Terwijl Varlock daarover nadenkt, veilig achter zijn schild, terwijl de beer naar hem klauwt, neemt Alítih de gelegenheid te baat om weg te teleporteren en haar macht bij die van Berlinden te voegen. De wilden is in een verwoed gevecht verwikkeld met het plantwezen, dat enorm veerkrachtig blijkt, en keer op keer weer overeind komt.
Camnor bespeurt dat Berlinden ongewenste hulp krijgt en vuurt een nieuw salvo giftige sporen op Alítih af. Meteen daarna roept hij twee gloeiende manden achter zich aan, die Alítih tot haar schrik herkent als Ketels van Grauwe Oogst! De tovenares schreeuwt een waarschuwing, en wankelt wanneer het gif haar bloed bereikt. Berlinden ziet het gevaar, maar wordt door het plantwezen op afstand gehouden. Varlock heeft zijn handen vol aan de beer.
Met een grote grijns stapt Camnor, zijn zeis geheven, vanachter zijn altaar, en belooft snoevend dat hij vandaag de laatste der wilden naar zijn broeders zal sturen.
Er breekt iets in Berlinden. De wilden schreeuwt het uit, zijn eenzaamheid en verdriet lijken een stem en tastbaarheid te krijgen. Zijn lichaam gloeit van magie en wilskracht, van gerechtvaardigde wraak en vastberadenheid. ‘Voel de woede van de wilden!’ brult hij naar Camnor, de hemel, de hele schemersmidse.
De tempel beeft wanneer Berlinden een beroep doet op de magie van zijn voorouders, alle kracht van de wilden die er ooit waren, in zich verzamelt. De energie van de Ketels achter Camnor dooft op slag. Alle bomen veranderen, als met een vermoeide, opgeluchte zucht, in vredige, groene wilgen. Ook op de plaats van Camnor zelf is een boom verschenen, een grote wilg, waarin nog vaag de trekken van het gezicht van de arboreaan te herkennen zijn, tot zwijgen gebracht, terug deel van de natuur. Bij zijn wortels ligt alleen nog de zeis. Peinzend raapt Berlinden hem op: dit wapen lijkt het symbool van het einde dat hij hier vandaag heeft gebracht.
Heel de tempel lijkt tot rust gekomen, in een stilte die
weldadig is. Berlinden loopt voorbij het altaar, naar het stille water
erachter, en knielt neer, om dit moment van vrede voor zichzelf te bewaren. Hij
merkt amper dat de naam van Camnor van zijn ribbenkast is verdwenen, en dat
zijn houtachtige linkerarm plaatsmaakt voor de illusie van een mensenarm in
harnas.
Varlock inmiddels heeft de beduusde beer stevig
vastgebonden. Wanneer Alíth hem fronsend vraagt wat hij in vredesnaam van plan
is met dat beest, vertelt de dwerg vastberaden dat hij van plan is om het te
temmen. Hij heeft het gevoel dat het een trouwe metgezel zou kunnen worden. Ze
geeft er niet al te veel commentaar op, en gaat verder op verkenning. Behalve
een voorraadkamer met vaten bloed, stille bewijzen van de cultus van de
arboreanen, blijkt de tempel echter werkelijk volledig gezuiverd. De beer wordt
voorlopig in de voorraadkamer opgesloten, zodat ze de rest van dit gebied
kunnen verkennen.
Wanneer ze de junglekamer opnieuw betreden, treffen ze
daar vijf arboreanen, die echter in de greep van bomen verstrikt zitten.
Angstig staren ze naar Berlinden die, zijn zeis in de hand, grimmig op hen
afkomt. ‘De oogster, de oogster!’ kunnen ze alleen nog angstig kreunen, voor
Berlinden, die stilletjes bij elke houw de naam van een gevallen broeder
prevelt, een eind aan hun bestaan maakt.
Wanneer ze door een volgend portaal stappen, komen ze
terecht in een ruimte die Vyrellis meteen thuisbrengt als de Grote Bibliotheek.
Een groot standbeeld van haar staat in het midden van de ruimte, waar Alítih
met verwondering en verlangen in rondkijkt: torenhoge kasten met boeken zijn
rondom en dwars door de ruimte opgesteld.
Al snel beseft ze echter dat er iets niet pluis is: de
boeken fluisteren angstig, en lijken in paniek. Heeft ze dit gevoel niet eerder
gehad? Twee wezens, die ze herkent van in de bibliotheek van vrouwe Padraig,
komen aangesneld, een van hen van tussen boekenkasten, een van hen op de
galerij boven de kasten. ‘Indringers!’ sissen ze woedend, ‘de kennis is van
ons!’
Varlock slingert meteen zijn bijl naar de voorste,
terwijl Alítih haar magisch vuur erop loslaat, en daarna snel naar de galerij
aan de overkant teleporteert. Berlinden is intussen omhooggeklommen, om de
tweede aanvaller met zijn zeis van de kast te hakken.
Op de begane grond heeft Varlock het niet makkelijk: van
tussen de kasten komen nog meer wezens aangestormd, en met hun hongerige magie
rukken ze aan zijn geest. Langzaam maar zeker raakt hij ingesloten en begint
zijn kracht het te begeven. Voor zijn ogen schemert een visioen…
Berlinden en Alítih schieten echter net op tijd te hulp
en weten de leider van de wezens op de vlucht te jagen. Hij rent naar een deur
waarachter hij duidelijk veilig hoopt te zijn, maar wordt neergehaald door een
woeste charge van Varlock. De dwerg struikelt echter pardoes de deur binnen,
waarboven een bordje met ‘Ariane Karavakos – meesteresse der kennis’ is
opgehangen.
Dat kan geen goed nieuws zijn.
‘Wie is daar?!’ klinkt een stem.
Even houdt iedereen zijn adem in. Ze zijn vermoeid van de
geleverde gevechten, en missen twee strijdmakkers. Een confrontatie met een
nieuw fragment van Kara’Vakasta kunnen ze nu echt niet aan. Wanneer twee
voidblades tevoorschijn komen, aarzelt de groep niet. Berlinden en Alítih
sleuren Varlock overeind en ze kiezen wijselijk het hazenpad. In de vlucht
grissen ze echter twee documenten uit de bibliotheek mee – alles wat hen kan
helpen om deze plek beter te begrijpen is welkom!
Na een wilde ren door portalen belandden ze opgelucht
terug in de grote hal. Hun kamers blijken een lichte verandering te hebben
ondergaan. Varlock treft in zijn vertrekken een hoopgevende toevoeging: een
ruimte waarin hij prima een groot en harig huisdier zou kunnen onderbrengen.
Berlinden loopt met een vleugje vrede in zijn hart tussen bomen die gezichten
hebben gekregen, vriendelijke herinneringen aan vrienden van weleer. En Alítih
staart gefrustreerd naar een prachtig bewerkte, ruime, uitnodigende, en lege
boekenkast. Twee snippers heeft ze uit de bibliotheek kunnen meenemen, en dat
lijkt lang niet genoeg:
Een uitgescheurde
pagina, op schors geschreven, vermeldt kort hoe sommige wilden en arboreanen
verlangen naar de vrijheid van de feywild, zelfs al zijn ze in de Schemersmidse
het leven geschonken. Een cryptische passage lijkt alter toegevoegd. Hierin wordt
gewag gemaakt van wedergeboorte door opoffering. Grauwe Zaden lijken een
centrale rol te spelen: de levenskracht van Wilden zit daarin vervat. Ingestie
door andere levensvormen is dodelijk.
Een ander werk
lijkt een biografie, geschreven in academische, geschiedkundige, oersaaie taal.
Het gaat over het opgroeien, de adolescentie en de ontdekking van kracht van
een eladrintovenares. Er staat dat ze de lange leercurve van magie wilde
omzeilen (de curve staat ook afgebeeld, met benoemde assen), te snel wilde
groeien, en daardoor ongelukken veroorzaakte. De precieze raming van de kosten
van de schade staat berekend.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten