Behoedzaam trekt de groep verder richting het omineuze gesis.
Ze komen terecht bij een grote, langgerekte kamer, die
bestaat uit kuilen vol slangen, afgewisseld met smalle overloopjes. Aan de
andere kant zien ze twee cultisten met hun slangen, die prevelend zitten te
bidden bij een grote poort. Erg verwelkomend is het niet bepaald, maar de naald
van het kompas wijst onverbiddelijk naar de overkant: als ze Halci willen
vinden, zullen ze de oversteek moeten wagen.
Sommigen in de groep hebben er een hard hoofd in of ze wel
over die kuilen heen zullen raken. Varlock ziet er echter geen problemen in
wanneer Chiara en Nazhaar suggereren dat ze hem wel een zetje zullen geven. De
dwerg wordt gelanceerd en landt stevig op zijn voeten op het eerste overloopje.
Nazhaar neemt een aanloopje en volgt met een forse sprong zijn voorbeeld. Wanneer
Chiara hun voorbeeld wil volgen, laat ze zich afleiden door de sissende
serpenten en landt middenin de slangenkuil. Ook Alítih weet de overkant niet te
halen, en de twee moeten zich een weg banen door de happende slangen. Fáelán
lost het handiger op: Nazhaar en Varlock houden een touw strak dat hij aan zijn
kant heeft vastgebonden, en hand over hand klimt hij langs het touw langzaam
maar zeker naar de overkant.
De cultisten hebben intussen in de gaten gekregen dat er
iets gaande is, en nemen hun maatregelen. Ze grijpen in de geopende muilen van
gebeeldhouwde slangen op de poort en een grote kop bovenaan de poort opent zich
om gigantische pijlen op de groep af te schieten. Varlock duikt ineen achter
zijn schild en trekt Alítih met zekere greep snel omhoog. Chiara staat intussen
ongeduldig te springen omdat Nazhaar niet snel genoeg naar haar zin is. “Moment
schatje, ik sta hier niet te niksen met dat touw,” gromt de grote drakenman,
terwijl hij een pijl ontwijkt, het touw met een zeemansknoop vastmaakt en
vervolgens eindelijk de belaagde halfelf uit de slangenkuil trekt.
Bestookt door aanvliegende pijlen moeten de avonturiers de
volgende slangenkuil oversteken. Varlock en Nazhaar zijn weer de voorhoede en
nemen meteen een nieuw touw met zich mee, zodat de rest hopelijk vlot kan
oversteken. Fáelán probeert nogmaals naar de overkant te klimmen, maar zijn
handen glijden weg. Hij kan nog net op tijd opzij tasten naar een ijzeren ring
in het plafond en blijft in een penibele positie achter, bungelend boven de
kuil vol krioelende beesten.
Chiara neemt de situatie in ogenschouw en besluit de sprong
toch maar te wagen. Ze landt soepel aan de overkant en neemt het touw over van
Nazhaar en Varlock, die aan weerskanten van het overloopje twee hendels ontdekt
hebben. Ze trekken eraan, ondanks de giftige invloed die het giftige gesteente
bij de eerste aanraking op hen uitoefent. Hun hoop, dat er een soort brug naar
de overkant zal verschijnen, wordt helaas niet bewaarheid – er gaan alleen twee
nieuwe koppen open op de grote poort.
Alítih vreest dat dit niet veel goeds voorspelt en
teleporteert zichzelf naar de overkant. Haar magische vermogen reikt echter net
niet ver genoeg en ze weet maar net de rand van de brug vast te grijpen.
Nazhaar snelt toe, maar glijdt uit terwijl hij haar omhoog wil trekken, en
dondert achteruit de volgende slangenkuil in.
Chiara kan alleen maar zuchten over zoveel incompetentie en
zwiept kordaat het touw Fáeláns richting uit, die het gelukkig weer te pakken
weet te krijgen. Hij klimt naar de overkant, terwijl Nazhaar omhoog wordt
getrokken.
Het randje waarop ze nu staan is ontzettend smal. Er is geen
enkele ruimte om een aanloop te nemen… het schijnt onmogelijk de overkant te
halen. Ze worden echter nog steeds door de balista bestookt, en Chiara begrijpt
dat er niet veel tijd is om erover na te denken. Ze lanceert zichzelf met alle
kracht die ze in zichzelf kan vinden en weet met een onmogelijk lijkende sprong
net de overkant te halen – zij het dat ze maar net de rand te pakken kan
krijgen en nu boven de slangen bungelt. De cultisten bestoken haar vingers
onmiddellijk met messen, maar missen hun kleine doelwitten. Chiara hijst
zichzelf met een lenige buiteling op de rand en trekt in één vloeiende beweging
haar boog en pijlen tevoorschijn. Met een welgemikt schot legt ze meteen één
van de cultisten neer.
Haar kameraden doen inmiddels hun best om haar te komen
bijstaan. Nazhaar en Varlock springen zonder aarzelen de kuil in en ploegen
door de slangen tot bij haar. Fáelán probeert het nog een keer langs het touw
dat Chiara heeft meegenomen, maar springt uiteindelijk ook maar de kuil in, bang
dat het gevecht anders afgelopen zal zijn voor hij er is.
Chiara wisselt inmiddels af tussen pijlen afvuren en het
touw strak houden voor Alítih. De tovenares lijkt nogal nerveus in deze
situatie en slaagt er maar niet in de klim goed aan te vangen. Chiara schiet
met twee razendsnel opeenvolgende pijlen de tweede cultist en één van de
slangen neer. Nu ze gerust is dat er geen pijlen meer haar kant zullen opkomen,
wendt ze zich tot Alítih om haar krachtig uiteen te zetten hoe men het best
langs een touw voortbeweegt. De coaching heeft het gewenste resultaat en al
gauw staat de tovenares naast haar.
Nazhaar is inmiddels naar de poort toe gesprongen. Hij
krijgt meteen een wolk gif in zijn gezicht geblazen die hem verblindt, maar de
drakenman haalt niettemin trefzeker uit en hakt de overblijvende slang zonder
verpinken de kop af.
Wanneer iedereen hem vervoegd heeft, gaan ze nader op
onderzoek uit. De twee nieuw geopende slangenkoppen blijken weer groen
glanzende hendels te bevatten.
Wanneer na enige aarzeling Nazhaar en Fáelán
zichzelf aanbieden om de giftige instrumenten te bedienen, opent zich bovenaan
de poort een slangenmuil. Die spuwt een langgerekt metalen koord, dat zich als
een metalen hangbrug naar de overkant slingert, doorheen de ijzeren ringen aan
het plafond.
De weg terug is een stuk makkelijker geworden… maar ze
hebben nog steeds hun doel niet bereikt. Waar is Halci?
De poort blijkt makkelijk open te gaan en geeft toegang tot
een kronkelende gang. Chiara gaat bij een bocht op voorverkenning uit, en komt
algauw terug met de melding dat ze hun doel bereikt hebben: in de volgende
kamer bevindt zich kruidenvrouw Halci, die ze kwamen zoeken. Ze is echter een
gevangene, vastgebonden tussen twee hopen krioelende slangen.
Dat is nog niet alles: aan weerszijden van de kamer zijn
gemummificeerde gestalten op sarcofagen opgesteld. Ze zijn momenteel
bewegingloos, maar Chiara vertrouwt het niet helemaal. De wezens zijn immers
duidelijk geen mensen, te zien aan hun slangenkoppen.
De groep gaat voorzichtig verder en ziet een bewusteloze
Halci in een dreigend stille kamer. Achter Halci is echter een onaards licht te
zien: een grote ketel, die ze herkennen uit Halci’s tekening, zweeft boven een
kuil in de grond. De mummies wijzen gebiedend naar de grond, met een gouden
ring om hun wijsvinger. Alítih herkent hen als Yuan-Ti: wezens die lang geleden
een groots, kwaadaardig keizerrijk beheersten en nu nog door medusa’s aanbeden
worden.
Dan klinkt er ineens een mysterieuze stem van bij de
zwevende ketel: “De Ketel van Grauwe Oogst eist een levend offer…”
Alítih besluit om haar vriendin te gaan bevrijden. De rest
houdt inmiddels de mummies nauwkeurig in de gaten. Terwijl ze hakt en zaagt in
het touw, kronkelen de slangen naar haar toe en slaan hun tanden in haar benen.
Nazhaar snelt toe en hakt op de hoop in, maar de reptielen zijn met zoveel dat
ze als water van zijn bijl lijken te glijden. Zowel hij als Alítih worden een
ogenblik later door een donderende explosie achteruit geworpen: uit de
slangenhopen zijn twee cultisten vol tatoeages opgedoken die hun vernietigende
magie op hen loslaten. Ook Chiara en Fáelán worden bestookt, met
bliksemschichten die de ridder echter wendbaar ontwijkt.
Uit de ketel lijkt een gulp magie te springen en de hele
kamer begint te beven.
Alítih weet struikelend overeind te blijven en laat een stroom van vuur op één van de cultisten los, terwijl Varlock hem verwoed aanvalt voor hij van de verrassing is bekomen. “Laten we de ketel een offer geven om de boel te kalmeren!”, oppert hij, duidelijk doelend op de cultist die hij met zijn hamer aan het bewerken is.
Alítih weet struikelend overeind te blijven en laat een stroom van vuur op één van de cultisten los, terwijl Varlock hem verwoed aanvalt voor hij van de verrassing is bekomen. “Laten we de ketel een offer geven om de boel te kalmeren!”, oppert hij, duidelijk doelend op de cultist die hij met zijn hamer aan het bewerken is.
Nazhaar volgt meteen Varlocks suggestie en probeert de
cultist te grijpen om hem in de ketel te slingeren, in de hoop die zo tot
bedaren te brengen. De cultist kronkelt echter weg uit zijn greep en lacht
sinister terwijl het hele complex schudt en davert. “Jullie worden hier
begraven!”, belooft hij, voor hij Nazhaar met een nieuwe donderklap naar
achteren gooit. Daarna trekt hij een toverstafje en bestookt Fáelán met
magische projectielen. Chiara geeft hem meteen een koekje van eigen deeg en
laat het pijlen op hem regenen.
Varlock heeft zich inmiddels op de tweede cultist gestort,
die hij met zijn schild op de grond smakt, vastbesloten iémand in de ketel te
zwieren. Alítih herinnert zich op dat moment met bijna bovennatuurlijke
helderheid de beschrijving van de dorpspriester… “een ketel die gebruikt wordt
om fey-magie te kanaliseren zodat er ondoden geschapen kunnen worden” en wordt
bevangen door angst als ze beseft wat er bijna was gebeurd. Ze schreeuwt meteen
een waarschuwing naar haar makkers: door de ketel te geven wat die vraagt, zou
hun situatie alleen maar erger worden!
Fáelán stort zich op de neergevallen cultist, maar wordt
meteen door een energieklap geraakt. De kamer is steeds harder gaan trillen en
er komt nu ook gesteente naar beneden – vallend puin treft de ridder en hij
moet dekking zoeken. Overal in de kamer regent het gesteente… behalve in de
gloeiende cirkel om de ketel.
Alítih en Varlock weten de twee cultisten fatale klappen toe
te brengen, maar beseffen dat de situatie bijzonder penibel is geworden: de weg
waarlangs ze in deze kamer zijn gekomen, is afgesloten. Nazhaar heeft inmiddels
Halci losgemaakt. Die prevelt enkel zwakjes: “Zijn er nog ringen…?”
Het is meteen duidelijk dat ze op de ringen aan de handen
van de mummies doelt. De groep is nog altijd een beetje huiverachtig om de
mummies te verstoren, maar wanneer Chiara door een volgend stuk puin wordt
geraakt, is duidelijk dat er niet veel tijd meer is om te aarzelen. Alítih
besluit haar vriendin te vertrouwen, springt naar een mummie, grijpt een ring,
steekt die aan haar vinger… en verdwijnt zonder een spoor na te laten.
Nazhaar volgt zonder aarzelen haar voorbeeld, maar draalt
even met de ring in zijn vinger. Zal Halci achterblijven wanneer hij die aan
zijn eigen vinger steekt? Even lijkt de drakenman met zichzelf te strijden, dan
steekt hij de ring aan de vinger van de bewusteloze vrouw over zijn schouder…
een tel later staat alleen Nazhaar nog in de trillende grot.
Fáelán heeft inmiddels de rekensom al gemaakt: er zijn nog
vier personen en nog twee ringen. “Grijp de ringen!”, roept hij moedig. “Gaan
jullie maar.” Chiara laat het zich geen twee keer zeggen, grist een ring van
een gemummificeerde vinger en verdwijnt, hopelijk richting een veiliger
locatie.
Fáelán blijft niet dralen, maar stormt richting zijn enige mogelijke
redding. Hij neemt een sprong en werpt zichzelf in de kuil, terwijl een vage
fluistering over zijn zenuwen spoelt: “… dood achtervolgt je…” Varlock lijkt
meer vertrouwen te hebben in de wapenmakker die hem van zijn kater verloste,
dan in de overblijvende ring. De dwerg rent de ridder achterna en springt in
het gat terwijl een vaag gelach in zijn oren klinkt.
Nazhaar is als enige overgebleven en weet dat hij snel een
keuze moet maken, wil hij niet begraven worden onder het puin. In een halve
seconde neemt hij zijn beslissing, springt naar de overblijvende mummie en
grijpt de laatste ring. Een ogenblik later wordt de kamer gevuld met puin… maar
de drakenman is al verdwenen, richting een onzekere bestemming.
Inmiddels storten Varlock en Fáelán richting een onzekere
diepte. Varlock hoort Faélán onder zich schreeuwen en steekt meteen armen en
benen uit om zijn val te vertragen. De dwerg ziet schachten en tunnels niet
voor het eerst, dus weet al gauw de structuur van de schacht te benutten om
zichzelf in een wat meer gecontroleerde valbeweging te brengen.
Fáelán daarentegen valt in zijn harnas als een baksteen naar
beneden. Terwijl zijn vingers vruchteloos naar greep zoeken, richt hij een
vurig gebed tot Melora om hulp in deze uiterst precaire situatie. Het volgende
moment voelt hij een magische trilling om zich heen. Schaduwachtige raven
fladderen op en hij voelt zich gesterkt en verhelderd. Terwijl hij de bodem op
zich af ziet schieten, kan hij zich nog net aan enkele uitsteeksels vastgrijpen
en zo zijn val voldoende afremmen om zich nog in een net iets gunstiger positie
te kunnen draaien. Maar de schacht was nog steeds bijzonder diep… Met een
keiharde klap landt de ridder op de bodem van de kuil.
Twee tellen later landt Varlock, deerlijk gewond maar nog
net in leven, naast hem. Hij strekt een bebloede hand naar zijn kameraad uit,
en constateert opgelucht dat die nog ademhaalt. Nét. Hij probeert de kracht te
verzamelen om de ridder enige zorg toe te dienen, maar slaagt er ternauwernood
in zichzelf overeind te hijsen…
Geen opmerkingen:
Een reactie posten