zondag 22 oktober 2017

Hoofdstuk 34

Alítih deinst achteruit wanneer de enorme beer zich op haar wil werpen. Varlock springt meteen voor haar en dwingt de beer met zijn schild achteruit. De prins der dwergen aarzelt echter even, wanneer hij zijn bijl zwaait. Het beest heeft iets eerlijks en eenvoudigs. Kan hij het wel zomaar afslachten? Het gedraagt zich simpelweg zoals een goed huisdier zou doen…
Terwijl Varlock daarover nadenkt, veilig achter zijn schild, terwijl de beer naar hem klauwt, neemt Alítih de gelegenheid te baat om weg te teleporteren en haar macht bij die van Berlinden te voegen. De wilden is in een verwoed gevecht verwikkeld met het plantwezen, dat enorm veerkrachtig blijkt, en keer op keer weer overeind komt.
Camnor bespeurt dat Berlinden ongewenste hulp krijgt en vuurt een nieuw salvo giftige sporen op Alítih af. Meteen daarna roept hij twee gloeiende manden achter zich aan, die Alítih tot haar schrik herkent als Ketels van Grauwe Oogst! De tovenares schreeuwt een waarschuwing, en wankelt wanneer het gif haar bloed bereikt. Berlinden ziet het gevaar, maar wordt door het plantwezen op afstand gehouden. Varlock heeft zijn handen vol aan de beer.
Met een grote grijns stapt Camnor, zijn zeis geheven, vanachter zijn altaar, en belooft snoevend dat hij vandaag de laatste der wilden naar zijn broeders zal sturen.
Er breekt iets in Berlinden. De wilden schreeuwt het uit, zijn eenzaamheid en verdriet lijken een stem en tastbaarheid te krijgen. Zijn lichaam gloeit van magie en wilskracht, van gerechtvaardigde wraak en vastberadenheid. ‘Voel de woede van de wilden!’ brult hij naar Camnor, de hemel, de hele schemersmidse.
De tempel beeft wanneer Berlinden een beroep doet op de magie van zijn voorouders, alle kracht van de wilden die er ooit waren, in zich verzamelt. De energie van de Ketels achter Camnor dooft op slag. Alle bomen veranderen, als met een vermoeide, opgeluchte zucht, in vredige, groene wilgen. Ook op de plaats van Camnor zelf is een boom verschenen, een grote wilg, waarin nog vaag de trekken van het gezicht van de arboreaan te herkennen zijn, tot zwijgen gebracht, terug deel van de natuur. Bij zijn wortels ligt alleen nog de zeis. Peinzend raapt Berlinden hem op: dit wapen lijkt het symbool van het einde dat hij hier vandaag heeft gebracht.

Heel de tempel lijkt tot rust gekomen, in een stilte die weldadig is. Berlinden loopt voorbij het altaar, naar het stille water erachter, en knielt neer, om dit moment van vrede voor zichzelf te bewaren. Hij merkt amper dat de naam van Camnor van zijn ribbenkast is verdwenen, en dat zijn houtachtige linkerarm plaatsmaakt voor de illusie van een mensenarm in harnas.

Varlock inmiddels heeft de beduusde beer stevig vastgebonden. Wanneer Alíth hem fronsend vraagt wat hij in vredesnaam van plan is met dat beest, vertelt de dwerg vastberaden dat hij van plan is om het te temmen. Hij heeft het gevoel dat het een trouwe metgezel zou kunnen worden. Ze geeft er niet al te veel commentaar op, en gaat verder op verkenning. Behalve een voorraadkamer met vaten bloed, stille bewijzen van de cultus van de arboreanen, blijkt de tempel echter werkelijk volledig gezuiverd. De beer wordt voorlopig in de voorraadkamer opgesloten, zodat ze de rest van dit gebied kunnen verkennen.

Wanneer ze de junglekamer opnieuw betreden, treffen ze daar vijf arboreanen, die echter in de greep van bomen verstrikt zitten. Angstig staren ze naar Berlinden die, zijn zeis in de hand, grimmig op hen afkomt. ‘De oogster, de oogster!’ kunnen ze alleen nog angstig kreunen, voor Berlinden, die stilletjes bij elke houw de naam van een gevallen broeder prevelt, een eind aan hun bestaan maakt.

