer, die vervaarlijk gromt.
‘Wie waagt zich in deze tempel?!’ buldert Camnor. ‘Ervaar
de macht van de arboreanen!’
Een verstikkende groene mist van sporen begint door de
tempel te trekken, terwijl Camnor zijn magie door de monolieten stuurt. De
groep moet zich verzetten tegen het gif dat hun longen en bloed probeert binnen
te dringen. Voor ze goed van die verrassing zijn bekomen, heeft Camnor zijn
beer al op Alítih afgestuurd…
Hoofdstuk 32
Via een teleportatiecirkel komt de groep in en smal
gangetje, dat uitmondt op een leger warforged, opgesteld in een kamer, gesierd
door grote standbeelden. Ze zijn allemaal gericht op een merkwaardig tafereel:
in het midden van vier obelisken wordt gewerkt aan een reusachtige golem…
waarin Kara’Vakasta – of liever: de halfmetalen vrouw die het volgende fragment
van haar ziel is – wordt vastgezet.
Voor de avonturiers ook maar iets kunnen doen, is het proces voltooid: vrouw en golem zijn een geworden. De ogen van de golem beginnen rood te gloeien, en tegelijk wordt er een vortex geactiveerd in de kamer. Het krachtveld destabiliseert de kamer en in een richting bewegen blijkt razend moeilijk.
Berlinden en Chiara laten zich echter niet ontmoedigen. Wanneer de ranger concludeert dat ze helaas écht niet bovenop een obelisk zal kunnen klimmen, richt ze dan maar zo haar boog. De wilden stormt op Kara’Vakasta de golem af, die echter vervaarlijk zwaait met reusachtige kettingen.
Alítih gaat inmiddels poolshoogte nemen bij de obelisken. Ze beseft dat hun opdracht veel vergemakkelijkt zal worden als het krachtveld dat ze genereren verbroken wordt, maar heeft de tijd niet om uit te zoeken hoe hun werking te stoppen. Dan blijft de simpele methode: ze moeten omver.
Voor de avonturiers ook maar iets kunnen doen, is het proces voltooid: vrouw en golem zijn een geworden. De ogen van de golem beginnen rood te gloeien, en tegelijk wordt er een vortex geactiveerd in de kamer. Het krachtveld destabiliseert de kamer en in een richting bewegen blijkt razend moeilijk.
Berlinden en Chiara laten zich echter niet ontmoedigen. Wanneer de ranger concludeert dat ze helaas écht niet bovenop een obelisk zal kunnen klimmen, richt ze dan maar zo haar boog. De wilden stormt op Kara’Vakasta de golem af, die echter vervaarlijk zwaait met reusachtige kettingen.
Alítih gaat inmiddels poolshoogte nemen bij de obelisken. Ze beseft dat hun opdracht veel vergemakkelijkt zal worden als het krachtveld dat ze genereren verbroken wordt, maar heeft de tijd niet om uit te zoeken hoe hun werking te stoppen. Dan blijft de simpele methode: ze moeten omver.
Dat blijkt niet zo simpel als gedacht. Varlock en Nazhaar
proberen vergeefs dicht genoeg bij een obelisk te komen, maar worden keer op
keer weggetrokken door het krachtveld. Inmiddels verzamelt Kara’Vakasta haar
krachten en laat sonische pulsen door de kamer gaan.
Varlock verandert uiteindelijk van tactiek en voert een
charge uit op Kara’Vakasta. Hij weet een stuk van de golem los te hakken en
bloed en olie lekken uit het wezen. Berlinden gebruikt zijn magie om de kamer
te laten beven, en Nazhaar springt meteen toe: hij weet een van de nu wankelende
obelisken omver te gooien.
Het krachtveld verdwijnt. Wanneer Alítih probeert om Kara’Vakasta
te vangen in een magische duisternis, vuurt ze een bundel geconcentreerd licht
op de tovenares af, die noodgedwongen de wijk moet nemen. Berlinden, Nazhaar en
Varlock rukken echter onverstoord op, nu ze niet meer worden gehinderd door de
kracht van de vortex. Hoewel de golem nog woest om zich heen maait, laat het
eind niet lang op zich wachten: Nazhaar en Berlinden voeren hun aanval van twee
kanten op, tot de wilden uiteindelijk de fatale klap aan het metalen monster
kan uitdelen.
De kamer lijkt te kantelen.
De verbinding met de rest van de schemersmidse herschikt zich, en de groep
vindt makkelijk het portaal dat hen naar de Nexus terugbrengt.
Maar vooraleer ze gaan, treffen ze tussen de puinhopen
van het fragment van Kara’Vakasta een sleutel, waarop geschreven staat: ‘Ik ben
de nacht’.
Vyrellis kijkt met een mengeling van triomf en
droefgeestigheid naar het resultaat van het gevecht. Het deel van de ziel van
haar zuster dat bestond uit machtswellust en dominantie, is uitgeschakeld.
donderdag 24 augustus 2017
Hoofdstuk 31
Chiara is de eerste die binnenstormt en Varlock vastgeketend
ziet hangen, vlak voor een bewegingloze smedeling. Een wezen met gloeiende
gewrichten bewerkt hem met een vurige hamer, alsof hij een stuk metaal op een
aambeeld is. De dwerg schreeuwt gekweld, alsof niet alleen zijn lichaam, maar
ook zijn ziel lijdt.
Het wezen draait zich naar de groep en stelt zich dreigend
voor als Haestos, het vuur van de smidse. En in dat vuur zal Varlock hersmeed
worden.
De groep aarzelt niet en valt aan. Chiara’s pijlen vliegen
al snel en Berlinden stormt op Haestos af. Halverwege beseft hij dat de grond
onder zijn voeten uit koudijzer bestaat, maar ondanks de kwelling daarvan zet
hij door en weet Haestos lang genoeg bezig te houden opdat Nazhaar Varlock kan
losmaken. De vuurgeest verweert zich met zijn gloeiende hamer, en vuurt
schichten van gesmolten metaal af. Chiara wordt geraakt, maar schudt het
gesmolten metaal van zich af en schiet onverdroten verder. Varlock heeft niet
lang nodig om zich te herstellen: hij grist het schild van de levenloze
smedeling weg en verkoopt Haestos er een gigantische klap mee.
Terwijl de groep de vuurgeest in het nauw drijft, ziet
Alítih uit haar ooghoek een vaag menselijke vrouw van metaal met Varlocks hamer uit een deur komen. Het lijkt erop dat ze Haestos iets komt vragen, maar zodra ze de strijdende partijen ziet, kiest ze snel het hazenpad.
Intussen lijkt Nazhaar zijn verstand te verliezen: hij stort
zich op Berlinden, die hem net op tijd weet te ontwijken, en daarna een
verpletterende klap op de vuurgeest landt: het is afgelopen met Haestos. Op
hetzelfde moment voelt hij dat nog een van de namen die op zijn ribben is
gebrand verdwijnt… en zijn borstkas wordt bedekt met de illusie van die van een
mens.
Chiara gaat op zoek naar de oorzaak van Nazhaars verwarring
– het is niet de eerste keer dat de groep een vreemde invloed voelt – en vindt
een soort brein dat in een groene lamp drijft. Ze jaagt er haar pijlen door en
weet af te rekenen met de bron van de dwingende agressieve hypnose.
Wanneer Varlock van Alítih hoort dat iemand er met zijn hamer vandoor
is, wil hij meteen de achtervolging inzetten.
Ze komen terecht in een kamer vol apparaten en lichtgevende
dingen, met aan het eind een gordijn. Berlinden wijst schemata aan: de plannen
voor het maken van smedelingen, maar wordt dan afgeleid door twee kleine
robotjes met mesarmen. Hij rent erop af, maar onverhoeds valt een metalen net
op de wilden en verstrikt hem. Hij slaat wild om zich heen, maar kan zich niet
bevrijden, terwijl de robotjes op hem afstormen.
Varlock houdt, ondanks zijn vurige ervaring, het hoofd koel.
De prins der dwergen heeft wel vaker gereedschap gehanteerd, en in een kamer
als deze moet wel iets nuttigs te vinden zijn. Fluks trekt hij een draadschaar
van de muur, snelt naar Berlinden die gevangen zit als een vlieg in een web, en
begint het net eenvoudigweg door te knippen. Terwijl Alítih en Nazhaar hem
rugdekking geven, weet hij een opgeluchte Berlinden te bevrijden.
Het blijkt niet het laatste obstakel: de groep moet zich ook
nog langs vallende messen weten te werken, maar komt uiteindelijk dan toch bij
het zwarte gordijn. Berlinden ontdekt een teleportatiecirkel, die Alítih
identificeert als plaatselijk: geen ontsnapping uit de schemersmidse. Varlock
vindt een deur die naar een werkruimte leidt, en een soort zwart gordijn, maar
vindt het dan welletjes. Nu het even rustig is, herinnert hij zich weer de
gevangen dwergen: hij moet ze gaan bevrijden, zijn hamer kan wel wachten tot
zij veilig zijn!
De dwergen, die sinds de vernietiging van het giftige brein
hun wilskracht weer terug hebben, zijn Varlock intens dankbaar – hij heeft zijn
reputatie waargemaakt! Ze waarschuwen echter dat de helft van hen nog steeds
ergens gevangen moet zitten. Varlock deelt links en rechts bier uit en belooft
dat hij de ontbrekende groep zal zoeken en er alles aan zal doen om hen in
veiligheid te brengen.
Nazhaar wordt ongedurig bij deze uitwisselingen en gaat
opnieuw de kamer in waar Varlock gevangen zat. Wanneer hij op verkenning gaat,
stort er ineens een stuk vloer naar beneden. Diep onder zich ziet hij een
huiveringwekkend beeld: een Ketel van Grauwe Oogst.
Smedelingen, gealarmeerd door dit lawaai, komen toegestroomd,
onder hen zwaargewapende warforged. Ze storten zich op Nazhaar, die gelukkig
snel versterking krijgt. Een verwoed gevecht ontspint zich. Nazhaar ontdekt
verderop putten, waarin nog meer dwergen gevangen zitten, en de ex-kapitein
aarzelt niet: hij slingert hen meteen een van zijn touwen toe om ze eruit te
trekken. Wanneer hij te hard bestookt wordt, heeft hij echter geen andere keus
dan zich in een van de putten te laten vallen. Een smedeling springt hem achterna
en een moordend duel vindt plaats.
Varlock is intussen naar een andere put gesneld en springt
er zonder aarzelen in om de dwergen daarin bij te staan. Dat laat Berlinden,
Chiara en Alítih over om zich teweer te stellen tegen de rest van de
smedelingen, die maar blijven oprukken.
Dan krijgen ze hulp uit onverwachte hoek: de eerder bevrijde
dwergen hebben hun eigen smeedkunsten gebruikt om in de werkkamer kleine
vliegende apparaatjes te maken, die als giftige wespen op de smedelingen
neerdalen. Het tij keert, en de groep weet af te rekenen met de metalen
dreiging.
Alítih keert terug naar het zwarte gordijn dat zo anders
voelde dan de andere, om het nader te onderzoeken. Ze staart in schok naar een
beeld dat in de verte daarin opdoemt: een leger van warforged dat zich in de
verte uitstrekt. In hun midden: een rossige schemering…
woensdag 28 juni 2017
Hoofdstuk 30
Terwijl de groep de grot verder verkent en mogelijke
uitgangen inventariseert, begint de temperatuur aanmerkelijk te stijgen: de
vriestemperatuur begint te normaliseren. Ook het portaal, stelt Alítih vast,
krijgt weer zijn normale uitstraling. Wat de draak er ook mee gedaan had, het
is niet langer verwrongen.
Nazhaar vindt het echter het belachelijk idee om gewoon
terug te keren door het portaal, als er ook een onverkende deur is. Alítih
probeert hem ervan te overtuigen dat ze geen idee hebben waar ze zullen
belanden, omdat het niet terugleidt naar de plek waar ze vandaan kwamen, maar
daar heeft hij geen oren naar. Chiara vindt het allemaal best, zolang iedereen
maar door dezelfde uitgang vertrekt.
Ze heeft geen zin om weer alleen op Nazhaar aangewezen te zijn om haar lijf en
leden te beschermen. De meesmuilende groep neemt haar niet al te serieus en
vertrekt door de deur, maar het duurt niet lang voor de zenuwachtige ranger
opmerkt dat Varlock ontbreekt.
