Ze besluiten om verder op onderzoek te gaan, en de nog
onverkende portalen te inventariseren, beginnende bij een portaal bij de Grote
Trap.
Na enige tijd komen ze terecht in een junglekamer.
Berlinden vindt de sporen van een wild zwijn, maar Alítih wijst hen op iets
dringender: de sporen van andere, plantachtige wezens . Ze laten het zwijn
links liggen en volgen het spoor van de arboreaan. Wanneer ze het wezen
inhalen, grijpt Berlinden meteen zijn kans: hij dwingt de arboreaan om hem te
vertellen waar zijn leider Camnor zich bevindt.
Alítih en Varlock weten niet precies wat Berlindens plan
hier is, maar volgen hun makker wanneer die meteen de richting uitstormt waar
deze Camnor zich bevindt. In de aangewezen kamer treffen ze meer arboreanen,
maar ook een al te bekende figuur met een luit: de tiefling Mordechai, die ze
er net op tijd van hebben weten te weerhouden het tribuut voor Khesh te stelen.
Hij ziet er niet al te vrolijk uit, en wordt bedreigd door een wezen met
getande bekken.
Berlinden stormt meteen op de dichtstbijzijnde arboreaan
af, en verspilt geen tijd, maar hakt die zonder omhaal in de pan. Van genade
kan geen sprake meer zijn. De zielen van zijn broeders schreeuwen al te lang om
wraak, en deze dag zullen ze die krijgen ook. Hij slaat er amper acht op
wanneer Alítih en Varlock Mordechai bevrijden, maar gaat verder, op zoek naar
de rest van de arboreanen.
Ze komen terecht in de buitenlucht… of zo lijkt het, want
een onzichtbare muur blijkt hen toch nog steeds te omringen. Wanneer twee
arboreanen hen overvallen, verweren de drie zich snel. Alítih en Varlock vallen
de eerste aan, en de combinatie van magie en bijl hakt hem aan spaanders.
Berlinden bedwingt de tweede bijna in zijn eentje, maar dan duikt een ettercap
op, een spinachtig wezen dat webben spuwt. Varlock schiet echter naar voren, en
bonkt de tweede arboreaan tegen een steen, zijn leven verpletterend. De
ettercap voelt dat hij in de minderhed is, en vlucht.
Berlinden weigert om zich bezig te houden met deze
bij-figuur, en zet zijn zoektocht verder. De sporen leiden de groep naar een
soort openluchttempel.
Camnor wacht hen op bij het altaar van de arboreanen.
Reusachtige monolieten vormen een pad naar hem toe. Een groot boomwezen, een
schepping van de arboreanen, staat beschermend voor hem, net als een
reusachtige beer, die vervaarlijk gromt.
‘Wie waagt zich in deze tempel?!’ buldert Camnor. ‘Ervaar
de macht van de arboreanen!’
Een verstikkende groene mist van sporen begint door de
tempel te trekken, terwijl Camnor zijn magie door de monolieten stuurt. De
groep moet zich verzetten tegen het gif dat hun longen en bloed probeert binnen
te dringen. Voor ze goed van die verrassing zijn bekomen, heeft Camnor zijn
beer al op Alítih afgestuurd…
Geen opmerkingen:
Een reactie posten