Nadat de groep even op adem is gekomen, besluiten ze om toch
maar eens poolshoogte te gaan nemen bij het portaal dat de steenelementalen
bewaken.
Terwijl Alítih omhoog teleporteert en Chiara lichtvoetig
langs de zijkant omhoogklimt, bestormt Berlinden andermaal de verraderlijke
trappen en wordt voor de tweede keer de put in gekegeld. Varlock schiet toe met
een touw, maar intussen zijn de niet al te snuggere bewakers eindelijk toch
gealarmeerd geraakt. Het blijken niet zomaar steenelementalen: twee gargoyles
komen naar beneden gevlogen. Ze onttrekken grote brokken steen aan de muren en
trap en bekogelen de groep daarmee.
Chiara wordt door de tweede truc van de trappen uit haar
evenwicht gebracht – ze klappen naar binnen toe en trachten haar voeten te
vangen – en kan zo maar amper de stenenregen ontwijken. Nazhaar springt echter
brullend naar voren en trekt de aandacht van de gargoyles naar zich toe. Dat
geeft Chiara en Alítih de gelegenheid om ze genadeloos te bestoken tot een van
hen in de put naar beneden tuimelt.
Berlinden, die net omhoog gehesen was, voert prompt een
charge op de tweede gargoyle uit. Bijgestaan door een spervuur van Chiara en
Alítih dringt hij het wezen achteruit tot een magische uitbarsting het in
scherven uiteen doet spatten.
Nazhaar aarzelt intussen niet: met geheven bijl springt hij de
put in. Zijn klappen lijken echter af te ketsen van de versteende gargoyle die
op de bodem neerhurkt. Varlock springt zijn wapenmakker meteen bij: met een
donderende klap laat de prins der dwergen de aarde beven en velt het stenen
monster.
Bovenaan de trap wacht inderdaad een portaal: de groep stapt
erdoor en komt terecht in een merkwaardige omgeving: bloedrode muren lijken een
eigen leven te lijden. Jammerende stemmen blijven hun namen maar herhalen, en
gangen buigen en kronkelen op een ondoorzichtige manier. Levende schaduwen bewegen
in het labyrint, en de spookachtige stemmen doen al snel een aanslag op de
zintuigen.
Voorzichtig begeeft de groep zich het labyrint in. Nazhaar
neemt de leiding en ziet de schaduwen verdichten tot een wraith, een wezen dat
hij herkent van de aanval op vrouwe Serusa. Het doet een aanval en verdwijnt
dan weer. Varlock kijkt een andere gang in en wordt daar door eveneens door een
wraith overvallen. Het wezen klauwt naar hem, maar gaat op in de muur voor de
krijger zijn bijl fatsoenlijk kan zwaaien.
Het gejammer van de stemmen wordt steeds kwellender. De avonturiers
raken steeds meer gedesoriënteerd en verzwakt door de aanhoudende aanslag op
hun zintuigen.
Na verloop van tijd beseffen Chiara en Nazhaar dat ze van de
rest van de groep afgesneden zijn geraakt. Ze proberen zich een weg doorheen de
klauwen van een wraith te banen, maar de aanvallen van het wezen zijn
vernietigend. Al gauw beseffen dat ze met zijn tweeën niet opgewassen zijn
tegen deze tegenstander – of tenminste, Chiara beseft dat, terwijl Nazhaar
koppig doorvecht. Ze ontdekt een deur in de wand van het labyrint en trekt de
koppige drakenman mee naar binnen, het labyrint uit.
Het gejammer valt weg en met een zucht van opluchting
ontspannen ze. Nadat ze bekomen zijn, gaat Nazhaar onvervaard op verkenning. Hij
ontdekt al snel dat een van de muren van de kleine kamer waarin ze zijn beland,
een illusie is. Daarachter vindt hij een grote ruimte, waarin een gekapte man
zit te bidden. Hij wordt bekeken door de stenen blik van twee standbeelden, die
duidelijk Kara’Vakasta en Vyrellis voorstellen. Daar laat de drakenman zich niet door intimideren. Hij rukt een gordijn van de muur, wikkelt het om zich heen en stapt op de gekapte man af. 'Ik ben je opvolger!' declameert hij plechtig. De figuur kijkt op en bestudeert hem heel even aandachtig. 'Ja, dat zie ik,' antwoordt hij kalm, 'maar niet van mij'. Daarna hervat hij zijn prevelende gebeden, en is niet meer aanspreekbaar.
Nazhaar gaat Chiara verslag doen en probeert haar te overhalen om de vreemde snuiter samen te gaan overmeesteren. Chiara wil eerst zelf eens poolshoogte gaan nemen en sluipt
voorzichtig naar de figuur toe. Ze gluurt naar het papier waarover hij
aandachtig zit te mediteren en schrikt heftig. Meteen kiest ze het hazenpad en
duwt Nazhaar weer de illusiedeur door. Op zijn verbaasde vraag wat er aan de
hand is, weigert ze antwoord te geven. Ze sommeert hem om kalm te gaan zitten –
het enige wat ze kunnen doen, is afwachten tot ze gevonden worden. Nazhaar
heeft er een hard hoofd in: als de andere helft van de groep hetzelfde doet,
kunnen ze hier lang zitten. Maar Chiara is niet voor argumenten vatbaar en de
drakenman laat zich door de dreiging van een rosse furie overhalen tot afwachten.
Voorlopig.
Intussen is de andere helft van de groep aan de overkant van
het labyrint eveneens met barstend hoofd een deur door gestruikeld.
Berlinden stapt een kamer in waar een gordijn hangt waarop
een kasteel is afgebeeld. Verderop merkt hij een poel intense duisternis op. Varlock
treft in een aanpalende kamer een soort zwart gordijn dat anders dan de andere
lijkt, en wenkt Alítih. De tovenares stelt vast dat de magie van het gordijn
niet helemaal klopt: de schijf zou kunnen werken als een soort portaal, maar
het is geen echt zwart gordijn zoals degene die ze eerder hebben ontmoet. Berlinden
ziet intussen vanuit zijn ooghoeken een beweging. Een schaduw-halfling schiet
door de kamer.
Het zwarte gordijn begint met een felle kracht te zuigen en
Varlock moet moeite doen om er niet in getrokken te worden. Met hulp van
Berlinden weet hij de deur naar de kamer dicht te duwen voor het helemaal
misgaat. Ze krijgen geen tijd om daarvan te bekomen: de duisternis begint zich
door de kamer te verspreiden. Een grote, diepe vlek duisternis richt zich tot
Berlinden als een oude bekende – ze zijn samen uit de Ketel gekomen. Berlinden
zet zich schrap, dat kan niets goeds betekenen.
In het donker worden de drie aangevallen en moeten ze zich
blind verweren. Varlock heeft echter een plan paraat: als ze de deur naar de
kamer met het zwarte gordijn weer openen, worden hun overvallers daardoor
opgezogen. Het plan werkt in aanvang – de deur gaat open en de aanzuigende
kracht schiet meteen in werking. Varlock en Berlinden worden echter door de
halfling mee de kamer in gesleurd. Berlinden hakt krachtig op het kleine wezen
in, maar wordt dan mee door het gordijn opgeslokt.
Hij komt weer tot zichzelf in de grote kamer die hij eerder
zag en zet het gevecht met de halfling zonder aarzelen verder. Licht om bij te
zien, is er weer, maar een duistere aanwezigheid valt zo des te meer op: een
zwarte Schaduwsteen is de achtergrond voor zijn worsteling.

Nazhaar probeerde zich - gehuld in een gordijn - ook nog voor te doen als de 'opvolger' van die duistere figuur in kapmantel. Wat gebeurde er toen ook alweer?
BeantwoordenVerwijderenOh ja, ik heb dat aangevuld!
Verwijderen