vrijdag 15 januari 2016

Hoofdstuk 5

Chiara, Sofaya, Radam, 

Dat jullie deze brief vinden betekent dat mijn verleden mij heeft ingehaald. Ooit was ik in dienst van het Dragovar-keizerrijk. Ik diende de Shan Qabal, een sekte die zich heeft afgescheurd van de arcane kaste. Wat ik voor hen deed beschaamde me diep. De sekte deinst voor niets terug als het gaat over het vergaren van oude, verboden magische kracht. Daar zijn jullie slachtoffer van. Vertrouw ze niet! 

Ik ontvoerde jullie en voer weg met de Morgen. We leden schipbreuk, maar ik kon toch nog drie van jullie redden. 

Jullie zijn niet alleen. De Stormwoede, een tweede schip, is veilig aangekomen op zijn bestemming, ook met 5 kinderen aan boord. Het spijt me dat ik jullie die bestemming niet kan meedelen, ik weet niet wie deze brief nog leest. 

Voor Radam laat ik mijn kompas na. Dat je mag vinden wie je zoekt. 

Voor Sofaya laat ik mijn verrekijker na. Dat je dichter bij de horizon mag komen. 

Voor Chiara laat ik de Morgenstond na, voor zover die te geven is. Ze mo -


De inhoud van de brief blijft in Chiara’s hoofd spoken, terwijl ze de autoriteiten op de hoogte stelt van de dood van Erano Stern en een waardige zeemansbegrafenis voor hem regelt. Wanneer de brandende sloep met het lichaam uit het zicht is verdwenen, tracht ze Radam zijn erfstuk te overhandigen. De halfelf is echter te ondersteboven van het gebeuren om iets anders te doen dan Chiara te smeken Sofaya te vinden met het kompas. Ze is sinds ze voor Taazhon moest vluchten, vermist.
Waterzooi lijkt onderhand vergeven van de mysteries. Chiara zet wat ze weet over de dood van Erano op een rijtje, maar het is niet veel: hij is gedood door iets dat geen wapens gebruikte, maar ook geen klauwen of tanden heeft – de wonden stemmen met geen enkel beest dat ze kent overeen. In het huis waren geen sporen van inbraak, en Alítih kon op het lichaam geen magisch residu ontdekken. 

In haar nieuwe eigendom, herberg ‘De Morgenstond’, bespreekt Chiara de zaak met haar vrienden. Nazhaar wijst op de synchroniciteit die ook haar al opviel: het is vreemd dat in één nacht tijd Halci verdween, Sofaya vermist raakte en Erano Stern vermoord werd.
Alítih toont zich het meest bezorgd over Halci: van Sofaya weten ze dat ze het woud is ingevlucht, wie weet houdt zij zich eenvoudigweg verborgen. Bij Halci’s huis was echter duidelijk sprake van inbraaksporen, om nog maar te zwijgen van de onrustbarende aantekeningen en de afbeelding in het dagboek. De priester vertelde haar dat de afgebeelde ketel in het dagboek in zijn geschriften beschreven werd als deel van een ritueel dat de energie van de feeëndimensie verzamelde om ondoden te creëren. Alítih, wiens afkomst en magie nauw met deze dimensie verstrengeld zijn, gruwelt van een dergelijke constructie en ziet een reden te meer om Halci op te sporen.
Fáelán tekent echter hevig verzet aan tegen het idee om de Slangenheuvel te gaan betreden, hij heeft helemaal geen zin in een confrontatie met Khesh. Het ziet er inderdaad naar uit dat dit de plek is waar ze Halci terug zullen vinden: vrouwe Padraig bevestigde dat dit de locatie is waar ooit de mijn met venomiet lag op Khesh. Ze herhaalde echter eveneens dat deze heuvel een deel van het verboden gebied van Khesh is. En de draak is de laatste tijd bijzonder paranoïde, dus het is niet aangewezen haar te ontstemmen.
Terwijl Alítih de rest ervan probeert te overtuigen dat een reddingsoperatie niettemin echt nodig is, worden ze onderbroken door een kreunende figuur, die de herberg komt binnenstommelen. Hij valt neer op een stoel met zijn hoofd in zijn handen en lijkt amper te weten waar hij is. Fáelán verlaat tot Alítihs ergernis het gesprek en snelt te hulp. Na korte tijd kan hij vaststellen dat de nieuwkomer aan niks anders dan een gigantische kater lijdt. Nadat hij hem enige versterkende middeltjes heeft toegediend, kan hij op zijn minst zijn naam vertellen: Varlock, een dwergenkrijger die helemaal niet had verwacht op Khesh te zijn. Desgevraagd kan hij zich absoluut niet herinneren hoe hij hier is beland, daarvoor is hij nog te beneveld, al dankt hij Fáelán hartelijk voor het verdrijven van zijn bonkende hoofdpijn.
Fáelán aanvaardt deze onvermoede bondgenoot als een signaal van Melora: het is duidelijk dat hij steun moet verlenen aan de redding van Halci. Hij ronselt Varlock dan ook meteen voor deze missie en die laat zich – nadat hem beloofd is dat hij een eerlijk aandeel in eventuele verdiensten zal krijgen – mee op sleeptouw nemen. Hij heeft toch niks beters te doen totdat hij heeft uitgevogeld wat hij in vredesnaam op Khesh doet.

Met de hulp van het kompas, dat hen na het noemen van de naam ‘Halci’ regelrecht naar de Slangenheuvel stuurt, komt de groep al gauw ter bestemming. Nadat ze de markeerstenen zijn gepasseerd die aanduiden dat ze het verboden gebied ingaan, is Fáelán duidelijk op zijn ongemak en maant iedereen tot voorzichtigheid aan. De groep begeeft zich zo zachtjes mogelijk achter Chiara aan, die rondspeurt naar bedreigingen.
Wanneer ze de heuvel naderen, zien ze al gauw dat die bewaakt wordt door een kring van goed bewapende kobolden. Het is duidelijk dat Khesh hier niet bepaald haar minste dienaars heeft geposteerd: sommigen van hen hebben vleugels, anderen een glanzende groene schub. Er moet een list bedacht worden om de heuvel op te kunnen sluipen, waar de punt van het kompas duidelijk naartoe wijst. Ze ontwaren er ook een bouwsel, wat de hoop voedt dat ze daar Halci zullen kunnen vinden.
Nazhaar stelt voor dat hij wel een paar kobolden kan afleiden: met een machtige brul zal hij een gevaarlijk beest imiteren en ze zo schrik aanjagen. Zijn het de laatste resten van Groenzuur of wordt de spanning van onopvallend doen hem te veel? Er komt een soort gepiep uit de keel van de drakenman dat niet bepaald angstaanjagend klinkt. Eén van de kobolden kijkt verstoord op, en rent meteen op het geluid af. Alítih reageert echter snel en slingert een steen in het struikgewas verderop, zodat de kobold van richting verandert.
Chiara ziet meteen de geschikte gelegenheid om in actie te komen. Ze wenkt de anderen, en onder dekking van de nevels die rond de heuvel hangen, leidt ze hen omhoog door het gat in de bewaking dat is gevallen. Varlock ziet dat Fáelán in zijn zware harnas achterop raakt en keert zich meteen om. De dwerg spant zijn spieren en trekt de verdrijver van zijn hoofdpijn met stevige greep omhoog. Intussen maant Chiara Nazhaar geërgerd tot stilte, maar ze halen het zonder kleerscheuren.
Op de top van de heuvel treffen ze een vervallen bouwsel met pilaren waaromheen slangenreliëfs kronkelen. In het midden daarvan ligt een hoop jute zakken waarop iets metaligs glinstert. Ineens klinkt een luid geratel en verheft zich een enorme, ijzerkleurige cobra.
Fáelán snelt heldhaftig op het beest af: het moet het zwijgen opgelegd worden voor het alle kobolden alarmeert. Terwijl hij op de slang inhakt, gaat er echter ineens een ijskoud gevoel door hem heen. Zijn makkers zien hoe er achter hem een spookachtige gedaante is opgedoemd die naar de ridder uithaalt. In zijn oren klinkt een koude, weergalmende stem: “Je kunt de dood niet ontlopen, Fáelán…”
Chiara had al een pijl op haar boog en laat die nu op de geestesverschijning afsuizen, en ook Alítih richt haar magie op het wezen.
Nazhaar stormt eveneens op het spook af, maar slaat er dwars doorheen. De boze verschijning slaat ijzige handen naar hem uit, maar Fáelán heeft inmiddels de bescherming van zijn godin aangeroepen en het wezen huivert wanneer goddelijke energie erop inslaat. Nazhaars zwaard maakt een eind aan het bestaan van de geest, die met een laatste jammerklacht in Faéláns oren in de grond zinkt: “Bluthel had je nodig, Fáelán…”
De ridder ziet er geschokt uit en de slang spuugt gif naar Nazhaar, die zich er vergeefs tegen probeert te beschermen. Varlock begrijpt dat het tijd wordt om in actie te komen. Hij trekt een vervaarlijke strijdhamer tevoorschijn en werpt zich in de strijd. Zich dekkend met zijn schild deelt hij een paar flinke dreunen uit. Fáelán roept nogmaals goddelijke energie te hulp om Nazhaar te genezen van het gif dat zich een weg door zijn bloed vreet en keert zich dan weer naar de slang. Ridder en dwerg bundelen hun krachten en hakken en beuken op het beest in.
Precies op tijd… Chiara’s scherpe oren hebben de geluiden van een grote groep naderende kobolden opgevangen. Ze zoekt razendsnel naar een passende verstopplek en ziet dan dat precies onder de slang een vreemd gekleurde tegel ligt… alsof daar iets verborgen is. Ze snelt ernaartoe om die te inspecteren, maar precies op dat moment slaat Varlock met één klap de slang en de tegel in stukken. Daaronder blijkt een holle ruimte verborgen. Chiara jaagt de groep meteen naar binnen en Varlock kan nog net op tijd wat jute zakken over de tegel heen trekken.

De groep houdt zich even angstvallig stil, maar hoort dan de kobolden onverrichterzake weer weglopen…
Ze blijken beland in een grote ruimte met kronkelende wanden, waarop opgloeiende schilderingen van slangen zijn aangebracht. Twee waterpoelen klotsen zachtjes in de schemering. Chiara en Fáelán lopen nieuwsgierig op de dichtstbijzijnde af. Meteen rimpelt het water en schieten twee slangen tevoorschijn die een wolk gif in hun gezichten spuiten. Verblind wankelen ze achteruit en hakken in de lucht. Nazhaar springt naderbij en spuwt zijn drakenadem naar de beesten, maar die ontwijken hem kronkelend. Fáelán wrijft echter het gif uit zijn ogen en hakt één van hen de kop af. Varlock zwaait zijn hamer en verplettert met een flinke klap de tweede.
Nazhaar besluit de tweede poel links te laten liggen en loopt naar de verste uithoek van de grot, waar een gang begint. Hij kan echter nog net op tijd achteruit springen wanneer zich een valluik onder zijn voeten opent.
Fáelán neemt de gelegenheid te baat om iedereen te waarschuwen voorzichtig te zijn… hij heeft de schilderingen herkend als eerbetoon aan de god Zehir, de beschermer van gifmengers en bedriegers. De kans is groot dat hier nog meer vallen verborgen zijn.
Alítih zet haar eigen talenten in om de grot af te speuren naar gevaar. Ze voelt een vage magische aura in de tweede poel en maakt de groep daarop attent. Fáelán en Chiara zijn niet bepaald happig om weer met slangen geconfronteerd te worden. Chiara gooit een steen in het water, maar dat levert niks op. Varlock haalt zijn schouders op en springt tot verbijstering van zijn metgezellen gewoon het water in. Niet veel later vist hij een riem op, die Alítih identificeert als een magisch voorwerp dat beschermt tegen gif.

Terdege gewaarschuwd gaan ze verder op verkenning door de gang. Chiara gaat op voorverkenning en ziet dat even verderop een splitsing is. Eén gang leidt naar een ruimte waar drie cultisten bidden voor een slangenaltaar, terwijl slangen om hen heen kronkelen. De groep besluit om gebruik te maken van het verrassingselement en de cultisten te overvallen voor ze weten wat er gebeurt.
Fáelán stormt naar binnen om een eind te maken aan deze verderfelijke rituelen en Chiara laat haar pijlen vliegen. De slangen kronkelen meteen op de aanvallers af en spuiten hun gif naar het dichtstbijzijnde slachtoffer. Varlock wankelt verblind, maar bonkt met zijn hamer meteen één slang tot pulp. Intussen geeft Nazhaar de cultisten en hun slangen een koekje van eigen deeg: hij springt naar voren en spuwt zijn vernietigende adem over de hele groep.
De cultisten trekken vervaarlijk uitziende knuppels en vallen Fáelán en Varlock aan. Varlock kan nog steeds niets zien en probeert zich blindelings te verweren. Fáelán ziet dat zijn strijdmakker het moeilijk heeft en stuurt hem goddelijk geïnspireerde steun toe. Varlock knippert meteen het gif uit zijn ogen en plet een tweede slang onder zijn hamer tot hapklaar vlees.
Alítih en Chiara nemen intussen de cultisten onder vuur, en Nazhaar trekt zijn bijl. Hij laat één van de cultistenkoppen over de grond rollen. Diens slang neemt meteen wraak en verblindt de drakenman. Chiara schiet hem echter te hulp en jaagt een pijl door het oog van de cultist die de verblinde Nazhaar wilde aanvallen.
De laatste cultist slaat inmiddels op Varlock in en probeert de dwerg achteruit te drijven. De krijger plant echter zijn voeten stevig op de grond en houdt stand. Chiara haalt diep adem, mikt zorgvuldig en laat dan vlak na elkaar twee pijlen vliegen die zich zingend in het gewoel storten: één ervan schakelt de laatste cultist uit, de tweede spijkert de laatste slang tegen de vloer.
Vloekend worden ogen schoongeveegd en gifwonden verzorgd. Vanuit de andere gang klonk immers nog meer gesis…

