De groep laat zich niet afschrikken en gaat de kamer binnen.
Een stuk van de vloer klapt prompt weg en neemt Berlinden met zich mee. Nazhaar
en Varlock die hem te hulp willen komen, worden eveneens weggeklapt. Chiara’s
scherpe ogen sparen haarzelf en Alítih hetzelfde lot: de roodharige ranger
springt er vlotjes overheen en de tovenares teleporteert zich naar de overkant.
Maar wat nu? Er is geen spoor van hun makkers te bekennen. Enig gepruts aan de
standbeelden en de naad in de vloer levert helemaal niets op.
Alítih besluit Vyrellis te raadplegen. Het hoofd in de
glazen bol kan haar vertellen dat deze kamer het domein is van een Afvalheer.
De mannen worden intussen van dichtbij met deze realiteit
geconfronteerd: elke keer als de vloer roteert, wordt een van hen in op een
glijdend vlak richting de put van een afvalverwerkende monster afgeleverd, dat uit niet veel meer dan een getande bek met tentakels lijkt te bestaan. Ze
raken slaags met het wezen en proberen uit te vogelen hoe ze hier weer
uitkomen. Nazhaar stuurt Zennie met een van zijn touwen omhoog, maar de vloer
draait weer eens voor hij kan ontsnappen.
Alítih en Chiara zijn intussen aan de weet gekomen dat het
niet om een simpel valluik gaat, maar om een roteersysteem in drie delen: het
doet achtereenvolgens deze kamer, de kamer van de charnel lord en een derde ruimte aan. Ze weten het mechanisme aan
de praat weten te krijgen door zware brokstukken van een omvergegooid
standbeeld op de plaat te gooien. Chiara schiet een pijl in de vloer als
houvast voor de opgeslotenen en ze slagen er zo in om Varlock weer boven te
krijgen, maar die is niet bijster dankbaar: hij was een gevecht aan het
leveren!
Wanneer ze hebben afgerekend met het monster, komen de drie
triomferend weer boven, zij het met een troep piepende ratten die ze mee omhoog
zijn gekomen.
De verkenning van het labyrint van gangen en kamers gaat
verder. De groep loopt een gang in waar Chiara eerder een rood slangachtig
wezen bespeurde. Het lijkt nu verdwenen en voorzichtig beginnen ze hun weg over de hangbruggen, maar worden dan gestuit door een sissende stem. Een slangachtig wezen met veren duikt op, en Berlinden herkent het meteen als een Yuan-Ti. Alítih verbergt
haastig de glazen bol met het hoofd van Vyrellis, wanneer die haar dat fluisterend
aanraadt en probeert vervolgens de slangenwezens te overtuigen van hun goede
bedoelingen. Ze verwijst naar hun kennismaking met Yuan Ti-prins Shiakantar,
momenteel levend in het hoofd van Gerben Padraig. Hoewel de wezens wat verward
reageren op de suggestie dat hun prins nog slechts een geest zou zijn, blijken
ze gevoelig voor het argument dat de groep hier is om Kara’Vakasta te
bestrijden: ook zij zijn geen vrienden van haar.
De Yuan-Ti geven hen een rondleiding door dit verdiep van de
schemersmidse, en raken wat verderop slaags met een groep blauwe slangenwezens.
Ze weten de overhand te behalen en de groep kan veilig een ondergelopen kamer
bereiken.
Iets verderop treffen ze het standbeeld van een ridder. Hij lijkt
van eladrin of menselijke afkomst en draagt een diadeem met een maansteen. Zijn
harnas vertoont kenmerken die Berlinden kan thuisbrengen als typisch voor
Nieuw-Vhalt.
Alítih hoort een dringende fluisterstem vanuit de glazen bol
die ze verborgen had: Vyrellis wil dolgraag de maansteen die het beeld draagt. Het
is afkomstig van de man die het voorstelt: haar geliefde Oristos. Het kost
Alítih enig soebatten, want vooral Nazhaar voelt er niets voor om dit vreemde
hoofd te geven wat het wil. Tenslotte gooit Varlock zijn prinselijke gewicht in
de strijd door kordaat de steen los te halen en te stellen dat ze er hierbeneden
toch niets bijzonders mee kunnen doen – Alítih kan de steen net zo goed
meedragen als een ander. Zodra de maansteen echter de glazen bol raakt, wordt
die op magische wijze naar binnen gezogen. Het gezicht van Vyrellis straalt
tevreden maar droevig: dit is de enige manier waarop ze haar geliefde nog
dichtbij zich kan voelen. Ze belooft andermaal dat ze de groep met al haar
kracht zal bijstaan.
Nu de hele verdieping verkend is, zit er niet veel anders
op: de groep moet door een portaal stappen om vooruitgang te kunnen boeken en
de delen van de ziel van Kara’Vakasta te vinden en te vernietigen…
Ze komen terecht in een gang die behangen is met spiegels. Zodra
Berlinden in één ervan kijkt, ontwaart hij geen wilden, maar een vlammende
schedel, die meteen een vuurbal naar hem spuwt. Vanachter een nabije deur
klinkt het gedempte maar dreigende geluid van wapens die uit de schede
getrokken worden.
Nazhaar stormt meteen onvervaard naar binnen en treft vier
ondoden die hem prompt aanvallen. Hij laat zich echter niet van zijn stuk
brengen en hakt een van hen meteen de kop af. Alítih laat een vernielende
magische stortregen op ze neerdalen, maar het wordt al snel duidelijk dat er
iets vreemds aan de hand is: zolang er nog één ondode overeind staat, duurt het
niet lang voor de andere ook weer rechtkomen.
En intussen blijft de vlammende schedel vernieling zaaien. Chiara
probeert de spiegels aan duigen te schieten, maar die herstellen zich bijna
meteen weer: de stukken vloeien terug naar de lijst en de vlammende schedel
spuwt zijn vuur. Varlock heeft een praktische oplossing: hij dekt de spiegels
een voor een af met dekens. Berlinden en Chiara kunnen zo een omtrekkende
beweging maken en vallen de ondoden in de rug aan.
Wanneer de groep zijn krachten bundelt en de vier ondoden
tegelijk aanvalt, slagen ze erin om hen voorgoed te rusten te leggen. Wanneer
het wapengekletter is weggestorven onderzoeken ze deze vreemde ondoden. Ze dragen
kledij van recentere makelijk en delen een kenmerk met Berlinden: het vlees
rond hun hart is weg, op hun ribben zijn vijf namen gekrast en hun hart is
zwart. Alítih buigt zich andermaal over de namen en consulteert Vyrellis
erover. Die kan de groep vertellen dat het gaat om de machtigste inwoners van
de schemersmidse. Er is maar één naam die wat anders is dan de andere: van Tao
Feng weet ze niet zeker of die nog wel in de schemersmidse vertoeft…



Geen opmerkingen:
Een reactie posten