zondag 23 oktober 2016

Hoofdstuk 20


Nazhaar springt woedend overeind wanneer hij de contouren van een tiefling bij zijn drietand ziet. Is het nog niet erg genoeg dat hij Azazel niet heeft weten te ontmaskeren, komt die nu ook nog zijn trofee jatten? Samen met Chiara zet hij de achtervolging van de dief in, maar die weet zich een stuk zekerder in het donker te bewegen dan het slaapdronken duo, en bestookt hen bovendien met explosies die hen tijdelijk het gehoor en gezicht ontnemen.
Varlock hoort een snelle ren de trap af en komt tevoorschijn uit zijn eenvoudige kamertje dat daar vlak naast ligt. Zijn keuze voor de goedkoopste kamer blijkt in dit geval wel handig: hij kan meteen de achtervolging van de onverlaat inzetten. Ook hij wordt echter bestookt en staat algauw klemvast halverwege de trap: doof en blind.
Chiara bonkt verontwaardigd op de deur van Alítih die in haar riante kamer met zicht op de wouden vredig zit te mediteren. De tovenares komt met enige tegenzin uit haar trance, maar sluit zich dan aan bij de achtervolging.
Nazhaar is intussen voldoende bij zijn positieven om Zennie boven te halen: het hondje volgt het spoor van de dief feilloos en leidt hen naar de haven. Fáelán, die trouw de wacht betrok in de gevangenis, wordt meegesleept, dus het is met een flinke meerderheid dat ze uiteindelijk de diefachtige tiefling confronteren. Hij blijkt een bootje vol met buit te hebben die her en der groen opglanst: het volledige tribuut dat de inwoners van het eiland voor de draak Khesh hebben verzameld!
Tot Nazhaars verrassing zit niet Azazel maar zijn broer Mordechai in de boot. Mordechai pleit en soebat dat na de grote nederlaag die de Ridders van Ardeyn hebben geleden, ze deze financiële injectie zwaar nodig hebben. Heel even wankelt Fáelán, wanneer Mordechai hem uitnodigt om zich bij hen aan te sluiten. De Ridders van Ardeyn zullen het Keizerrijk in zijn oude glorie herstellen, hij kan bijdragen een grote zaak! Fáelán weifelt: ligt hier het grote doel dat de leegte zal vullen die hij in zijn ziel voelt? Maar zijn enthousiasme wil niet opflakkeren en bovendien leeft hij te zeer mee met de inwoners van Khesh die maandenlang gezwoegd hebben om het tribuut samen te brengen.
Mordechai is inmiddels bezig het bootje van de kant weg te duwen en probeert er schielijk van door te gaan. Dat is echter buiten Varlock gerekend, die Neptulon bovenhaalt en het water in zwiert. De groep maakt zich op om de strijd met Mordechai aan te binden, wanneer een verstoring in het water verschijnt. Luchtbellen borrelen en een mechanisch tuig komt langzaam boven water. Mordechai kan zich niet staande houden en valt in de golven. Nazhaar tilt hem aan zijn nekvel de slang op, terwijl Chiara vlot op het bootje springt en het veilig naar de kant stuurt.
Met enige verbazing zien ze de machinerie het water uitkomen. Er weerklinken klikken en galmende geluiden en het geheel vouwt zich open om een reusachtige, zwaar gepantserde dwerg te laten zien die de wal op stapt. Hij gromt wat en zet dan koers richting ‘de Morgenstond’. Chiara, die enigszins bezorgd is over wat deze massieve figuur met haar herberg van plan is, huppelt zo snel mogelijk met hem mee. Terwijl Nazhaar en Fáelán de verrader in de gevangenis gooien en het Tribuut in veiligheid brengt, krimpt Chiara in elkaar terwijl de brede schouders van de dwerg haar deuropening versplinteren.
De dwerg blijkt een man van weinig woorden en bromt dat hij Varlock wil zien. Chiara is niet meteen klaar om haar makker voor de leeuwen te gooien en probeert het vaag te houden: zo iemand kent ze mogelijk wel, maar wat wil hij precies met Varlock? De dwerg kan er niet om lachen, grijpt haar bij haar rosse lokken en brengt haar gezicht tot vlak voor het zijne om zijn opdracht te herhalen. Zelfs met haar neus op één centimeter van een massieve dwergenneus blijkt Chiara koppig genoeg om hem vriendelijk een drankje aan te bieden zodat hij even tot zichzelf kan komen.
Varlock, die zwaar onder de indruk is van deze bezoeker, ziet dit als het moment om toch maar naar voren te treden. Chiara wordt meteen terzijde geschoven. Een zware dwergenstem dreunt door de gelagkamer. Veel omhaal is er niet. Dit is Tarvok en hij wil een bijl. Varlock probeert zenuwachtig aan de weet te komen om wat voor een bijl het dan precies gaat, maar krijgt er niet meer uit dan dat hij precies tien minuten de tijd heeft. Tegen de tijd dat hij nog acht minuten heeft, tast hij verward naar zijn wapen – is zijn hamer soms stiekem een bijl?
Tarvok steekt hem een brief toe. Die levert echter niet veel op: de Earthbreakers ontkennen officieel ook maar iets te weten van een verloren lading of een gezonken schip waarbij een kist zou horen. Het is officieel dan ook onmogelijk en aldus onwaar dat hij een zegel van de Earthbreakers in zijn bezit zou hebben. Varlock krabt in zijn baard. Onmogelijk en onwaar… maar hij heeft het wel: het zat in de kist waarin hij ook Neptulon heeft gevonden.
Ook Varlocks makkers breken er hun hoofd over: wat is hier gaande? Ze leggen de link naar de enige andere dwerg op het eiland: de koopman die Varlock te pas en te onpas achterna zit over jaden voorwerpen met de nadrukkelijke melding van hoe geïnteresseerd hij daar wel niet in is. Tot nog toe hebben ze aangenomen dat die bij wijze van geschenk voor Khesh moesten dienen – immers ook groen – maar wat als er meer aan de hand is?
De groep rept zich naar dwergenkoopman Armando. Wanneer hij hoort over het bezoek is Armando helemaal over zijn toeren. Tarvok, de zoon van Torvork? Hij schudt Varlock door elkaar: hij moét iets van jade hebben! Toch? Hij moét het voor Armando bovenhalen, voor het zijn dood wordt! Bovendien komt de troonsopvolging anders in gevaar, want zonder de kroonjuwelen wordt dat bijzonder lastig.
Het verhaal wordt steeds mysterieuzer… troonopvolging? Het dwergenrijk is allang versplinterd… is er dan nog een dwergenkoning?
Na lang aarzelen haalt Varlock toch maar Neptulon boven. Armando is buiten zichzelf van vreugde. Nu kan hij eindelijk de belofte die hij aan Varlocks vader gedaan heeft, inlossen. Varlock is nu helemaal verward. Zijn recent gestorven vader? Heeft die hem specifiek naar Armando gestuurd met de kist met Neptulon? Waarom dan? En wat heeft hij te maken met de kroonjuwelen?
Armando neemt de tijd niet om veel vragen te beantwoorden. Hij prikt een tandje uit de bek van de jaden slang in Varlocks vinger. Varlock grijpt verschrikt naar zijn arm wanneer een glinsterende gloed zich kronkelend om zijn arm slingert. Het beeldje is verdwenen, maar hij voelt het zachte trillen van sluimerende magie op zijn huid. Wanneer Armando een kist bovenhaalt met een slot in de vorm van een ovalen gat, steekt Varlock als in een droom zijn arm naar voren. Die glijdt de kist in en zijn hand sluit zich aarzelend om een handvat. De kist klapt open en Armando straalt bij het zicht van de prachtig bewerkte bijl die in Varlocks vuist schittert.
Varlock snelt terug naar ‘de Morgenstond’. Dit moet de bijl zijn waarmee hij Tarvok tevreden kan stellen, voor hij Chiara’s erfdeel afbreekt. Hij rent binnen en steekt Tarvok de bijl toe. Die pakt het kroonjuweel echter niet aan, maar bromt goedkeurend. Hij brengt zijn hand met de zware zegelring naar de plaats waar hetzelfde Earthbreakers-symbool op de bijl prijkt. Varlock voelt de bijl zingen van energie wanneer de twee symbolen elkaar raken.
Tarvok beschouwt hem nog een keer, knikt tevreden en verkondigt dat de opvolging veiliggesteld is. En daarmee vertrekt hij weer, door de recent verbrede deuropening, Varlock achterlatend met het kroonjuweel dat kennelijk in zijn handen thuishoort.
Zijn makkers staren verbijsterd naar Varlock… Stond hun bierliefhebbende vriend altijd al zo recht en koninklijk? Kunnen ze hun oren geloven? Zijn ze hier werkelijk in het gezelschap van de Kroonprins der dwergen?

De alledaagse werkelijkheid komt iedereen snel weer met de voeten op de grond zetten: het Tribuut ligt te wachten en Khesh verwacht Nazhaar en ‘de eladrin tovenares’ als begeleiders. Bij het nieuws dat het Tribuut bijna was gestolen, wordt Padraig bleek om de neus en bij de toevoeging dat de dader niemand anders dan Mordechai was, valt de arme man zowat in onmacht. Hij is amper nog in staat om Nazhaar en Alítih op het hart te drukken of ze alsjeblieft de belangen van Waterzooi in hun achterhoofd willen houden bij de komende ontmoeting.

Gevleugelde kobolden zijn al verschenen om het bootje met het Tribuut naar de verblijfplaats van Khesh te begeleiden. Er is nog precies plaats voor twee personen en met enige tegenzin stappen Alítih en Nazhaar in. In een wijde boog voeren de kobolden het scheepje over het water om het eiland heen. De zonsopgang schittert op het water en hult heel Khesh in een warme gloed. Onwillekeurig vraagt Alítih zich af of dit de laatste zonsopgang is die ze te zien zullen krijgen. Nazhaar daarentegen legt haar optimistisch zijn plan voor: hij heeft de ervaring dat Khesh door haar grot sluipt en slechts haar hoofd en haar staart laat zien. Als ze allebei een helft voor hun rekening nemen, hij de kop en Alítih de staart, dan kunnen ze ongetwijfeld vlotjes met de draak afrekenen. Alítih kijkt bedenkelijk maar stemt in met het idee, aangezien dat behelst dat Nazhaar degene is die in de drakenmuil gaat staren.
Het bootje vertraagt wanneer de grot net in zicht zou moeten komen. Er is echter niets te zien: een grote mistbank van rook hangt boven het water. Twee kobolden vliegen vooruit op verkenning. Het resultaat is een gigantische explosie waarbij koboldendelen in het rond vliegen. De resterende twee kwetteren angstig tegen elkaar en lijken niet van plan verder te gaan. Nazhaar en Alítih beseffen echter dat er niets anders opzit: het Tribuut moet bij Khesh geraken. Met enige overtuigingskracht – en brute intimidatie – weten ze de kobolden zover te krijgen dat ze voorzichtig verder vliegen.
In de rook duiken vage vormen op. Goblins varen er op geïmproviseerde vlotten rond en tot hun grote ergernis herkennen Nazhaar en Alítih de overschot van de goblinpiraten. Ze hebben zeemijnen in het water gelegd en liggen op de loer voor passerend verkeer. Zo stilletjes mogelijk proberen Alítih en Nazhaar door de mist te navigeren, maar wanneer ze bijna een mijn overvaren, trekt hun haastige gemanoeuvreer de aandacht. Met een mes tussen hun tanden komen de goblins aangezwommen. Nazhaar sommeert de kobolden om vooral door te vliegen, terwijl Alítih haar magie op de kleine piraten afvuurt en er een paar naar de bodem doet zinken. Ze laten zich echter niet zo makkelijk afschrikken en al gauw klimmen er een paar aan boord. Nazhaar maakt er korte metten mee: hij grijpt er een in elke hand en slaat ze met de koppen tegen elkaar, alvorens zijn kruisboog te trekken en een schicht op een mijn af te vuren. De explosie doet goblinstukken in het rond vliegen en de achtervolgers verliezen hun enthousiasme.
Het bootje drijft de grot van Khesh binnen en Alítih en Nazhaar zoeken hun weg richting Khesh. Het is spookachtig stil in de grot, op de vallende druppels na die van stalactieten afglijden. Dan zien ze uit hun ooghoeken groene flitsen achter dikke pilaren opduiken. Het groen houdt nooit stil, maar lijkt hen te volgen, nu eens links, dan weer rechts, tot een zachte maar beheerste stem door de hele grot klinkt:
“Nazhaar…?”
De drakenman verpinkt niet en stapt naar voren met de vraag wat hij voor Khesh kan betekenen.
“Waar is mijn Ketel?”, is het enige antwoord dat hij krijgt.
Nazhaar brengt haar met veel egards in herinnering dat hij haar al een hele poos geleden een ketel heeft overhandigd.
De draak verwaardigt zich niet om daarop in te gaan. Ze vraagt hem om eens goed naar zijn borst te kijken. Zit daar nog een groene schub? Ja? Denkt hij dan niet dat dat betekent dat zijn opdracht nog niét vervuld is? Nazhaar houdt koppig staande dat hij de Ketel al overhandigd heeft, maar Khesh heeft een ander aandachtspunt gevonden.
Alítih deinst naar achteren wanneer ze ineens door een groot drakenoog wordt aangestaard. De groene draak lacht geamuseerd.
“Nazhaar, probeer je mij nu een maagd te offeren bij wijze van compensatie?”
Nazhaar fronst zijn wenkbrauwen. Khesh had toch zelf naar Alítih gevraagd? De draak ontkent dat welhaast nonchalant, voor ze Alítih alweer beu is. Ze schiet terug richting Nazhaar en gaat hem opnieuw onder druk zetten over “haar Ketel”. Terwijl Nazhaar zich eruit probeert te kletsen, beseft Alítih met stijgende ongerustheid dat iemand haar dus bewust Waterzooi uit wou werken. Wie, en waarom? Vrouwe Padraig was toch degene die die boodschap overbracht? Is zij dan echt de geheimzinnige Meesteresse die nog steeds op het eiland losloopt?
Khesh wordt steeds woedender door Nazhaars ontwijkende antwoorden en slingert met het puntje van haar staart de valse ketel tevoorschijn en keilt die zover hij wil gaan de grot in. Bulderend eist ze dat hij zijn belofte nakomt, maar wordt overstemd door het heftige schudden en beven van de hele grot. De kracht waarmee ze de ketel wegslingerde, heeft kennelijk de stabiliteit van de grot ondermijnd.
Nazhaar denkt er niet al te lang over na en stormt richting de uitgang die dreigend nauwer wordt. Alítih heeft maar twee seconden nodig om te beseffen dat ze maar beter zijn voorbeeld kan volgen. Terwijl brokstukken naar beneden vallen, die ze niet altijd met evenveel succes weten te ontwijken, graaft Nazhaar heftig in zijn geheugen: hij is de grot toch al eerder uitgekomen, dus hij moet de weg toch nog wel weten te vinden!? Het is maar net op tijd dat ze daarin slagen… de opening naar de grot klapt dicht, maar Nazhaar en Alítih staan veilig buiten. Ze hebben echter geen tijd om te treuzelen. Zo snel ze kunnen nemen ze de vlucht richting Waterzooi. In het binnenste van de afgesloten grot rommelt achter hen de kreet van een woedende groene draak, en die bestaat uit één woord:
“Nazhaaaaar!”

Een edelvrouwe van het Dragovar-keizerrijk en een agent van de Vost Miraj in zijn gevangenis… het is tegenwoordig een doorsnee dag in het leven van Gerben Padraig. De prefect probeert zijn daadkracht te hervinden terwijl hij Chiara, Fáelán en Varlock voorgaat naar de gevangenis om orde op zaken te gaan stellen.
Mordechai heeft niet veel te melden. Hij verzoekt om een gesprek met zijn broer en houdt staande dat hij een nobel doel dient, ter meerdere glorie van het rijk.
Vrouwe Serusa, immer haar charmante zelf, lijkt niet bijster onder de indruk van de ernst van haar situatie. Ze deelt Chiara liefjes mee dat ze erop vooruit is gegaan wat ontbijt betreft. De halfelf kan er nog maar net van weerhouden worden om Serusa aan te vliegen, terwijl Padraig haar verzoekt om meer uitleg te verschaffen. Serusa neemt niet eens de moeite om haar betrokkenheid bij de Shan-cabal te ontkennen, maar weigert verdere informatie te verstrekken, tenzij ze wordt overgedragen aan het keizerlijke hooggerechtshof. Chiara gilt in de achtergrond dat daar niks van in huis komt, en dat ze dit mens dood en begraven wil zien. Padraig wenkt Fáeláen terzijde en stelt hem ervan op de hoogte dat hij Serusa sowieso zal moeten uitleveren… hij kan een edelvrouwe niet in zijn gevangenis houden. Dus ze kunnen maar beter van de gelegenheid gebruik maken om de informatie te krijgen die ze willen.
Fáelán sommeert Serusa dreigend dat ze maar beter alles kan vertellen dat ze weet. De edelvrouwe trekt zich niks van hem aan en begint met duidelijk genoegen haar verhaal. De Shan-cabal handelt immers op bevel van wijlen zijne keizerlijke majesteit Azakan de Frivole, gezegend zij zijn bloed. In zijn opdracht hebben ze belangwekkende experimenten gedaan met halfelfen. Deze arme misbaksels van creaturen, noch mens noch elf, bleken immers bij uitstek geschikt om aan hun tekortschietende wezen iets toe te voegen. Chiara hoort het verhaal schuimbekkend aan, en moet weer in een houdgreep genomen worden wanneer ze hoort hoe Serusa haar passage naar Khesh regelde zodra ze van Zentorm hoorde dat Stern daar met enige halfelfen was aangekomen. Erano Stern blijkt een ridder van Ardeyn die niet kon instemmen met de methodes van de Shan-cabal, die hun mislukte experimenten wilden ‘opruimen’. Hij ontvoerde alle halfelfkinderen en voer ze op twee schepen weg.
Wanneer Fáelán streng informeert naar de inhoud van deze experimenten vraagt Serusa poeslief aan Chiara of ze wel zeker weet dat ze het wil weten. Zal ze nog wel kunnen leven met zichzelf eens ze de waarheid kent? De halfelf schreeuwt boos dat ze haar best maar doet en Serusa vertelt verder: de Shan-cabal had de bedoeling om de geesten van drakenmagiërs uit lang vergane tijden aan de halfelfkinderen te binden. Tot haar teleurstelling bleek Radam een mislukt exemplaar en de lens uit de verrekijker onthulde ook bij Chiara geen spoortje magie. Terwijl ze door Chiara’s rosse haardos nog wel zo had gehoopt dat er een rode drakenmagiër aan haar gebonden was geraakt!
Terwijl Serusa hooghartig verder borduurt op Chiara als bron van teleurstelling, herinnert Chiara zich echter de vreemde gewaarwording die ze in aanwezigheid van de rode draak Marzark had. Is er dan toch iets van dit vreemde experiment geworden?