De rest maakt rechtsomkeert, maar de dwerg is nergens te
bekennen. Is hij dan toch door het portaal gegaan? Foeterend marcheert Nazhaar
ernaartoe en springt zonder veel overleg het portaal door.
Ze komen terecht in een ruimte die een industriële uitstraling
heeft. Door ramen in de gang waarin ze staan, zien ze een ongelooflijke berg
scherven en brokken, waar af en toe beweging in komt. Wanneer ze omhoogklimmen
op een trap en door de deur bovenaan gluren, zien ze dat het een werkruimte is,
waar een rij dwergen aan een lopende band zit te werken. Helaas is ‘hun’ dwerg
nergens te bekennen, maar het voelt toch alsof ze in de juiste buurt zijn.
De groep stapt binnen in de kamer en komt terecht op een
loopbrug. Nu ze wat meer van de ruimte zien, beseffen ze al gauw dat er met de
dwergen iets vreemds aan de hand is: ze werken alsof ze in een soort trance
verkeren en reageren op geen enkele manier op hun binnenkomst. Aan het eind van
de loopbrug zijn deuropeningen naar een andere ruimte. Is Varlock daar ergens
naar binnen gegaan?
Een reusachtige grijparm, bestuurd door een dwerg die
afzonderlijk in een hokje zit, grijpt van tijd tot tijd een stuk van de hoop
scherven en gooit die in een koker die uitgeeft op de loopband. Deze arm is het
enige in de kamer dat lijkt te reageren op de nieuwkomers: hij zwaait naar de
loopbrug en probeert een van hen op te scheppen.
Nazhaar besluit dit lot op een onorthodoxe manier te
ontlopen: hij springt zelf in de koker en komt terecht op de lopende band. Hij
voelt al snel dat het ding te hard schudt om eroverheen te kunnen lopen, en
laat zich plat op zijn buik vallen. Boven zijn hoofd ziet hij vreemde groene
lampen, waarin dingen rondzweven.
Alítih voelt intussen dat iets een aanslag doet op haar
wilskracht, maar weet het vreemde effect af te schudden. Berlinden en Chiara
zijn tijdelijk in verwarring en ze springt achteruit terwijl de twee proberen iedereen
in het zicht een rake klap te verkopen. Wanneer ze weer bij zinnen zijn, wil
Berlinden de grijparm onschadelijk gaan maken. Hij springt naar het hokje
waarin een dwerg die zit te bedienen, maar de tralies waarvan dat gemaakt is
blijken van cold iron. De wilden laat het voor hem giftige metaal instinctief
los, en valt middenin de scherpe brokken. Elke keer dat hij beweegt, zakt hij
alleen maar dieper, dus de wilden probeert zich zo stil mogelijk te houden.
Alítih probeert hem de helpende hand te bieden, maar de tovenares is niet
gewend aan zulk hard werk en slaagt er niet in om hem omhoog te trekken.
Chiara, geërgerd door iedereen die maar in alle richtingen wegspringt, stampt
naar Berlinden toe en rukt hem met één fors gebaar de brug weer op. En nu
iedereen mee naar de deur! Nazhaar wordt daar straks binnengebracht, dus dan
kunnen ze er maar beter samen belanden.
Nazhaar brult het plotseling uit. De loopband heeft hem tot
voor een van de dwergen gebracht, en die heeft zonder verpinken een metalen
plaat aan zijn been vastgevezen.
Chiara rent naar de deur en ziet dat in de volgende kamer
smedelingen in diverse stadia van voltooiing staan, al lijkt geen van hen
helemaal zoals hij zou moeten zijn. Alítih wil haar volgen, maar wordt net op
dat moment door de grijparm gegrepen en de koker in gegooid. Zodra ze op de
lopende band terechtkomt werpt ze één blik op Nazhaar en besluit dat zij er
niets voor voelt om extra metalen ledematen te krijgen. Ze teleporteert naar de
loopbrug en volgt Chiara en Berlinden.
Nazhaar wordt intussen de kamer binnengebracht op de band.
Wanneer hij de opening ziet verschijnen, reikt hij met onmenselijke snelheid
naar achteren, verkoopt de laatste werkzame dwerg een knal en pikt zijn
schroefmachine in. Die plaat moet van zijn been! Binnengekomen in de kamer laat
hij zich meteen van de band vallen en hurkt eronder om daaraan te beginnen. Hij
krijgt echter de kans niet: een smedeling komt aanstormen en hij is verplicht
zich te verdedigen. Berlinden ziet zijn precaire situatie en snelt naderbij om
hem te helpen.
Chiara en Alítih nemen intussen twee andere smedelingen
onder vuur. Ze weten hen neer te halen, maar een generator achter in de kamer
zoemt en klikt, en de wezens komen weer overeind. Chiara trekt snel haar
conclusies en richt haar pijlen op de machine. Alítih en Berlinden houden de
twee smedelingen die haar belagen van haar af, terwijl Nazhaar, bloedend en met
metalen plaat aan zijn been, de grootste van de troep met zijn bijl een kopje
kleiner maakt. Net op het moment dat Berlinden de laatste van de smedelingen
tot schroot reduceert, weet Chiara met een welgemikte pijl de generator te
vernielen.
Nader onderzoek brengt hen bij operatietafels, waarop
warforged liggen: smedelingen die bekleed worden met een kunstmatige huid, om
er menselijker uit te zien. Op het moment dat Chiara er een met gefascineerd
afgrijzen nader inspecteert, schiet hij overeind, maar zwakke piepjes en
gesputter van de generator zijn niet genoeg om hem in actie te laten schieten –
hij zijgt levensloos weer neer. Nazhaar vijst grinnikend de plaat weer van zijn
been – dat was een interessante ervaring – en is klaar om de boel verder te
verkennen.
Twee deuren staren hen nog aan. Op een prachtig bewerkte
deur is een opschrift aangebracht: ‘Ksaraka Vatas – Meesteresse van de smidse’.
Nog voor ze tijd hebben om zich helemaal te realiseren wie er achter deze naam
schuilgaat, klinkt de gepijnigde stem van Varlock vanachter de tweede deur.
Wanneer ze erheen snellen, worden de kreten van hun makker gekwelder en luider,
en slaat de hitte hen tegemoet…
vrijdag 9 juni 2017
Hoofdstuk 29
Chiara schiet wakker in een lange, smalle kamer. Vlakbij
haar bed ziet ze op een kaptafeltje drie bustes staan. Ontroerd herkent ze de
gezichten van haar pleegvader en -broer en -zus. Wanneer ze verder op
verkenning gaat, ontdekt ze een hoog oprijzende toren. Verheugd klautert ze
naar boven en ontdekt daar het uitkijkpunt van haar dromen, waar haar boog
geruststellend op haar wacht.
Nazhaar is inmiddels wakkergeworden in een kamer die hem
herinnert aan betere tijden: overal om hem heen hangen touwen, geknoopt in de
meest ingewikkelde zeemansknopen, of hangend van houten muur naar houten muur. Hij
gooit er onmiddellijk een over zijn schouder en spurt naar het grote roer dat
decoratief is opgesteld in het midden van de kamer. Met vaste hand laat hij het
draaien en weet dat eens de dag komt dat hij de zilte zeeën weer zal bevaren.
Wanneer de groep elkaar heeft teruggevonden bij de tombe van
Oristos, en hun verwondering over deze merkwaardige gebeurtenis heeft
besproken, komen ze met hulp van Vyrellis tot een hypothese: nadat ze dit niveau
van de schemersmidse van zijn inwoners hebben ontdaan, zijn zij zelf de
machtigste wezens die er aanwezig zijn. De smidse heeft zichzelf herschapen
rondom hen en hun noden. Ze hebben een veilige uitvalsbasis gekregen, niet te
versmaden in een omgeving als deze.
De verkenning wordt verdergezet door een nieuw portaal. Ze
komen terecht in een donkere kamer, die verval uitademt. Oude muurschilderingen
verhalen van strijd en oorlog. In de schilderijengalerij zijn een hele resem
portalen verwerkt, die nadere inspectie behoeven, maar in het midden van de
kamer is iets merkwaardigs te zien: een verhoog waarop een krachtveld trilt
tussen vier pilaren. Een soort levendig zwart gordijn hangt hier. Vyrellis, in
de kristallen bol die Alítih vasthoudt, herkent deze kamer als de Nexus.
Varlock brengt de pilaren meteen thuis als een soort
mechanisme, maar zodra de groep een voet de kamer binnenzet om het te gaan
bestuderen, worden ze verrast door overeind komende lijken, gehuld in harnassen
van Nieuw-Vhalt. Chiara’s scherpe ogen ontwaren een soort verbinding met het
zwarte gordijn in het midden van de kamer. Een gevecht ontspint zich. De ondoden schreeuwen over 'de toegang tot het Heiligdom van Licht' en blijken bepaald geen breekbare oudjes: ze lijken welhaast onverwoestbaar en krijgen duidelijk extra kracht van het zwarte gordijn.
Alítih rept zich naar de pilaren, in een poging die toevoer af te
snijden, maar kan dat niet meteen voor elkaar krijgen. Wel treft ze merkwaardige sleutelgaten in drie van de pilaren: in de vorm van de
maan, de zon en een ster. Een inscriptie gebiedt: ‘Bovenal, wees nederig’.
Wanneer de ondoden onvermoeibaar blijven terugkomen, besluit
de groep tot een tactische terugtrekking en springt door een tweede portaal…
misschien vinden ze daar de sleutels die op de sleutelgaten passen? Ze belanden
echter abrupt weer in de ruimte met hun slaapvertrekken.
De wirwar van portalen wordt er niet duidelijker op wanneer
diezelfde cirkel zich nog een keer herhaalt met een ander portaal.
Wanneer ze de Nexus een derde keer in hoog tempo
doorkruisen, achternagezeten door gefrustreerde ondoden, spurten ze omhoog naar
een portaal op een richel. Wanneer ze daar doorheen springen worden ze begroet
door kilte, en landen met het bizarre gevoel dat het portaal op de een of
andere manier verwrongen was… daardoor zullen ze alleszins niet terug kunnen.
Ze blijken te zijn beland in het ijzige domein van een
slapende draak: een grot, met in het midden een poel water waar de kou van
afslaat. Verderop is een deur, maar dan moeten ze óf vlak langs de draak, of
door het vrieskoude water. Alítih heeft een oplossing achter de hand: ze kan
door een magische bezwering het water bewandelbaar maken. Haar incantatie, die
ze zo zachtjes mogelijk inzet, wekt echter meteen de grote, witte draak.
Het reusachtige wezen heft zijn kop en ziet verheugd vijf
smakelijke hapjes die hem uit vrije wil zijn komen opzoeken. Nazhaar probeert
hem af te leiden met de mededeling dat ze hier op last van de draak Irindol zijn, maar
Ausirax snuift minachtend. Irindol, wat is dat voor een jonkie? Als hij niet
minstens 1000 jaar oud is, dan heeft geen boodschap aan de woorden van de
draak.
Intussen heeft Vyrellis haar oog laten vallen op een
amehtist die dieppaars opgloeit in een hoop buit die achter de draak ligt.
Fluisterend probeert ze Alítih te overhalen om die voor haar te bemachtigen.
Tot nu toe heeft Vyrellis zich een goeie bondgenote betoond, dus de tovenares
belooft haar best te doen, maar hoe krijgt ze de steen te pakken?
Ze probeert met Ausirax te onderhandelen, maar de draak ziet
een onderhandeling vooral als ‘Ausirax krijgt geschenken’ en ‘geef Ausirax te
eten, hij heeft honger’. Nadat ze hem een paar ijswitte kristallen heeft
aangeboden, lijkt hij iets milder gestemd te raken, maar het schiet niet
bepaald op. De draak wil vooral uit de schemersmidse geraken, en dan nog het
liefst met een klaarstaande nieuwe woonplek: een eiland voor hemzelf. Varlock
pruttelt op de achtergrond wanneer Alítih opgewekt beweert dat zoiets wel moet
kunnen – eilanden genoeg toch, op de Drakenzee? Nazhaar vindt het ook wat ingewikkeld,
maar heeft inmiddels zijn eigen agenda: hij wil een witte schub bemachtigen. Wanneer
Alítih dat in de gaten krijgt, probeert ze twee vliegen in één klap te slaan,
door Ausirax te overhalen om Nazhaar een schub te geven als manier om te
garanderen dat hij zeker zijn eiland krijgt.
De draak blijkt dat een uitstekend idee te vinden, en laat
zich Chiara’s gevlei aanleunen dat ze zijn grot wel een beetje kan opfleuren.
Hij heeft daar een hoop buit liggen, maar die kan toch wel een beetje netter
uitgestald worden? De nieuwbakken herbergierster heeft blijkbaar de smaak te
pakken van het sfeerscheppen. Ze begint te rommelen tussen de schatten van de
draak en wijst mooie plekjes aan voor al zijn blinkend moois. Alítih drentelt
naderbij en kijkt peinzend naar de amethist. Als ze die nu eens stilletjes in
haar mouw laat verdwijnen? De rest houdt de draak nu toch goed bezig.
Varlock vindt het een nog slechter idee dan het vorige en
wisselt bedenkelijke blikken met Berlinden. De twee zijn ervan overtuigd dat
het vroeg of laat verschrikkelijk verkeerd zal gaan, en houden hun hand in de
buurt van hun wapen, terwijl ze Ausirax aan de praat proberen te houden.
Ze krijgen maar al te snel gelijk. Voor de witte draak
blijkt het geluid van een wegglijdende edelsteen zoiets als een alarmbel. Hij draait
meteen zijn reusachtige kop in de richting van de tovenares, die zich er nog
uit probeert te praten, maar tevergeefs. Ausirax brult van woede en keert zich
meteen tegen de hele groep.
Berlinden en Varlock staan paraat en zwaaien van twee kanten
hun bijlen. Nazhaar, de witte schub blinkend op zijn borst, haalt zijn
schouders op: dit wordt makkelijk verdiend zo. Grijzend haalt hij zijn eigen bijl tevoorschijn en
stort zich in de strijd. De draak blijkt een geduchte tegenstander: zijn muil
en klauwen aan de ene kant, en zijn zwiepende staart aan de andere kant eisen
meteen een bloedige tol. Hij stormt als een dolle richting Chiara en Alítih die
nog steeds bij zijn schatten staat. Chiara houdt het hoofd koel, en
rent lichtvoetig achteruit in een smalle spleet, zodat hij niet bij haar kan komen.
Alítih volgt wijselijk haar strategie en maakt zich uit de voeten, zij het niet
dan nadat ze de amethist in haar zak heeft laten glijden.
De ijsgrot davert en resoneert van de heen en weer
springende draak, magische uitbarstingen, het hakken en pareren van drie bijlen
en zoevende pijlen. Bijna tot hun eigen verbazing, weten de avonturiers de
draak langzaam maar zeker achteruit te dringen. Hij schuifelt achteruit
richting het water en verdwijnt in de ijzige dieptes… om enkele seconden later
in een ijsgolf weer tevoorschijn te springen, zijn krachten hersteld door de
kou. Hij haalt diep adem en spuwt zijn ijzige adem over Chiara, die bewusteloos
neerstort, in de greep van een visioen.
Ze is een soldaat van Nieuw Vhalt in het leger van haar Alleenheer en Alleenvrouwe. Vanop de zwevende necrosmidse kijkt ze uit over de vele eilanden op de Drakenzee. Prooi. Wat normaal een machtig mooi uitzicht zou zijn, wordt enigszins verstoord door de vreemde wezens die patrouilleren rondom het grijze gevaarte. De feywezens die zichzelf Wilden noemen zien er vervaarlijk maar droevig uit. Waarschijnlijk omdat ze gedwongen worden om samen te werken met de ondode schepsels die binnen gemaakt worden. Ze huivert en haar blik wordt getrokken naar een necrosmidse enige kilometers in de verte, links van haar. Verhuld door de ochtendmist weet je er nog twee andere zweven, op gelijke afstanden. Het is een vloot om te veroveren.
Ze is een soldaat van Nieuw Vhalt in het leger van haar Alleenheer en Alleenvrouwe. Vanop de zwevende necrosmidse kijkt ze uit over de vele eilanden op de Drakenzee. Prooi. Wat normaal een machtig mooi uitzicht zou zijn, wordt enigszins verstoord door de vreemde wezens die patrouilleren rondom het grijze gevaarte. De feywezens die zichzelf Wilden noemen zien er vervaarlijk maar droevig uit. Waarschijnlijk omdat ze gedwongen worden om samen te werken met de ondode schepsels die binnen gemaakt worden. Ze huivert en haar blik wordt getrokken naar een necrosmidse enige kilometers in de verte, links van haar. Verhuld door de ochtendmist weet je er nog twee andere zweven, op gelijke afstanden. Het is een vloot om te veroveren.
Nazhaar, Varlock en Berlinden springen achteruit, maar gaan
dan verbeten weer in de aanval. Het wordt een uitputtingsslag, maar de groep
houdt vol. Ze putten het laatste van hun krachten uit zichzelf en passen elke
tactiek die ze kennen toe. De draak raakt langzamerhand echt aan het eind van
zijn krachten en besluit om minstens een van de groep met zich mee te nemen.
Varlock krijgt de zwaarste van zijn aanvallen te verwerken en valt uiteindelijk
bewusteloos neer. Ook hij wordt meteen geplaagd door vreemde visioenen.
De verovering van Nieuw Vhalt ging schrikwekkend snel, routinematig bijna. De zwevende forten arriveerden, landden, de legers zwermden uit en doodden elke tegenstand, de gevallenen werden verzameld en het leger zwol weer aan. Aan elke cluster van drie eilanden werd één smidse toegekend om de bevolking in het gareel te houden. De necrosmidse met zijn nietig persoontje aan boord moet nog wat langer in verovermodus blijven maar daarna kan hij uitkijken naar het comfort van de bezetter. Tenminste, als het plan niet gewijzigd wordt door zijn Alleenvrouwe. Hij ziet haar staan op een balkon, bovenop het fort. Schaduwen poelen aan haar voeten. Ze houdt de hand van zijn Alleenheer bezitterig vast terwijl ze haar troepen beneden op de overloop een blik gunt. Haar blik kruist de zijne en in zijn hoofd hoort hij haar stem schreeuwen: 'Dood me! Dood me driemaal en het pad naar je verlossing zal openen!'
De verovering van Nieuw Vhalt ging schrikwekkend snel, routinematig bijna. De zwevende forten arriveerden, landden, de legers zwermden uit en doodden elke tegenstand, de gevallenen werden verzameld en het leger zwol weer aan. Aan elke cluster van drie eilanden werd één smidse toegekend om de bevolking in het gareel te houden. De necrosmidse met zijn nietig persoontje aan boord moet nog wat langer in verovermodus blijven maar daarna kan hij uitkijken naar het comfort van de bezetter. Tenminste, als het plan niet gewijzigd wordt door zijn Alleenvrouwe. Hij ziet haar staan op een balkon, bovenop het fort. Schaduwen poelen aan haar voeten. Ze houdt de hand van zijn Alleenheer bezitterig vast terwijl ze haar troepen beneden op de overloop een blik gunt. Haar blik kruist de zijne en in zijn hoofd hoort hij haar stem schreeuwen: 'Dood me! Dood me driemaal en het pad naar je verlossing zal openen!'
Varlock schiet overeind met de stem in zijn oren en in reflex haalt hij dreunend uit met zijn schild - recht tegen de drakenkop die net zijn strot wou afbijten. Het is de genadeklap voor Ausirax, die
levensloos ter aarde stort. Het wordt weer ijzig stil in de grot.
Dat allemaal voor een amethist? Vyrellis acht het moment aangebroken
om een bekentenis te doen: toen de ziel van haar zuster Kara’Vakasta in drieën
werd gesplitst, is haar hetzelfde overkomen. Haar zielefragmenten zijn
opgeslagen in edelstenen. Als ze de groep écht wil kunnen bijstaan om Kara’Vakasta
voorgoed te vernietigen, dan moet ze die alle drie terugvinden. De groep knikt
vermoeid. Het is duidelijk dat ze hun laatste gevecht hier nog niet geleverd
hebben.
Abonneren op:
Reacties (Atom)