dinsdag 12 januari 2016

Hoofdstuk 4

Wanneer Alítih op haar schreden terugkeert, ziet ze een woedende Taazhon terug komen uit het bos. Zo diplomatisch mogelijk vraagt ze naar wat er gebeurt is. De woedende stuurman snauwt haar toe dat hij die verraders wel te pakken krijgt en hij beent weg.
Ze treft Nazhaar, die met de ziel onder zijn arm rondloopt. Immers, wat is een kapitein zonder zijn schip? Alítih merkt niet meteen de begerige blikken die Nazhaar op de “Jalan Vashir” werpt en neemt de drakenman mee op sleeptouw: na zijn vertoon bij het breken van de gijzeling is wel duidelijk dat hij een waardevolle bondgenoot kan zijn. En nu hij toch op Khesh vastzit, kan dat maar beter haar bondgenoot zijn.
Ze besluit terug te keren naar het landhuis om bij Padraig te informeren of hij iets meer weet van wat zich in de herberg heeft afgespeeld. Maar eenmaal daar worden Alítih en Nazhaar meteen geënterd door vrouwe Serusa. Met de aplomb van de drakenmensadel wijst ze hen aan als vrijwilligers om haar bezittingen over te brengen naar de herberg, waar ze verkiest te overnachten.
Nazhaar vindt het geen slecht idee om in een goed blaadje te blijven bij Serusa en stemt in. Alítih wil in aanvang protesteren wanneer Nazhaar haar een beautycase in handen drukt, maar bedenkt zich dan: ze merkt dat de grote kist van de edelvrouwe al is weggebracht. De gelegenheid om die eens te inspecteren, wil ze niet zomaar voorbij laten gaan.
Tijdens hun bepakte tocht naar de herberg zien ze dat op het centrale plein van Waterzooi ijverig getimmerd wordt: de matrozen van de “Jalan Vashir” zijn een soort platform aan het  bouwen. Het ritmische gehamer wordt echter ineens onderbroken wanneer een jonge draak bovenop de constructie neerstrijkt. Hij slaakt enkele kreten, en Alítih ziet Nazhaar aandachtig luisteren. “Bericht voor de kapitein,” mompelt hij. Met een vastberaden gezicht stapt hij op de draak af.
“Ik ben de kapitein,” spreekt Nazhaar de jonge draak aan, met al het gezag dat hij placht uit te oefenen. De “Jalan Vashir” is van hem, zo redeneert hij, en alles dat hem kan helpen het schip terug te krijgen, neemt hij met beide handen aan.
Hij krijgt inderdaad de boodschap van de draak te horen: de “Jalan Vashir” dient zich onmiddellijk te vervoegen bij de vloot die ligt bij Io’Barat. Het nieuws is teleurstellend weinig nuttig, en Nazhaar krijgt ook nog andere problemen: de twee timmerende matrozen hebben gehoord dat hij zich voor de kapitein uitgeeft, en komen dreigend op hem af.
Alítih, die de conversatie in de drakentaal niet heeft kunnen volgen, begrijpt deze taal maar al te best: ze zitten in de problemen. Nazhaar verzekert haar ervan dat hij de matrozen wel weer zal weten te kalmeren, en hij buldert hen toe dat hij de boodschap alleen aannam om de boodschapper tijd te besparen: hij zal de boodschap gewoon overbrengen.
De matrozen zijn niet van gisteren en lijken niet bereid hun voormalige kapitein het voordeel van de twijfel te geven. Ze stormen op Nazhaar af, onder het schreeuwen van ‘verrader’.

Intussen is Fáelán met Sulman een voorzichtig gesprekje begonnen over de Ridders van Ardyn, zoals de opstandige groep die de zilveren tand draagt zich noemt. Wat zijn hun bedoelingen? Sulman geeft behoedzaam antwoord, het is duidelijk dat hij Fáeláns eigen intenties probeert af te tasten, voor hij meer informatie loslaat.
Fáelán komt aan de weet dat het doel van de Ridders van Ardyn is om het Keizerrijk in zijn glorie van eertijds te herstellen: de corruptie die er nu heerst moet nodig aangepakt worden. En daartoe bestrijden ze, zoals het motto van het Keizerrijk zelf luidt, vuur met vuur. Harde methodes kunnen nodig zijn om een smet van het blazoen te poetsen.
Dat laatste vindt Fáelán een beetje twijfelachtig, maar als ridder weet hij ook wel dat men soms niet anders kan dan het blanke staal hanteren om het onrecht te bestrijden. Hij spreekt dus zijn interesse uit om meer over hun zaak te leren. Sulman geeft hem een zilveren tand, maar waarschuwt hem dat het gevaarlijk kan zijn wanneer iemand die ziet. Fáelán stopt hem voorlopig ergens verborgen weg en neemt afscheid van Sulman.
Die legt aan bij wat op het eerste gezicht een drijvende boomstam lijkt. Maar na enige geheimzinnige manipulaties, draait de stam zich om, klappen er her en der mechanieken uit en vaart Sulman weg in het vreemdste schip dat Fáelán ooit heeft gezien.
Fáelán roeit terug naar Khesh en merkt dat hij het derde eiland van de archipel tegenover zich ziet liggen: Estaol. Op het strand treft hij een schrijntje van Melora, waar hij devoot een offer brengt en enige tijd mediteert. Hij wil graag leiding van zijn godin om te weten of de Ridders van Ardyn deel zijn van het pad dat hij moet gaan.

Chiara voelt zich inmiddels eindelijk veilig genoeg om haar schuilplaats te verlaten. Ze merkt dat ze tijdens haar vlucht terecht is gekomen op een plek die ze niet goed kent, en begint haar weg terug te zoeken. Na een poosje ziet ze aan de veranderende begroeiing dat ze het strand nadert. Ze hoort geblaf uit de verte komen en sluipt behoedzaam verder.
Op het strand ziet ze een orc met twee grote honden. Achter hem liggen drie sloepen, die op het strand zijn getrokken. Chiara weifelt nog wat ze moet doen, wanneer de orc haar al heeft opgemerkt. Hij trekt onmiddellijk een boog, vuurt op haar en stuurt de twee honden op haar af. Uit zijn kelige grom begrijpt Chiara dat de beesten het bevel hebben gekregen haar te doden, en ze lost meteen zelf een pijl, die één van de honden halverwege een sprong levenloos doet neerstorten.
Fáelán hoort het lawaai vanuit de verte en gaat op onderzoek uit. Aanvankelijk weet hij niet goed wat er gaande is, maar wanneer hij een woedende kreet uit de bosrand hoort komen, begrijpt hij dat het Chiara is, die in de problemen zit. Hij stormt met geheven zwaard op de orc af, die zich onmiddellijk naar deze nieuwe tegenstander keert.
Chiara heeft intussen haar boog laten vallen, heeft haar twee korte zwaarden getrokken en hakt woest op de tweede hond in, die haar net naar de keel wou vliegen. Zijn kwijlende kop tolt door het bos en valt met een plof in het struikgewas.
Ze ziet dat Fáelán het intussen moeilijk heeft met de orc, die een geducht tegenstander blijkt. Ze raapt haar boog weer op mikt zorgvuldig. Fáelán heeft zware klappen te verwerken gekregen, maar heeft de orc ook al flink toegetakeld. Alleen lijkt die net kracht te putten uit zijn verwondingen en stort zich in een bloedige razernij met hernieuwde energie op de ridder. Onder het grommen van kreten als ‘tot de dood!’ hakt en kerft hij op Fáelán in. Wanneer de eerste pijl hem echter treffen, kan Fáelán van de gelegenheid gebruik maken om door zijn verdediging te breken. Niet veel later maakt een laatste pijl een eind aan het orc-gevaar.
Althans, voorlopig. Wanneer ze de sloepen nader gaan inspecteren, begrijpen ze al snel dat er nog meer orcs op Khesh moeten zijn. Chiara en Fáelán besluiten om één van de sloepen te gebruiken om zelf richting Waterzooi te varen. De andere twee maken ze onklaar: wanneer de orcs hun gevallen kameraad vinden, moeten ze niet op zoek naar versterking kunnen gaan…

Op het plein van Waterzooi hebben Nazhaar en Alítih niet veel tijd om zich voor te bereiden op de strijd tegen twee woedende matrozen.
Alítih ontsteekt een zilveren vuur in één van de toestormende mannen, dat uit zijn mond en ogen weer naar buiten slaat terwijl hij schreeuwt van pijn. Nazhaar maakt gebruik van zijn status als ‘de kapitein’ om de jonge draak te sommeren zich in de strijd te werpen. De draak maakt de geteisterde matroos af, maar die slaagt erin om in zijn doodstrijd de draak nog een flinke verwonding toe te brengen. Het beest kiest ijlings de vlucht, terwijl Nazhaar klappen wisselt met de tweede matroos.
De overblijvende matroos stelt zich stevig teweer tegen Nazhaar, maar is niet voorbereid op Alítih die ineens verdwijnt van de plek waar ze stond en vanuit een zilveren nevel achter hem weer materialiseert. Nazhaar maakt van zijn verwarring gebruik om zijn bijl in het vlees van de matroos te laten bijten, en Alítih maakt een eind aan zijn verzet met een magische explosie.
Alítih en Nazhaar kijken hijgend om zich heen. Er zijn wel enkele nieuwsgierige blikken, maar geen andere opvarenden van het schip te zien. Aangezien er onder de bevolking van Waterzooi niet al te veel liefde voor drakenmensen is, lijkt de kans niet zo groot dat ze meteen verklikt zullen worden. Ze slepen zo snel mogelijk de lichamen onder het platform en overleggen daarna wat hen te doen staat. Nazhaar ziet echter geen grote problemen: al wat ze moeten doen, is de bagage van vrouwe Serusa oppakken en hun taken voortzetten, alsof er niets gebeurd is.
De tovenares staat even te kijken van dit arrogante plan, dat alleen uit de koker van een drakenman kan komen, maar het staat haar wel aan. In het kielzog van een zelfverzekerde Nazhaar stapt ze de herberg binnen. Daar trekt de bebloede bijl van Nazhaar wel enige aandacht van nieuwe barvrouw Ghantah, maar de drakenman verkondigt zonder verpinken dat hij een hert heeft neergelegd voor zijn maal vanavond.
De nieuwe kapitein van de “Jalan Vashir” zit onrustig achter zijn zeekaart en kijkt van tijd tot tijd naar het raam of de deur. Nazhaar trekt zijn onschuldigste gezicht wanneer de blik van de kapitein op hem valt en verklaart dat hij hier is om edelvrouwe Serusa te dienen. Beladen onder haar bagage wordt hem door niemand een strobreed in de weg gelegd en samen met Alítih komt hij zonder problemen in de kamer van Serusa.
Daar ziet Alítih meteen de kist van Serusa staan. Ze vraagt Nazhaar op de uitkijk te staan en begint rond te snuffelen tussen de bagage van de edelvrouwe. De kist krijgt ze ondanks al haar inspanningen niet open. Verder treft ze tot haar verbazing verschillende kruiden aan tussen de bezittingen van Serusa, die ze herkent als onderdelen van het brouwsel dat Groenzuur kan genezen.
Wanneer ze weer buiten komen, treffen ze Taazhon, die verbeten meldt dat hij niet van Khesh vertrekt voor hij minstens één van de verraders in handen heeft en hoogstpersoonlijk met hem heeft afgerekend.
Alítih maakt zich nu toch wel zorgen over haar makkers. Het schip moet hier zo snel mogelijk weg, en eigenlijk is de boodschap die Nazhaar in ontvangst genomen heeft, daar de beste manier voor. Nazhaar lijkt echter niet van plan om die aan de kapitein over te brengen: hij wil tot elke prijs zijn schip weer in handen krijgen. Ze besluit om de ‘eerst handelen, daarna overleggen’-tactiek van Nazhaar tegen hem te gebruiken en vertelt de kapitein eenvoudigweg zelf dat ze een boodschap voor hem hebben aangenomen.
De kapitein heeft eerst moeite te begrijpen waarom de boodschap niet rechtstreeks aan hem zou zijn overgebracht, maar laat zich dan toch overtuigen. Hij begint op staande voet zijn mannen te verzamelen en verklaart dat ze die avond nog, na de festiviteiten, zullen uitvaren. Tazhaan reageert niet bepaald enthousiast, maar heeft geen andere keuze dan de bevelen te gaan doorgeven, alvorens hij een laatste zoektocht naar de ‘terroristen’ gaat ondernemen.
Alítih informeert voorzichtig naar de aard van de geplande festiviteiten en krijgt te horen dat het gaat om de executie van de gevangenen die immers nog steeds in verzekerde bewaring zijn. Ze begrijpt dat het cruciaal is om ervoor te zorgen dat haar vrienden geen deel van deze feestvreugde zullen worden.
Bij het landhuis treffen ze Chiara en Fáelán die voorzichtig naar binnen geslopen zijn om bij Padraig verslag te gaan uitbrengen van de situatie. De burgemeester ziet eruit alsof hij al onder grote druk staat en is niet bepaald blij met het nieuws dat er ook nog eens orcs op zijn eiland rondwaren.
Alítih wordt aangesproken door vrouwe Padraig die graag in contact zou komen met kruidenvrouw Halci. Ze zegt toe vrouwe Padraig tot bij haar te begeleiden – ze wilde toch al eens nagaan of alles wel goed was met haar vriendin.
Bij Halci’s huis gekomen, blijkt de kruidenvrouw verdwenen. Op haar studeertafel treft Alítih een opengeslagen dagboek aan. Bezorgd zoekt ze naar een verklaring voor de vreemde gebeurtenissen rondom Halci, maar ondanks het feit dat ze het elfse schrift herkent, kan ze de woorden niet lezen. Ze wenkt Chiara naderbij en de halfelf brengt de taal thuis als Dieptespraak, een taal van onderwereldse wezens.
Wanneer Alítih het dagboek verder doorbladert, ziet ze dat het begin er onschuldig genoeg uitziet, met aantekeningen en schetsen van kruiden en dieren. Naar het einde toe wordt het echter steeds onbegrijpelijker en op de laatste pagina staat een onduidelijke, half uitgewiste tekening. Hoe lang ze er ook naar staart, ze kan er niks van maken.
Fáelán gaat intussen op onderzoek in het huis van Halci en vindt groene steentjes, die hij tot zijn zorg herkent als venomiet: een giftig gesteente. Zodra hij dat woord hoort vallen, herinnert Nazhaar zich dat ergens in deze archipel een mijn is, waar venomiet eertijds werd ontgonnen door slangachtige wezens.
Vrouwe Padraig bevestigt dat deze mijn zich op Khesh bevond, maar kan uit het hoofd niet zeggen waar. Wel weet ze dat er in één van de verboden gedeeltes van Khesh, waar alleen de draak Khesh mag komen, een heuvel is die ‘de Slangenheuvel’ wordt genoemd. Vrouwe Padraig moet zich terug huiswaarts begeven, maar vraagt hen om de onrustbarende verdwijning van de kruidenvrouw nader uit te pluizen: hier is iets duisters gaande… Ze belooft tegen de volgende dag zelf na te gaan of ze meer informatie over de mijn kan bovenhalen.
Chiara ontdekt dat het slot van het raam geforceerd is. De zorg om de veiligheid van Halci wordt steeds groter en Alítih besluit om de priester in Waterzooi te gaan vragen of hij meer kan maken van de inhoud van het boek. Wanneer Fáelán en Chiara haar willen vergezellen, raadt ze hen om veiligheidshalve nog even uit Waterzooi weg te blijven: Taazhon zou hen maar al te graag samen met de halflings berechten.
In Waterzooi gekomen, blijkt er echter niet veel zinnigs uit de priester te komen. Hij is al flink beschonken, en Alítih besluit om zelf ook maar de ochtend af te wachten voor ze tot actie overgaat. Ze ziet Padraig met betrokken gezicht de executies gadeslaan, en ook vrouwe Padraig lijkt niet bepaald in een feeststemming. Alítih is vooral opgelucht dat niemand de lichamen onder het platform heeft ontdekt en houdt zich op de achtergrond, voor ze zelf ook terug naar de hut van Halci trekt. Wel valt het haar nog op dat kapitein Erano Stern de grote afwezige is op dit spektakel…

De volgende ochtend is de “Jalan Vashir” vertrokken en kunnen Chiara en Fáelán zich tot hun opluchting weer vrij bewegen over Khesh. De dorpspriester kan hen niet veel wijzer maken, maar herkent de tekening wel als een mythische ketel, die hij ooit eerder afgebeeld gezien heeft. Hij bevestigt dat de taal in het dagboek Dieptespraak is en toont zich bezorgd over de situatie waarin Halci zich bevindt.
Aangezien eerder al gebleken is dat kapitein Erano Stern en Halci wel eens samen in een onderneming betrokken waren, besluit Chiara om nog eens langs te gaan bij de man die haar ooit naar Khesh bracht. Hij doet niet open op haar kloppen en wanneer ze binnengaat, wacht haar een gruwelijk tafereel: de kapitein ligt levenloos over zijn bureau met diepe wonden die duidelijk niet door staal zijn toegebracht. Onder zijn krachteloze hand ligt een half afgemaakte brief. Aangedaan reikt Chiara naar de brief om zijn laatste woorden te lezen…