woensdag 26 april 2017

Hoofdstuk 27

Nadat de groep even op adem is gekomen, besluiten ze om toch maar eens poolshoogte te gaan nemen bij het portaal dat de steenelementalen bewaken.
Terwijl Alítih omhoog teleporteert en Chiara lichtvoetig langs de zijkant omhoogklimt, bestormt Berlinden andermaal de verraderlijke trappen en wordt voor de tweede keer de put in gekegeld. Varlock schiet toe met een touw, maar intussen zijn de niet al te snuggere bewakers eindelijk toch gealarmeerd geraakt. Het blijken niet zomaar steenelementalen: twee gargoyles komen naar beneden gevlogen. Ze onttrekken grote brokken steen aan de muren en trap en bekogelen de groep daarmee.
Chiara wordt door de tweede truc van de trappen uit haar evenwicht gebracht – ze klappen naar binnen toe en trachten haar voeten te vangen – en kan zo maar amper de stenenregen ontwijken. Nazhaar springt echter brullend naar voren en trekt de aandacht van de gargoyles naar zich toe. Dat geeft Chiara en Alítih de gelegenheid om ze genadeloos te bestoken tot een van hen in de put naar beneden tuimelt.
Berlinden, die net omhoog gehesen was, voert prompt een charge op de tweede gargoyle uit. Bijgestaan door een spervuur van Chiara en Alítih dringt hij het wezen achteruit tot een magische uitbarsting het in scherven uiteen doet spatten.
Nazhaar aarzelt intussen niet: met geheven bijl springt hij de put in. Zijn klappen lijken echter af te ketsen van de versteende gargoyle die op de bodem neerhurkt. Varlock springt zijn wapenmakker meteen bij: met een donderende klap laat de prins der dwergen de aarde beven en velt het stenen monster.

Bovenaan de trap wacht inderdaad een portaal: de groep stapt erdoor en komt terecht in een merkwaardige omgeving: bloedrode muren lijken een eigen leven te lijden. Jammerende stemmen blijven hun namen maar herhalen, en gangen buigen en kronkelen op een ondoorzichtige manier. Levende schaduwen bewegen in het labyrint, en de spookachtige stemmen doen al snel een aanslag op de zintuigen.

Voorzichtig begeeft de groep zich het labyrint in. Nazhaar neemt de leiding en ziet de schaduwen verdichten tot een wraith, een wezen dat hij herkent van de aanval op vrouwe Serusa. Het doet een aanval en verdwijnt dan weer. Varlock kijkt een andere gang in en wordt daar door eveneens door een wraith overvallen. Het wezen klauwt naar hem, maar gaat op in de muur voor de krijger zijn bijl fatsoenlijk kan zwaaien.  
Het gejammer van de stemmen wordt steeds kwellender. De avonturiers raken steeds meer gedesoriënteerd en verzwakt door de aanhoudende aanslag op hun zintuigen.
Na verloop van tijd beseffen Chiara en Nazhaar dat ze van de rest van de groep afgesneden zijn geraakt. Ze proberen zich een weg doorheen de klauwen van een wraith te banen, maar de aanvallen van het wezen zijn vernietigend. Al gauw beseffen dat ze met zijn tweeën niet opgewassen zijn tegen deze tegenstander – of tenminste, Chiara beseft dat, terwijl Nazhaar koppig doorvecht. Ze ontdekt een deur in de wand van het labyrint en trekt de koppige drakenman mee naar binnen, het labyrint uit.
Het gejammer valt weg en met een zucht van opluchting ontspannen ze. Nadat ze bekomen zijn, gaat Nazhaar onvervaard op verkenning. Hij ontdekt al snel dat een van de muren van de kleine kamer waarin ze zijn beland, een illusie is. Daarachter vindt hij een grote ruimte, waarin een gekapte man zit te bidden. Hij wordt bekeken door de stenen blik van twee standbeelden, die duidelijk Kara’Vakasta en Vyrellis voorstellen. Daar laat de drakenman zich niet door intimideren. Hij rukt een gordijn van de muur, wikkelt het om zich heen en stapt op de gekapte man af. 'Ik ben je opvolger!' declameert hij plechtig. De figuur kijkt op en bestudeert hem heel even aandachtig. 'Ja, dat zie ik,' antwoordt hij kalm, 'maar niet van mij'. Daarna hervat hij zijn prevelende gebeden, en is niet meer aanspreekbaar.
Nazhaar gaat Chiara verslag doen en probeert haar te overhalen om de vreemde snuiter samen te gaan overmeesteren. Chiara wil eerst zelf eens poolshoogte gaan nemen en sluipt voorzichtig naar de figuur toe. Ze gluurt naar het papier waarover hij aandachtig zit te mediteren en schrikt heftig. Meteen kiest ze het hazenpad en duwt Nazhaar weer de illusiedeur door. Op zijn verbaasde vraag wat er aan de hand is, weigert ze antwoord te geven. Ze sommeert hem om kalm te gaan zitten – het enige wat ze kunnen doen, is afwachten tot ze gevonden worden. Nazhaar heeft er een hard hoofd in: als de andere helft van de groep hetzelfde doet, kunnen ze hier lang zitten. Maar Chiara is niet voor argumenten vatbaar en de drakenman laat zich door de dreiging van een rosse furie overhalen tot afwachten. Voorlopig.

Intussen is de andere helft van de groep aan de overkant van het labyrint eveneens met barstend hoofd een deur door gestruikeld.
Berlinden stapt een kamer in waar een gordijn hangt waarop een kasteel is afgebeeld. Verderop merkt hij een poel intense duisternis op. Varlock treft in een aanpalende kamer een soort zwart gordijn dat anders dan de andere lijkt, en wenkt Alítih. De tovenares stelt vast dat de magie van het gordijn niet helemaal klopt: de schijf zou kunnen werken als een soort portaal, maar het is geen echt zwart gordijn zoals degene die ze eerder hebben ontmoet. Berlinden ziet intussen vanuit zijn ooghoeken een beweging. Een schaduw-halfling schiet door de kamer.
Het zwarte gordijn begint met een felle kracht te zuigen en Varlock moet moeite doen om er niet in getrokken te worden. Met hulp van Berlinden weet hij de deur naar de kamer dicht te duwen voor het helemaal misgaat. Ze krijgen geen tijd om daarvan te bekomen: de duisternis begint zich door de kamer te verspreiden. Een grote, diepe vlek duisternis richt zich tot Berlinden als een oude bekende – ze zijn samen uit de Ketel gekomen. Berlinden zet zich schrap, dat kan niets goeds betekenen.
In het donker worden de drie aangevallen en moeten ze zich blind verweren. Varlock heeft echter een plan paraat: als ze de deur naar de kamer met het zwarte gordijn weer openen, worden hun overvallers daardoor opgezogen. Het plan werkt in aanvang – de deur gaat open en de aanzuigende kracht schiet meteen in werking. Varlock en Berlinden worden echter door de halfling mee de kamer in gesleurd. Berlinden hakt krachtig op het kleine wezen in, maar wordt dan mee door het gordijn opgeslokt.
Hij komt weer tot zichzelf in de grote kamer die hij eerder zag en zet het gevecht met de halfling zonder aarzelen verder. Licht om bij te zien, is er weer, maar een duistere aanwezigheid valt zo des te meer op: een zwarte Schaduwsteen is de achtergrond voor zijn worsteling.  

zaterdag 1 april 2017

Hoofdstuk 26

Wanneer de groep de kamer van de ondoden nader onderzoekt, zien ze dat de tafel in de kamer is volgekrast met woorden, zinnen die eindeloos worden herhaald:

Alleswatleeftmoetsterven.Levenisdereisdedoodishetdoel.Geenmedelijdenmetdestervendenzegaanwaarzehoren.Watnietleeftmoetooksterven.Verdoemddezielenvanzijdiededoodtarten.Gezegendzijdezielenvanzijdiedereisbeëindigen.Alleswatleeftmoetsterven.Levenisdereisdedoodishetdoel.Geenmedelijdenmetdestervendenzegaanwaarzehoren.Watnietleeftmoetooksterven.Verdoemddezielenvanzijdiededoodtarten.Gezegendzijdezielenvanzijdiedereisbeëindigen.Alleswatleeftmoetsterven.Levenisdereisdedoodishetdoel.Geenmedelijdenmetdestervendenzegaanwaarzehoren.Watnietleeftmoetooksterven.Verdoemddezielenvanzijdiededoodtarten.Gezegendzijdezielenvanzijdiedereisbeëindigen.Alleswatleeftmoetsterven.Levenisdereisdedoodishetdoel.Geenmedelijdenmetdestervendenzegaanwaarzehoren.Watnietleeftmoetooksterven.Verdoemddezielenvanzijdiededoo

Ze herkennen deze mantra als degene die ook de bezeten ketenkrijgers van de Shadar-Qai bleven prevelen.

Voorzichtig wordt de verkenning van deze verdieping van de schemersmidse verdergezet. Een kreet van ontzetting en verlangen klinkt uit de glazen bol in Alítihs hand wanneer ze de volgende kamer betreden. Vier met runen bezette obelisken genereren een krachtveld dat een lichaam in de lucht laten zweven: het lichaam van een vrouwelijke eladrin krijger… zonder hoofd. Vyrellis vraagt hen dringend om haar lichaam te bevrijden: eens ze dat terugheeft, zal ze hen nog zoveel beter kunnen helpen bij het vernietigen van haar zus.
Na een mislukte poging om het krachtveld te verstoren met een schild – wat uitloopt op een zachtjes gegrilde dwerg – besluit de groep om een obelisk omver te duwen. Dat heeft het gewenste effect: zodra de obelisk in stukken breekt, worden de spreuken die het krachtveld in stand hielden verbroken. Het lichaam valt op de grond.
Wanneer Alítih de glazen bol met het hoofd van Vyrellis naar het lichaam brengt, gebeurt er iets bizars: de bol lijkt naar het lichaam toe getrokken te worden en landt met een klap in de borst, waar het naarbinnen verdwijnt. Even later begint het lichaam te bewegen, en de stem van Vyrellis klinkt eerst tevreden, maar daarna paniekerig. De bewegingen van het lichaam worden schokkerig, en het wordt duidelijk dat ze het niet onder controle heeft. De groep kan niet anders dan zich verbijsterd verdedigen wanneer ze door het hoofdloze lichaam worden aangevallen.
Een vreemd gevecht ontspint zich. Vyrellis tracht de groep te waarschuwen, telkens wanneer haar lichaam een beroep doet op haar krachten, maar slaakt ook kreten van pijn wanneer ze geraakt wordt. Varlock, Nazhaar en Berlinden stormen naar het lichaam toe en proberen het op de grond te werken om de glazen bol er weer uit te rukken. Het lichaam creëert echter keer op keer magisch opgewekte schokgolven die hen als lappenpoppen uit de weg gooien.
Chiara is intussen bovenop een brokstuk van de obelisk gesprongen en spant haar boog. Ze probeert overzicht op het gewoel te krijgen, en profiteert van de schokgolven die haar een vrij schootsveld opleveren. Alítih laat intussen haar magie op het lichaam inslaan, en de mannen gaan haar met hun bijlen te lijf, tot er een glimp van de bol zichtbaar wordt. Wanneer Berlinden die in het vizier krijgt, concentreert hij zich. De wilden verandert in een andere, gladdere boomvorm. Met een forse klap weet hij de bol van het lichaam te scheiden en het lichaam valt levenloos op de grond, waar het in een grijze smurrie verandert. Berlinden raapt de bol op en poetst die hoffelijk schoon voor hij hem weer aan Alítih overhandigt.
Na deze bizarre confrontatie is de groep hoognodig toe aan wat rust. Alleen Chiara is te rusteloos om te slapen en zij betrekt dan ook de wacht. Na enkele uren bekruipt de slaap haar echter… of is het geen droom maar een visioen? 

Ze is een soldaat van Vhalt in een escorte van haar heer. Samen met de groep, discreet vertrokken in de nacht, gaat ze naar een bijzonder wild begroeid stuk bos in het hart van Vhalt. Ze stelt zich geen vragen bij het pad dat netjes voor haar heer gevormd wordt door opzijzwaaiende takken en terugwijkende wortels. Het maanlicht komt door de wolken en het gebladerte en vormt een witte kroon rondom hem. Hij gedraagt zich vreemd vanavond, alsof hij hunkert, gehaast is.

Wanneer het visioen haar loslaat, beseft ze dat de edele die ze volgde niemand minder was dan Oristos.

Wanneer iedereen is uitgerust, gaat de tocht weer verder. De groep belandt in een grote hal, verlicht door een indrukwekkende kroonluchter. Twee paar deuren komen erop uit, een ervan ijskoud. Vyrellis moedigt de groep aan om de koude kamer te onderzoeken: daar zouden wapens zijn opgeborgen die hen wel eens van pas kunnen komen.
Chiara trekt de deuren op een kiertje open gluurt voorzichtig binnen. De deur slaat echter open in haar gezicht en vier ijszombies schuifelen naar haar toe. Haar makkers schieten haar meteen te hulp, bijlen zwaaiend en magie paraat… maar Chiara klapt de deur met een gil weer dicht. Na enig overleg wordt besloten om de zombies toch maar te lijf te gaan, maar dan met een weldoordacht plan.
Niet veel later trekt Varlock de deur open en springt achteruit, zorgvuldig het touw vermijdend dat Berlinden en Nazhaar spannen. De zombies hebben dat inzicht niet en de twee voorste vallen meteen op de grond. Dat voordeel wordt echter snel teniet gedaan door de ijselijke kou die de zombies uitwasemen: ze hoeven nog geen klap uit te delen om de groep flinke schade toe te brengen.
Alítih en Chiara staan echter klaar. De tovenares stuurt vurige magie op de ijswezens af en Chiara jaagt brandende pijlen in hun lijf. Eén van de zombies valt meteen neer. Nazhaar spuwt zijn zure drakenadem op de rest en Varlock bonkt links en rechts met zijn schild tot de zombies staan te wankelen. Berlinden hakt een van hen in stukken, en onder de vurige regen van Chiara en Alítih vallen weldra ook de laatste twee.
Varlock, de meest bestendige van de groep, wikkelt zich in een paar dekens en gaat verder op verkenning in de ijskoude kamer. Hij treft er een kluis, die zo mogelijk nog kouder voelt. De nieuwsgierigheid wordt hem echter te machtig en hij roept Nazhaar en Berlinden te hulp. De drakenman voelt zich duidelijk niet prettig in de kou, maar de wilden ziet er vrij onberoerd uit: zijn houtachtige spieren spannen zich nauwelijks wanneer hij het ijzige wiel aan het draaien brengt.
Ze komen oog in oog te staan met een bevroren demon. Wanneer ze goed kijken, zien ze zijn ogen woedend draaien achter het ijs, maar hij kan zich duidelijk niet bewegen zolang hij bevroren is… het is dus zaak hier niet al te lang te blijven staan met de deur open! De groep besluit wijselijk om de demon lekker in het ijs te laten zitten, maar Nazhaar wrikt wel even de bijl los die hem ijzig toefonkelt: zo’n mooi wapen kan hij wel gebruiken…

Achter de tweede deuren wacht hen een subtielere dreiging… van een hele resem trappen drijft een gezang naar beneden dat in eerste instantie lieflijk klinkt, maar hun krachten lijkt weg te branden. Vyrellis waarschuwt de groep dat ze een dryade horen en de dryaden hier allemaal door haar zuster zijn gecorrumpeerd – in de schemersmidse zijn ze niet de goedaardige boomvrouwen die de groep misschien kent.
Chiara is voorzichtig binnengeslopen, maar een brandende dryade komt van de trap naar beneden en braakt een regen as over haar uit. De ranger is verblind en probeert haar ogen schoon te krijgen, terwijl de dryade naar boven vlucht. Berlinden zet haar na, maar de trap begint te beven en keilt hem regelrecht in een diepe put. Nazhaar schiet toe en werpt hem een touw toe. Samen met Varlock weet hij de wilden uit de put te sleuren, terwijl de dryade onverminderd haar brandende lied verderzet.
Alítih teleporteert naderbij en laat haar magie op de dryade inslaan, zodat Chiara de kans krijgt om haar ogen vrij te maken. Met tranende ogen is de ranger echter nog steeds een bijzonder bedreven boogschutter: haar pijlen treffen de ene na de andere vernietigend doel, tot het lied van de dryade begint te haperen. Met haar laatste adem roept ze nog twee bondgenoten aan, maar dan stort ze levenloos neer.
Twee ruwe stemmen zetten een niet al te intelligente discussie op touw: worden ze nu nog geacht naar beneden te gaan of niet?
Chiara roept geruststellend naar boven dat hier niemand is om een gevecht te leveren. Wanneer de rest van de groep dat in koor bevestigt, blijven de twee vredig boven. Zolang maar niemand naar boven komt en probeert door het portaal te gaan...

Hoofdstuk 25

De groep laat zich niet afschrikken en gaat de kamer binnen. Een stuk van de vloer klapt prompt weg en neemt Berlinden met zich mee. Nazhaar en Varlock die hem te hulp willen komen, worden eveneens weggeklapt. Chiara’s scherpe ogen sparen haarzelf en Alítih hetzelfde lot: de roodharige ranger springt er vlotjes overheen en de tovenares teleporteert zich naar de overkant. Maar wat nu? Er is geen spoor van hun makkers te bekennen. Enig gepruts aan de standbeelden en de naad in de vloer levert helemaal niets op.
Alítih besluit Vyrellis te raadplegen. Het hoofd in de glazen bol kan haar vertellen dat deze kamer het domein is van een Afvalheer.
De mannen worden intussen van dichtbij met deze realiteit geconfronteerd: elke keer als de vloer roteert, wordt een van hen in op een glijdend vlak richting de put van een afvalverwerkende monster afgeleverd, dat uit niet veel meer dan een getande bek met tentakels lijkt te bestaan. Ze raken slaags met het wezen en proberen uit te vogelen hoe ze hier weer uitkomen. Nazhaar stuurt Zennie met een van zijn touwen omhoog, maar de vloer draait weer eens voor hij kan ontsnappen.
Alítih en Chiara zijn intussen aan de weet gekomen dat het niet om een simpel valluik gaat, maar om een roteersysteem in drie delen: het doet achtereenvolgens deze kamer, de kamer van de charnel lord en een derde ruimte aan. Ze weten het mechanisme aan de praat weten te krijgen door zware brokstukken van een omvergegooid standbeeld op de plaat te gooien. Chiara schiet een pijl in de vloer als houvast voor de opgeslotenen en ze slagen er zo in om Varlock weer boven te krijgen, maar die is niet bijster dankbaar: hij was een gevecht aan het leveren!
Wanneer ze hebben afgerekend met het monster, komen de drie triomferend weer boven, zij het met een troep piepende ratten die ze mee omhoog zijn gekomen.

De verkenning van het labyrint van gangen en kamers gaat verder. De groep loopt een gang in waar Chiara eerder een rood slangachtig wezen bespeurde. Het lijkt nu verdwenen en voorzichtig beginnen ze hun weg over de hangbruggen, maar worden dan gestuit door een sissende stem. Een slangachtig wezen met veren duikt op, en Berlinden herkent het meteen als een Yuan-Ti. Alítih verbergt haastig de glazen bol met het hoofd van Vyrellis, wanneer die haar dat fluisterend aanraadt en probeert vervolgens de slangenwezens te overtuigen van hun goede bedoelingen. Ze verwijst naar hun kennismaking met Yuan Ti-prins Shiakantar, momenteel levend in het hoofd van Gerben Padraig. Hoewel de wezens wat verward reageren op de suggestie dat hun prins nog slechts een geest zou zijn, blijken ze gevoelig voor het argument dat de groep hier is om Kara’Vakasta te bestrijden: ook zij zijn geen vrienden van haar.
De Yuan-Ti geven hen een rondleiding door dit verdiep van de schemersmidse, en raken wat verderop slaags met een groep blauwe slangenwezens. Ze weten de overhand te behalen en de groep kan veilig een ondergelopen kamer bereiken.
Iets verderop treffen ze het standbeeld van een ridder. Hij lijkt van eladrin of menselijke afkomst en draagt een diadeem met een maansteen. Zijn harnas vertoont kenmerken die Berlinden kan thuisbrengen als typisch voor Nieuw-Vhalt.
Alítih hoort een dringende fluisterstem vanuit de glazen bol die ze verborgen had: Vyrellis wil dolgraag de maansteen die het beeld draagt. Het is afkomstig van de man die het voorstelt: haar geliefde Oristos. Het kost Alítih enig soebatten, want vooral Nazhaar voelt er niets voor om dit vreemde hoofd te geven wat het wil. Tenslotte gooit Varlock zijn prinselijke gewicht in de strijd door kordaat de steen los te halen en te stellen dat ze er hierbeneden toch niets bijzonders mee kunnen doen – Alítih kan de steen net zo goed meedragen als een ander. Zodra de maansteen echter de glazen bol raakt, wordt die op magische wijze naar binnen gezogen. Het gezicht van Vyrellis straalt tevreden maar droevig: dit is de enige manier waarop ze haar geliefde nog dichtbij zich kan voelen. Ze belooft andermaal dat ze de groep met al haar kracht zal bijstaan.
Nu de hele verdieping verkend is, zit er niet veel anders op: de groep moet door een portaal stappen om vooruitgang te kunnen boeken en de delen van de ziel van Kara’Vakasta te vinden en te vernietigen…

Ze komen terecht in een gang die behangen is met spiegels. Zodra Berlinden in één ervan kijkt, ontwaart hij geen wilden, maar een vlammende schedel, die meteen een vuurbal naar hem spuwt. Vanachter een nabije deur klinkt het gedempte maar dreigende geluid van wapens die uit de schede getrokken worden.
Nazhaar stormt meteen onvervaard naar binnen en treft vier ondoden die hem prompt aanvallen. Hij laat zich echter niet van zijn stuk brengen en hakt een van hen meteen de kop af. Alítih laat een vernielende magische stortregen op ze neerdalen, maar het wordt al snel duidelijk dat er iets vreemds aan de hand is: zolang er nog één ondode overeind staat, duurt het niet lang voor de andere ook weer rechtkomen.
En intussen blijft de vlammende schedel vernieling zaaien. Chiara probeert de spiegels aan duigen te schieten, maar die herstellen zich bijna meteen weer: de stukken vloeien terug naar de lijst en de vlammende schedel spuwt zijn vuur. Varlock heeft een praktische oplossing: hij dekt de spiegels een voor een af met dekens. Berlinden en Chiara kunnen zo een omtrekkende beweging maken en vallen de ondoden in de rug aan.
Wanneer de groep zijn krachten bundelt en de vier ondoden tegelijk aanvalt, slagen ze erin om hen voorgoed te rusten te leggen. Wanneer het wapengekletter is weggestorven onderzoeken ze deze vreemde ondoden. Ze dragen kledij van recentere makelijk en delen een kenmerk met Berlinden: het vlees rond hun hart is weg, op hun ribben zijn vijf namen gekrast en hun hart is zwart. Alítih buigt zich andermaal over de namen en consulteert Vyrellis erover. Die kan de groep vertellen dat het gaat om de machtigste inwoners van de schemersmidse. Er is maar één naam die wat anders is dan de andere: van Tao Feng weet ze niet zeker of die nog wel in de schemersmidse vertoeft…