woensdag 22 november 2017

Hoofdstuk 36

In tegenstelling tot Chiara voelt Nazhaar zich niet geneigd om zijn droom met alleman te delen. Maar hij zit er wel mee in zijn maag…

~ De droom van Nazhaar ~

Het is een regenachtige nacht op het gevangeniseiland Io Barazat. Zich niet bewust van het feit dat buiten handlangers van de Ridders van Ardeyn rondsluipen, doen de paladijnen van Bahamut en Tiamat hun ronde.
Een nieuwe gevangene is net binnengebracht: Nozark, een van de Ridders van Ardeyn zelf. Spoedig zullen ze de Vost Miraj op de hoogte moeten brengen van hun vangst. Maar misschien kunnen ze eerst zelf nog iets uit hem krijgen.
Net wanneer ze hem willen opsluiten, slaagt een gevangen gnoom erin om keet te schoppen. Hij stookt de andere gevangenen op, en in de chaos wordt Nozark in een andere cel gestopt dan bedoeld. Althans, door de plichtsbewuste paladijn van Bahamut die hem wil ondervragen… de wachter die hem snel bij de gnoom naar binnen schuift is een undercover spion, die feilloos zijn kans heeft benut. 
De gnoom en Nozark beginnen plannen te smeden. Als ze samenwerken, zouden ze hier dan niet kunnen wegkomen? Ze worden onderbroken door een bewaker die Nozark komt ondervragen, maar ook dat duurt niet al te lang…
Een aardbeving doet het hele eiland op zijn grondvesten daveren. Een reusachtige ijzeren draak is als een aangeschoten vogel uit de lucht getuimeld. Een gloeiende vorm boven hem krijst triomfantelijk, zijn drakenskelet in leven gehouden door onnatuurlijke energie: ‘Mijn naam is Tao Feng… en van de meesteresse mag ik jullie állemaal opeten!’

Nazhaar heeft het sterke gevoel dat wat hij in zijn droom heeft gezien… nog niet is voorgevallen. Maar hij weet ook niet wat hij eraan kan veranderen. Zolang hij hier in de schemersmidse vastzit in elk geval niets. Er is maar een antwoord: zo snel mogelijk de volgende sleutel vinden. Dan heeft hij misschien een kans om zijn broer te helpen – of op zijn minst uit te vinden bij wat voor duistere zaakjes hij betrokken is!

Aangespoord door Nazhaar gaat de groep onontdekte hoekjes verder uitkammen. Nazhaars ondernemingslust wordt versterkt, wanneer hij ineens oog in oog komt te staan met een troep van zijn ex-matrozen – de verraders, die Taazhon zijn gevolgd!
In eerste instantie maken ze korte metten met de matrozen die zich, gewapend met hellebaarden, achter een hoop rommel hebben verschanst. Chiara vuurt haar pijlen af, Nazhaar en Varlock werken zich over de barricade heen.
‘Ga Taazhon halen!’ klinkt al snel de kreet, en een van de matrozen verdwijnt in de richting van een gang.
Varlock zet de achtervolging in, maar wordt plotsklaps uit de gang weggeteleporteerd. Hij kijkt verbijsterd om zich heen, maar schreeuwt het meteen daarna uit wanneer vlammen uit alle muren tevoorschijn schieten.
De rest van de groep hoort zijn gepijnigde kreten vanachter een deur in hun vertrek komen. Alítih vliegt ernaartoe, maar rammelt tevergeefs aan de zware deur. Nazhaar komt haar te hulp, maar krijgt er ook geen beweging in. Uiteindelijk is het een brullende, half verschroeide dwerg zonder wenkbrauwen die zelf de deur openschopt.
Nazhaar is niet van plan om deze kans te laten liggen. Ze moeten de achtervolging inzetten, als ze Tazhon te pakken willen krijgen! Varlock houdt hen echter tegen als ze de gang in willen stormen. Zo is hij in de kamer met het vuur terechtgekomen…
Ze proberen het systeem te misleiden door er een dode matroos op te gooien, maar er gebeurt niks. Berlinden krijgt in de gaten dat iemand verderop het systeem aan het bedienen is, het geen eenvoudige drukplaat is. Hij offert zichzelf op en laat zich wegteleporteren, zodat de rest van de groep veilig voorbij de gang kan.
In de kamer aan het eind van de gang treft Alítih de gevluchte boogschutter, die inderdaad bij een resem hendels staat. Hij slaagt er nog net in om Berlinden een keer te roosteren voor haar magische projectielen hem treffen. Varlock voert een verpletterende charge op hem uit, en ze weten Berlinden vrij onbeschadigd te bevrijden.

Ze komen door een kamer waarvan een muur bedekt is met een muurschildering. Het tafereel stelt de veroordeling van Kara’Vakasta voor, die geflankeerd wordt door een necrosmidse. Het verdict wordt uitgesproken door de eerste keizer: Azunkan I. Peinzend staart Nazhaar enige tijd naar de vijf gekleurde schubben op de borst van de keizer.
Chiara’s gevoelige oren vangen echter iets op. Ze hoort ritueel gezang vanachter gesloten deuren komen. De stem van een jongen vrouw blijft maar om bevrijding smeken.
Voorzichtig glipt Chiara naar binnen. Twee dragonborn-geesten verschijnen, en instinctief valt ze hen meteen aan. De rest van de groep hoort haar kreten en schiet haar te hulp. Al snel begrijpen ze dat ze in een hermetische gevangenis zijn terechtgekomen: zodra iemand de deur aanraakt, of zich naar het altaar vooraan begeeft, verschijnen er meer geesten.
Vooraan bij het altaar zit een jonge vrouw vertwijfeld te trillen. Vyrellis fluistert Alítih in dat dit geen echte splinter is van haar zus, maar toch wel een deel van haar, een kleinere afspiegeling. Ze is hier opgesloten, als straf voor haar daden… terwijl dit deel de verloren onschuld van Kara’Vakasta is. Ze wil niets liever dan bevrijd worden uit haar eeuwige gevangenis.
Ondanks Varlocks argwaan besluit de groep om haar te helpen. Met vereende krachten weten ze de magische afgrenzing in de kamer beetje bij beetje af te breken. Alítih doet een beroep op de koude magie die Vyrellis met zich meedraagt, en Varlock en Berlinden storten zich op de deur, waar de sterkste bezweringen zijn geconcentreerd.
Uiteindelijk begeeft de bezwering het, en de gestalte van het onschuldige meisje dat Kara’Vakasta eens was, bedankt hen uit de grond van haar hart, voor ze verdwijnt. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten