zondag 22 oktober 2017

Hoofdstuk 33

Na een verkwikkende nachtrust treffen Varlock, Berlinden en Alítih elkaar in de grote hal. Alleen Chiara en Nazhaar laten zich, ondanks herhaald kloppen op hun deur niet zien. Uit de kamer van Chiara komen de geluiden van wilde dromen, en een vlammende stem. De drie overleggen wat hen te doen staat, maar beseffen al snel dat dit deel van de schemersmidse op hen is afgesteld. Wat er zich ook afspeelt in de kamers van Chiara en Nazhaar – kennelijk is het een noodzakelijk proces.

Ze besluiten om verder op onderzoek te gaan, en de nog onverkende portalen te inventariseren, beginnende bij een portaal bij de Grote Trap.

Na enige tijd komen ze terecht in een junglekamer. Berlinden vindt de sporen van een wild zwijn, maar Alítih wijst hen op iets dringender: de sporen van andere, plantachtige wezens . Ze laten het zwijn links liggen en volgen het spoor van de arboreaan. Wanneer ze het wezen inhalen, grijpt Berlinden meteen zijn kans: hij dwingt de arboreaan om hem te vertellen waar zijn leider Camnor zich bevindt.
Alítih en Varlock weten niet precies wat Berlindens plan hier is, maar volgen hun makker wanneer die meteen de richting uitstormt waar deze Camnor zich bevindt. In de aangewezen kamer treffen ze meer arboreanen, maar ook een al te bekende figuur met een luit: de tiefling Mordechai, die ze er net op tijd van hebben weten te weerhouden het tribuut voor Khesh te stelen. Hij ziet er niet al te vrolijk uit, en wordt bedreigd door een wezen met getande bekken. 
Berlinden stormt meteen op de dichtstbijzijnde arboreaan af, en verspilt geen tijd, maar hakt die zonder omhaal in de pan. Van genade kan geen sprake meer zijn. De zielen van zijn broeders schreeuwen al te lang om wraak, en deze dag zullen ze die krijgen ook. Hij slaat er amper acht op wanneer Alítih en Varlock Mordechai bevrijden, maar gaat verder, op zoek naar de rest van de arboreanen. 
Ze komen terecht in de buitenlucht… of zo lijkt het, want een onzichtbare muur blijkt hen toch nog steeds te omringen. Wanneer twee arboreanen hen overvallen, verweren de drie zich snel. Alítih en Varlock vallen de eerste aan, en de combinatie van magie en bijl hakt hem aan spaanders. Berlinden bedwingt de tweede bijna in zijn eentje, maar dan duikt een ettercap op, een spinachtig wezen dat webben spuwt. Varlock schiet echter naar voren, en bonkt de tweede arboreaan tegen een steen, zijn leven verpletterend. De ettercap voelt dat hij in de minderhed is, en vlucht.
Berlinden weigert om zich bezig te houden met deze bij-figuur, en zet zijn zoektocht verder. De sporen leiden de groep naar een soort openluchttempel.

Camnor wacht hen op bij het altaar van de arboreanen. Reusachtige monolieten vormen een pad naar hem toe. Een groot boomwezen, een schepping van de arboreanen, staat beschermend voor hem, net als een reusachtige beer, die vervaarlijk gromt.
‘Wie waagt zich in deze tempel?!’ buldert Camnor. ‘Ervaar de macht van de arboreanen!’ 
Een verstikkende groene mist van sporen begint door de tempel te trekken, terwijl Camnor zijn magie door de monolieten stuurt. De groep moet zich verzetten tegen het gif dat hun longen en bloed probeert binnen te dringen. Voor ze goed van die verrassing zijn bekomen, heeft Camnor zijn beer al op Alítih afgestuurd…

Geen opmerkingen:

Een reactie posten