Alítih giet geduldig haar magie in de vernielde brief, maar
wat ze ervoor terugkrijgt, zijn snippers en stukjes. Samen met een ongeduldige
Nazhaar probeert ze de gefragmenteerde boodschap bij elkaar te puzzelen. Eén
ding wordt overduidelijk: zijn broer was een dubbelspion, voor de Vost Miraj en
de Ridders van Ardeyn. Waar zijn echte loyaliteit ligt…? Nazhaar probeert er
wijs uit te raken.
Intussen ronselt Varlock Berlinden en Chiara om de beer te
vangen en een begin te maken met het opvoeden van zijn nieuwe huisdier. Een en
ander gaat niet over rozenblaadjes, maar de prins geeft het niet zo makkelijk
op. Wanneer de bevrijde dwergen hem onthalen als hun redder, verklaren dat zij
vanaf heden de dwarfforged zijn en
hem tot hun prins willen maken, ondergaat hij stoïcijns het daarbijhorende
proces. Peinzend laat hij metalen schouderstukken in zijn lijf boren, weinig
anders in zijn geest dan de vraag wat een dwerg zoal nog kan doen om een beer
tot een vriendschappelijkere stemming te bewegen.
Met deze intermezzo’s achter de rug is het moment
aangebroken dat de groep het laatste deel van de schemersmidse gaat verkennen…
Het is duister in dit gebied, en ijskoud. Een afgrijseijke
stank zweeft hen tegemoet wanneer ze het Portaal doorstappen. Alkoven aan de
wand bevatten de resten van lijken. Wie er te dicht bij in de buurt komt, kan
zijn misselijkheid maar amper in bedwang houden.
Aangetrokken door een bonkend geluid, komt Berlinden terecht
in een kamer met kisten. Hij wordt niet alleen onthaald door ondoden, maar ook
door ratten, die razendsnel om hen heen zwermen, en toebijten waar ze maar
kunnen. Varlock stormt toe en verplettert er een paar met zijn schild. Nazhaar hakt
links en rechts met zijn bijl, maar ze blijven komen, als een zwarte krioelende
golf. Wanneer die Alítih bereikt, werpt de tovenares één walgende blik op de
massa en roept dan Vyrellis te hulp – een ijzige wervelwind spiraalt door de
ratten en bevriest ze waar ze staan.
Boven een volgende deur is het opschrift ‘Kra’Vaka,
meesteresse van de doden’ aangebracht. De kamer waarin ze terechtkomen is
gemeubileerd en gedecoreerd in een luguber thema: alles is gemaakt van botten.
Op een verhoog staat een gekapte figuur, omringd door schaduwen en rook. Rode
krullen komen uit de kap tevoorschijn, en de groep ziet glimpen van een
lijkbleek gezicht.
Kra’Vaka laat haar magie los, en reusachtige constructen,
gemaakt van skeletten rijzen op. Vlammende schedels ontsteken aan weerszijden
van haar, en ze roept: ‘Kom, en dans met de dood!’
Nazhaar neemt de uitnodiging meteen aan. Hij stormt naar de
eerste skelettenreus. Berlinden wil zich op de tweede werpen, maar wordt
gegrepen door een pilaar, gemaakt van in elkaar grijpende handen. Zijn mantel
slingert zich echter beschermend om hem heen, en hij verandert in een vlucht
raven, die verderop veilig neerkomt.
Kra’Vaka reikt intussen in het Portaal achter haar, en
aanroept de kracht van de Ketel: ‘Het is tijd voor een nieuwe Grauwe Oogst!’
Chiara hapt naar adem wanneer ze de hand van de duistere
tovenares in haar rug voelt. Maar ze reikt naar de nieuwe kracht die in haar
ontwaakt is, en gooit Omajenko in de strijd.
Terwijl de groep een verbeten strijd tegen de twee
skelettengiganten voert, maken de twee vlammende schedels zich los van het
podium en zweven de groep tegemoet. Ze spuwen links en rechts vuurballen, die
vernieling aanrichten waar ze vallen. Kra’Vaka maakt van de verwarring gebruik
om zich in een donkere wolk te hullen. Ze verdwijnt van het podium en duikt nu
eens achter Berlinden, dan weer bij Chiara op, om haar duistere krachten op hen
los te laten.
Nazhaar ziet bezorgd hoe de groep er steeds slechter
voorstaat. Hij spreekt zijn eigen genezende magie aan, maar het lijkt nooit
genoeg. De vernieling die de vlammende schedels zaaien, en de doodsmagie van
Kra’Vaka lijken te krachtig. En dan is ze ook nog eens de Ketel aan het wekken…
nee, een hele rits Ketels!
Hij beseft dat hij het probleem bij de wortel moet
aanpakken. Besluitvaardig grijpt de ex-kapitein een van de touwen die hij
altijd voor handen houdt, bindt het rond zijn bijl en slingert die naar de Ketels.
Zodra de bijl zich heeft vastgebeten, rukt hij hem weer naar zich toe, en weet
het hele platform te destabiliseren. Kra’Vaka, die daar net weer was opgedoken,
raakt gevangen in de bottenpuinhoop. Alleen haar hoofd steekt nog boven de
witte skeletdelen uit.
‘Is de dood hier? Is hij eindelijk hier?’ vraagt ze
verlangend.
‘Ja!’ buldert Nazhaar. Hij stampt op haar toe, rukt de
gouden sleutel van rond haar nek, en trapt haar dan zonder aarzelen de schedel
in.
Het onaardse licht in de Ketels verdwijnt, en Alítih haalt
verlicht adem als ze de geperverteerde magie voelt uitdoven. Maar lang van duur
is de rust niet. Een gierende, weergalmende lach weerklinkt. ‘Driemaal hebben
jullie mij gedood. Jullie hebben de weg naar verlossing geopend… verlossing
voor MIJ!’
Een verbijsterde stilte klinkt. Dan laat Vyrellis haar stem
horen: ‘We zijn beetgenomen… mijn zuster zal ontsnappen. We moeten naar het
heiligdom!’
Geen opmerkingen:
Een reactie posten