zondag 22 oktober 2017

Hoofdstuk 32

Via een teleportatiecirkel komt de groep in en smal gangetje, dat uitmondt op een leger warforged, opgesteld in een kamer, gesierd door grote standbeelden. Ze zijn allemaal gericht op een merkwaardig tafereel: in het midden van vier obelisken wordt gewerkt aan een reusachtige golem… waarin Kara’Vakasta – of liever: de halfmetalen vrouw die het volgende fragment van haar ziel is – wordt vastgezet.
Voor de avonturiers ook maar iets kunnen doen, is het proces voltooid: vrouw en golem zijn een geworden. De ogen van de golem beginnen rood te gloeien, en tegelijk wordt er een vortex geactiveerd in de kamer. Het krachtveld destabiliseert de kamer en in een richting bewegen blijkt razend moeilijk.
Berlinden en Chiara laten zich echter niet ontmoedigen. Wanneer de ranger concludeert dat ze helaas écht niet bovenop een obelisk zal kunnen klimmen, richt ze dan maar zo haar boog. De wilden stormt op Kara’Vakasta de golem af, die echter vervaarlijk zwaait met reusachtige kettingen.
Alítih gaat inmiddels poolshoogte nemen bij de obelisken. Ze beseft dat hun opdracht veel vergemakkelijkt zal worden als het krachtveld dat ze genereren verbroken wordt, maar heeft de tijd niet om uit te zoeken hoe hun werking te stoppen. Dan blijft de simpele methode: ze moeten omver. 
Dat blijkt niet zo simpel als gedacht. Varlock en Nazhaar proberen vergeefs dicht genoeg bij een obelisk te komen, maar worden keer op keer weggetrokken door het krachtveld. Inmiddels verzamelt Kara’Vakasta haar krachten en laat sonische pulsen door de kamer gaan.
Varlock verandert uiteindelijk van tactiek en voert een charge uit op Kara’Vakasta. Hij weet een stuk van de golem los te hakken en bloed en olie lekken uit het wezen. Berlinden gebruikt zijn magie om de kamer te laten beven, en Nazhaar springt meteen toe: hij weet een van de nu wankelende obelisken omver te gooien.
Het krachtveld verdwijnt. Wanneer Alítih probeert om Kara’Vakasta te vangen in een magische duisternis, vuurt ze een bundel geconcentreerd licht op de tovenares af, die noodgedwongen de wijk moet nemen. Berlinden, Nazhaar en Varlock rukken echter onverstoord op, nu ze niet meer worden gehinderd door de kracht van de vortex. Hoewel de golem nog woest om zich heen maait, laat het eind niet lang op zich wachten: Nazhaar en Berlinden voeren hun aanval van twee kanten op, tot de wilden uiteindelijk de fatale klap aan het metalen monster kan uitdelen.

De kamer lijkt te kantelen. De verbinding met de rest van de schemersmidse herschikt zich, en de groep vindt makkelijk het portaal dat hen naar de Nexus terugbrengt.
Maar vooraleer ze gaan, treffen ze tussen de puinhopen van het fragment van Kara’Vakasta een sleutel, waarop geschreven staat: ‘Ik ben de nacht’.
Vyrellis kijkt met een mengeling van triomf en droefgeestigheid naar het resultaat van het gevecht. Het deel van de ziel van haar zuster dat bestond uit machtswellust en dominantie, is uitgeschakeld.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten