donderdag 4 februari 2016

Hoofdstuk 6

Behoedzaam trekt de groep verder richting het omineuze gesis. 

Ze komen terecht bij een grote, langgerekte kamer, die bestaat uit kuilen vol slangen, afgewisseld met smalle overloopjes. Aan de andere kant zien ze twee cultisten met hun slangen, die prevelend zitten te bidden bij een grote poort. Erg verwelkomend is het niet bepaald, maar de naald van het kompas wijst onverbiddelijk naar de overkant: als ze Halci willen vinden, zullen ze de oversteek moeten wagen.
Sommigen in de groep hebben er een hard hoofd in of ze wel over die kuilen heen zullen raken. Varlock ziet er echter geen problemen in wanneer Chiara en Nazhaar suggereren dat ze hem wel een zetje zullen geven. De dwerg wordt gelanceerd en landt stevig op zijn voeten op het eerste overloopje. Nazhaar neemt een aanloopje en volgt met een forse sprong zijn voorbeeld. Wanneer Chiara hun voorbeeld wil volgen, laat ze zich afleiden door de sissende serpenten en landt middenin de slangenkuil. Ook Alítih weet de overkant niet te halen, en de twee moeten zich een weg banen door de happende slangen. Fáelán lost het handiger op: Nazhaar en Varlock houden een touw strak dat hij aan zijn kant heeft vastgebonden, en hand over hand klimt hij langs het touw langzaam maar zeker naar de overkant.
De cultisten hebben intussen in de gaten gekregen dat er iets gaande is, en nemen hun maatregelen. Ze grijpen in de geopende muilen van gebeeldhouwde slangen op de poort en een grote kop bovenaan de poort opent zich om gigantische pijlen op de groep af te schieten. Varlock duikt ineen achter zijn schild en trekt Alítih met zekere greep snel omhoog. Chiara staat intussen ongeduldig te springen omdat Nazhaar niet snel genoeg naar haar zin is. “Moment schatje, ik sta hier niet te niksen met dat touw,” gromt de grote drakenman, terwijl hij een pijl ontwijkt, het touw met een zeemansknoop vastmaakt en vervolgens eindelijk de belaagde halfelf uit de slangenkuil trekt.
Bestookt door aanvliegende pijlen moeten de avonturiers de volgende slangenkuil oversteken. Varlock en Nazhaar zijn weer de voorhoede en nemen meteen een nieuw touw met zich mee, zodat de rest hopelijk vlot kan oversteken. Fáelán probeert nogmaals naar de overkant te klimmen, maar zijn handen glijden weg. Hij kan nog net op tijd opzij tasten naar een ijzeren ring in het plafond en blijft in een penibele positie achter, bungelend boven de kuil vol krioelende beesten.
Chiara neemt de situatie in ogenschouw en besluit de sprong toch maar te wagen. Ze landt soepel aan de overkant en neemt het touw over van Nazhaar en Varlock, die aan weerskanten van het overloopje twee hendels ontdekt hebben. Ze trekken eraan, ondanks de giftige invloed die het giftige gesteente bij de eerste aanraking op hen uitoefent. Hun hoop, dat er een soort brug naar de overkant zal verschijnen, wordt helaas niet bewaarheid – er gaan alleen twee nieuwe koppen open op de grote poort.
Alítih vreest dat dit niet veel goeds voorspelt en teleporteert zichzelf naar de overkant. Haar magische vermogen reikt echter net niet ver genoeg en ze weet maar net de rand van de brug vast te grijpen. Nazhaar snelt toe, maar glijdt uit terwijl hij haar omhoog wil trekken, en dondert achteruit de volgende slangenkuil in.
Chiara kan alleen maar zuchten over zoveel incompetentie en zwiept kordaat het touw Fáeláns richting uit, die het gelukkig weer te pakken weet te krijgen. Hij klimt naar de overkant, terwijl Nazhaar omhoog wordt getrokken.
Het randje waarop ze nu staan is ontzettend smal. Er is geen enkele ruimte om een aanloop te nemen… het schijnt onmogelijk de overkant te halen. Ze worden echter nog steeds door de balista bestookt, en Chiara begrijpt dat er niet veel tijd is om erover na te denken. Ze lanceert zichzelf met alle kracht die ze in zichzelf kan vinden en weet met een onmogelijk lijkende sprong net de overkant te halen – zij het dat ze maar net de rand te pakken kan krijgen en nu boven de slangen bungelt. De cultisten bestoken haar vingers onmiddellijk met messen, maar missen hun kleine doelwitten. Chiara hijst zichzelf met een lenige buiteling op de rand en trekt in één vloeiende beweging haar boog en pijlen tevoorschijn. Met een welgemikt schot legt ze meteen één van de cultisten neer.
Haar kameraden doen inmiddels hun best om haar te komen bijstaan. Nazhaar en Varlock springen zonder aarzelen de kuil in en ploegen door de slangen tot bij haar. Fáelán probeert het nog een keer langs het touw dat Chiara heeft meegenomen, maar springt uiteindelijk ook maar de kuil in, bang dat het gevecht anders afgelopen zal zijn voor hij er is.
Chiara wisselt inmiddels af tussen pijlen afvuren en het touw strak houden voor Alítih. De tovenares lijkt nogal nerveus in deze situatie en slaagt er maar niet in de klim goed aan te vangen. Chiara schiet met twee razendsnel opeenvolgende pijlen de tweede cultist en één van de slangen neer. Nu ze gerust is dat er geen pijlen meer haar kant zullen opkomen, wendt ze zich tot Alítih om haar krachtig uiteen te zetten hoe men het best langs een touw voortbeweegt. De coaching heeft het gewenste resultaat en al gauw staat de tovenares naast haar.
Nazhaar is inmiddels naar de poort toe gesprongen. Hij krijgt meteen een wolk gif in zijn gezicht geblazen die hem verblindt, maar de drakenman haalt niettemin trefzeker uit en hakt de overblijvende slang zonder verpinken de kop af.

Wanneer iedereen hem vervoegd heeft, gaan ze nader op onderzoek uit. De twee nieuw geopende slangenkoppen blijken weer groen glanzende hendels te bevatten. 
Wanneer na enige aarzeling Nazhaar en Fáelán zichzelf aanbieden om de giftige instrumenten te bedienen, opent zich bovenaan de poort een slangenmuil. Die spuwt een langgerekt metalen koord, dat zich als een metalen hangbrug naar de overkant slingert, doorheen de ijzeren ringen aan het plafond.
De weg terug is een stuk makkelijker geworden… maar ze hebben nog steeds hun doel niet bereikt. Waar is Halci?

De poort blijkt makkelijk open te gaan en geeft toegang tot een kronkelende gang. Chiara gaat bij een bocht op voorverkenning uit, en komt algauw terug met de melding dat ze hun doel bereikt hebben: in de volgende kamer bevindt zich kruidenvrouw Halci, die ze kwamen zoeken. Ze is echter een gevangene, vastgebonden tussen twee hopen krioelende slangen.
Dat is nog niet alles: aan weerszijden van de kamer zijn gemummificeerde gestalten op sarcofagen opgesteld. Ze zijn momenteel bewegingloos, maar Chiara vertrouwt het niet helemaal. De wezens zijn immers duidelijk geen mensen, te zien aan hun slangenkoppen.
De groep gaat voorzichtig verder en ziet een bewusteloze Halci in een dreigend stille kamer. Achter Halci is echter een onaards licht te zien: een grote ketel, die ze herkennen uit Halci’s tekening, zweeft boven een kuil in de grond. De mummies wijzen gebiedend naar de grond, met een gouden ring om hun wijsvinger. Alítih herkent hen als Yuan-Ti: wezens die lang geleden een groots, kwaadaardig keizerrijk beheersten en nu nog door medusa’s aanbeden worden.
Dan klinkt er ineens een mysterieuze stem van bij de zwevende ketel: “De Ketel van Grauwe Oogst eist een levend offer…”
Alítih besluit om haar vriendin te gaan bevrijden. De rest houdt inmiddels de mummies nauwkeurig in de gaten. Terwijl ze hakt en zaagt in het touw, kronkelen de slangen naar haar toe en slaan hun tanden in haar benen. Nazhaar snelt toe en hakt op de hoop in, maar de reptielen zijn met zoveel dat ze als water van zijn bijl lijken te glijden. Zowel hij als Alítih worden een ogenblik later door een donderende explosie achteruit geworpen: uit de slangenhopen zijn twee cultisten vol tatoeages opgedoken die hun vernietigende magie op hen loslaten. Ook Chiara en Fáelán worden bestookt, met bliksemschichten die de ridder echter wendbaar ontwijkt.
Uit de ketel lijkt een gulp magie te springen en de hele kamer begint te beven. 
Alítih weet struikelend overeind te blijven en laat een stroom van vuur op één van de cultisten los, terwijl Varlock hem verwoed aanvalt voor hij van de verrassing is bekomen. “Laten we de ketel een offer geven om de boel te kalmeren!”, oppert hij, duidelijk doelend op de cultist die hij met zijn hamer aan het bewerken is.
Nazhaar volgt meteen Varlocks suggestie en probeert de cultist te grijpen om hem in de ketel te slingeren, in de hoop die zo tot bedaren te brengen. De cultist kronkelt echter weg uit zijn greep en lacht sinister terwijl het hele complex schudt en davert. “Jullie worden hier begraven!”, belooft hij, voor hij Nazhaar met een nieuwe donderklap naar achteren gooit. Daarna trekt hij een toverstafje en bestookt Fáelán met magische projectielen. Chiara geeft hem meteen een koekje van eigen deeg en laat het pijlen op hem regenen.
Varlock heeft zich inmiddels op de tweede cultist gestort, die hij met zijn schild op de grond smakt, vastbesloten iémand in de ketel te zwieren. Alítih herinnert zich op dat moment met bijna bovennatuurlijke helderheid de beschrijving van de dorpspriester… “een ketel die gebruikt wordt om fey-magie te kanaliseren zodat er ondoden geschapen kunnen worden” en wordt bevangen door angst als ze beseft wat er bijna was gebeurd. Ze schreeuwt meteen een waarschuwing naar haar makkers: door de ketel te geven wat die vraagt, zou hun situatie alleen maar erger worden!
Fáelán stort zich op de neergevallen cultist, maar wordt meteen door een energieklap geraakt. De kamer is steeds harder gaan trillen en er komt nu ook gesteente naar beneden – vallend puin treft de ridder en hij moet dekking zoeken. Overal in de kamer regent het gesteente… behalve in de gloeiende cirkel om de ketel.
Alítih en Varlock weten de twee cultisten fatale klappen toe te brengen, maar beseffen dat de situatie bijzonder penibel is geworden: de weg waarlangs ze in deze kamer zijn gekomen, is afgesloten. Nazhaar heeft inmiddels Halci losgemaakt. Die prevelt enkel zwakjes: “Zijn er nog ringen…?”
Het is meteen duidelijk dat ze op de ringen aan de handen van de mummies doelt. De groep is nog altijd een beetje huiverachtig om de mummies te verstoren, maar wanneer Chiara door een volgend stuk puin wordt geraakt, is duidelijk dat er niet veel tijd meer is om te aarzelen. Alítih besluit haar vriendin te vertrouwen, springt naar een mummie, grijpt een ring, steekt die aan haar vinger… en verdwijnt zonder een spoor na te laten.
Nazhaar volgt zonder aarzelen haar voorbeeld, maar draalt even met de ring in zijn vinger. Zal Halci achterblijven wanneer hij die aan zijn eigen vinger steekt? Even lijkt de drakenman met zichzelf te strijden, dan steekt hij de ring aan de vinger van de bewusteloze vrouw over zijn schouder… een tel later staat alleen Nazhaar nog in de trillende grot.
Fáelán heeft inmiddels de rekensom al gemaakt: er zijn nog vier personen en nog twee ringen. “Grijp de ringen!”, roept hij moedig. “Gaan jullie maar.” Chiara laat het zich geen twee keer zeggen, grist een ring van een gemummificeerde vinger en verdwijnt, hopelijk richting een veiliger locatie. 
Fáelán blijft niet dralen, maar stormt richting zijn enige mogelijke redding. Hij neemt een sprong en werpt zichzelf in de kuil, terwijl een vage fluistering over zijn zenuwen spoelt: “… dood achtervolgt je…” Varlock lijkt meer vertrouwen te hebben in de wapenmakker die hem van zijn kater verloste, dan in de overblijvende ring. De dwerg rent de ridder achterna en springt in het gat terwijl een vaag gelach in zijn oren klinkt.
Nazhaar is als enige overgebleven en weet dat hij snel een keuze moet maken, wil hij niet begraven worden onder het puin. In een halve seconde neemt hij zijn beslissing, springt naar de overblijvende mummie en grijpt de laatste ring. Een ogenblik later wordt de kamer gevuld met puin… maar de drakenman is al verdwenen, richting een onzekere bestemming.

Inmiddels storten Varlock en Fáelán richting een onzekere diepte. Varlock hoort Faélán onder zich schreeuwen en steekt meteen armen en benen uit om zijn val te vertragen. De dwerg ziet schachten en tunnels niet voor het eerst, dus weet al gauw de structuur van de schacht te benutten om zichzelf in een wat meer gecontroleerde valbeweging te brengen.
Fáelán daarentegen valt in zijn harnas als een baksteen naar beneden. Terwijl zijn vingers vruchteloos naar greep zoeken, richt hij een vurig gebed tot Melora om hulp in deze uiterst precaire situatie. Het volgende moment voelt hij een magische trilling om zich heen. Schaduwachtige raven fladderen op en hij voelt zich gesterkt en verhelderd. Terwijl hij de bodem op zich af ziet schieten, kan hij zich nog net aan enkele uitsteeksels vastgrijpen en zo zijn val voldoende afremmen om zich nog in een net iets gunstiger positie te kunnen draaien. Maar de schacht was nog steeds bijzonder diep… Met een keiharde klap landt de ridder op de bodem van de kuil.
Twee tellen later landt Varlock, deerlijk gewond maar nog net in leven, naast hem. Hij strekt een bebloede hand naar zijn kameraad uit, en constateert opgelucht dat die nog ademhaalt. Nét. Hij probeert de kracht te verzamelen om de ridder enige zorg toe te dienen, maar slaagt er ternauwernood in zichzelf overeind te hijsen…

Geen opmerkingen:

Een reactie posten