Wanneer Chiara, Fáelán en Varlock langs de haven naar de herberg lopen, zien ze dat er een grote kist wordt afgeleverd. Er is een etiket op bevestigd dat de kist adresseert aan ‘de dwaze avonturiers’. Ze staan er enige tijd bedenkelijk naar te kijken, tot er een stem vanuit de kist opklinkt, die informeert of ze al ter plekke is.
Na enig heen en weer gepraat, bevrijden ze een eladrin geest uit haar reis-koffer… De aanwezigheid stelt zich voor als Thura, lerares aan de Magische Academie. Ze is gestuurd om een zekere eladrin informatie te verstrekken over een Ketel van Grauwe Oogst.
Voor ze het weten, wordt de groep onthaald op een uitgebreid college over de herkomst van Ketels van Grauwe Oogst. Die werden geschapen in de necrosmidsen van het oude koninkrijk Vhalt, dat bestond in drie dimensies: de aardse, de fey-dimensie en de onderwereld. Dit rijk lag vroeger ten oosten van Dragovar, maar het is verdwenen, en er hangt nog slechts een zwart gordijn. Wie erdoorheen gaat, komt terecht in een bijna-doodervaring, en als hij er niet tijdig uit wordt gehaald, is de dood alsnog het gevolg. De groep herinnert zich verwonderd hun eigen bijna-doodervaring van enige tijd geleden, in de venomietmijn. Is er dan een necrosmidse hier in de buurt?
Thura bevestigt dat dat inderdaad goed mogelijk is. Een dergelijke smidse is de plaats waar de Ketel gebruikt kan worden om ondoden te scheppen, levende planten te creëren, en soortgelijke manipulaties van levensenergie… en het is ook de plek waar je een Ketel kunt vernietigen. Ze waarschuwt met klem dat zo’n Ketel nooit in handen van een draak mag vallen, want die kunnen er een dracolich mee creëren, een ondode draak die de wereld eindeloos zou kunnen teisteren.
Terwijl de groep deze informatie nog staat te verwerken, wendt Thura zich tot Fáelán. Ze gebaart naar zijn borstplaat. Is hij een ravenridder? Fáelán ontkent – hij is een natuurridder. Thura lijkt geïntrigeerd, hij vormt een interessante paradox. Ze nodigt hem uit om een wandeling met haar te maken. Misschien kan haar wijsheid hem helpen bij de keuze die hij moet maken. Fáelán aanvaardt dit aanbod tot leiding gretig en wandelt met haar richting de kliffen. Het zicht op zee daar heeft hem eerder vaak steun geboden, ook al raakt het de laatste tijd geen snaar meer in zijn ziel.
 
En Thura vertelt:

“De legende van de ravenridder en Kara’vakasta.
Er was eens een nobele heer, baron van een klein gebied in de langvergeten Baronieën van Vhalt. Dat rijk lag deels in deze wereld, deels in de Feywild en deels in de Shadowfell. Op die manier had de heer geregeld contact met feywezens zoals eladrin, alsook met de schaduwwezens die we Shadar-Kai noemen. Onder de eladrinbaronnen was er een machtige heerser met twee dochters. De één, Vyrellis, was bleek, had zwart haar en grijze ogen. Zij was rustig en beheerst, en bijzonder sterk van wil, bijna koppig. De ander, Kara'vakasta, was uitbundig en wild, maar berekenend en uit op macht. Ze had herfstbruin haar, vele sproeten en groene ogen. Beiden bezaten magie.
Toen de baron zich aangetrokken voelde tot Vyrellis, werd Kara'vakasta jaloers. De heer was namelijk een machtig krijger die de kracht van de natuur aan zijn zijde had. Takken weken voor hem opzij, de zee bleef rustig onder zijn boot, en de wind woei gunstig in zijn zeilen. Ze gaf zich helemaal over en verleidde hem.
De ruzie tussen de zussen laaide hoog op, want hij kon geen keuze maken. Ten slotte werd een compromis bereikt: de herfst was voor Kara'vakasta, de winter voor Vyrellis, en de overige seizoenen was hij vrij. Kara'vakasta betoverde hem echter en bond hem aan haar. Bedwelmd door haar succes verlangde ze naar meer.
Samen, gedreven door haar machtswellust, brachten ze levensenergie over op wezens die daar gevoelig voor waren. De boeken spreken over ondoden, smedelingen en arboreanen. Met die legers veroverden ze een groot deel van de wereld en noemden het Nieuw Vhalt. Ze werden uiteindelijk tegengehouden door een strijdkracht van mensen, Shadar-kai en fey tezamen. Beiden werden opgesloten in een dimensie tussen de drie werelden, maar Vyrellis offerde zich op om haar geliefde zijn vrijheid te verkrijgen.
Het kwaad was al geschied, en de baron, nog steeds onder de betovering van Kara'vakasta, kwijnde weg. De natuur week van zijn zijde en de dood bezocht hem, steeds verlokkelijker, totdat hij uiteindelijk de keuze maakte, de levende wereld de rug toekeerde en een ravenridder werd.
Wat de legende ons vertelt, is de keuze van de baron. Had hij meteen de juiste keuze gemaakt, dan was de ruzie tussen de zussen gespaard gebleven en de tragedie.
Ook jij, Fáelán, hebt nu ook een keuze te maken.”

En Thura biedt Fáelán een keuze. Ze kan hem een zaad geven dat, als hij het doorslikt, hem in een trance zal dompelen waarin hem duidelijk zal worden welk levenspad het juiste voor hem is. De ridder, depressief en moe van de leegte in zijn binnenste, stemt toe. Hij aanvaardt het zaadje en slikt het door.
Thura begint zachtjes te lachen. Haar gestalte vervormt en neemt andere kleuren aan. “Arme dwaas,” fluistert ze, terwijl haar haren kastanjebruin worden en sproetjes zich over haar gezicht verspreiden. “Dat zal Vyrellis leren… met haar stomme plannen met de Ketel…”
Fáelán kan zich niet verroeren om te reageren op de plotse verschijning van Kara’vakasta. Zijn ledematen vervormen en reiken in de aarde en naar de hemel. Bast kruipt over zijn borst. Zijn baardige gelaat gaat langzaam maar zeker op in de bemoste stam van een eenzame boom die ruisend over de kliffen uitkijkt.

Wanneer Nazhaar en Alítih uitgeput in Waterzooi arriveren, krijgen ze van hun nietsvermoedende makkers het verhaal te horen van het onverwachte pakket dat van de Academie is gekomen. Wanneer ze de naam van de zo behulpzame eladrin-geest hoort, verschiet Alítih echter van kleur. ‘Thura’ betekent immers niets anders dan ‘Meesteresse’…

Geen opmerkingen:

Een reactie posten