Wanneer ze door een volgend portaal stappen, komen ze terecht in een ruimte die Vyrellis meteen thuisbrengt als de Grote Bibliotheek. Een groot standbeeld van haar staat in het midden van de ruimte, waar Alítih met verwondering en verlangen in rondkijkt: torenhoge kasten met boeken zijn rondom en dwars door de ruimte opgesteld. 
Al snel beseft ze echter dat er iets niet pluis is: de boeken fluisteren angstig, en lijken in paniek. Heeft ze dit gevoel niet eerder gehad? Twee wezens, die ze herkent van in de bibliotheek van vrouwe Padraig, komen aangesneld, een van hen van tussen boekenkasten, een van hen op de galerij boven de kasten. ‘Indringers!’ sissen ze woedend, ‘de kennis is van ons!’
Varlock slingert meteen zijn bijl naar de voorste, terwijl Alítih haar magisch vuur erop loslaat, en daarna snel naar de galerij aan de overkant teleporteert. Berlinden is intussen omhooggeklommen, om de tweede aanvaller met zijn zeis van de kast te hakken. 
Op de begane grond heeft Varlock het niet makkelijk: van tussen de kasten komen nog meer wezens aangestormd, en met hun hongerige magie rukken ze aan zijn geest. Langzaam maar zeker raakt hij ingesloten en begint zijn kracht het te begeven. Voor zijn ogen schemert een visioen…
Berlinden en Alítih schieten echter net op tijd te hulp en weten de leider van de wezens op de vlucht te jagen. Hij rent naar een deur waarachter hij duidelijk veilig hoopt te zijn, maar wordt neergehaald door een woeste charge van Varlock. De dwerg struikelt echter pardoes de deur binnen, waarboven een bordje met ‘Ariane Karavakos – meesteresse der kennis’ is opgehangen. 
Dat kan geen goed nieuws zijn.
‘Wie is daar?!’ klinkt een stem.
Even houdt iedereen zijn adem in. Ze zijn vermoeid van de geleverde gevechten, en missen twee strijdmakkers. Een confrontatie met een nieuw fragment van Kara’Vakasta kunnen ze nu echt niet aan. Wanneer twee voidblades tevoorschijn komen, aarzelt de groep niet. Berlinden en Alítih sleuren Varlock overeind en ze kiezen wijselijk het hazenpad. In de vlucht grissen ze echter twee documenten uit de bibliotheek mee – alles wat hen kan helpen om deze plek beter te begrijpen is welkom!

Na een wilde ren door portalen belandden ze opgelucht terug in de grote hal. Hun kamers blijken een lichte verandering te hebben ondergaan. Varlock treft in zijn vertrekken een hoopgevende toevoeging: een ruimte waarin hij prima een groot en harig huisdier zou kunnen onderbrengen. Berlinden loopt met een vleugje vrede in zijn hart tussen bomen die gezichten hebben gekregen, vriendelijke herinneringen aan vrienden van weleer. En Alítih staart gefrustreerd naar een prachtig bewerkte, ruime, uitnodigende, en lege boekenkast. Twee snippers heeft ze uit de bibliotheek kunnen meenemen, en dat lijkt lang niet genoeg:

Een uitgescheurde pagina, op schors geschreven, vermeldt kort hoe sommige wilden en arboreanen verlangen naar de vrijheid van de feywild, zelfs al zijn ze in de Schemersmidse het leven geschonken. Een cryptische passage lijkt alter toegevoegd. Hierin wordt gewag gemaakt van wedergeboorte door opoffering. Grauwe Zaden lijken een centrale rol te spelen: de levenskracht van Wilden zit daarin vervat. Ingestie door andere levensvormen is dodelijk. 

Een ander werk lijkt een biografie, geschreven in academische, geschiedkundige, oersaaie taal. Het gaat over het opgroeien, de adolescentie en de ontdekking van kracht van een eladrintovenares. Er staat dat ze de lange leercurve van magie wilde omzeilen (de curve staat ook afgebeeld, met benoemde assen), te snel wilde groeien, en daardoor ongelukken veroorzaakte. De precieze raming van de kosten van de schade staat berekend.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten