Na een amper bestaande nachtrust dient het ochtendlicht zich
aan met nieuwe verplichtingen…
Nazhaar en Alítih trekken richting huize Padraig om tekst en
uitleg te verschaffen over Khesh’ bevel dat ze zich bij haar moeten aandienen.
De twee draaien er een beetje omheen – zich schuldig bewust van de valse ketel
die ze Khesh hebben aangesmeerd. Padraig ziet eruit alsof hij eraan toe is zijn
al te drukbevolkte hoofd erbij neer te leggen. Nazhaars opgewekte verzekering
dat hij de draak heus wel aankan, lijkt de gekwelde man niet op te fleuren.
Voor ze het huis van de Padraigs verlaten, wordt Alítih nog
even apart genomen door vrouwe Padraig. De tovenares komt peinzend terug.
Wanneer de rest haar vraagt wat voor nieuws vrouwe Padraig had, vertelt Alítih
hen dat ze haar een oud boek liet inkijken waarin beschreven stond dat er ooit
een bijzondere gevangenis was onder de Venomietmijn. Chiara werpt één blik op
de tovenares en verklaart luidkeels dat ze er niks van gelooft. Een
verontwaardigde Alítih houdt staande dat ze dat wel degelijk gelezen heeft, en
dat het bovendien overeenstemt met wat ze al te weten zijn gekomen van de
bezoeker in het hoofd van Padraig – de Yuan-Ti-prins. Chiara beent na een resem
vruchteloze vragen mopperend weg richting de haven. Daar verneemt ze dat er
hoog bezoek is gearriveerd: de drie agenten van de Vost Miraj, in gezelschap
van prefect Taazhon.
Chiara rept zich naar de herberg, waar de groep zich al
comfortabel geïnstalleerd heeft. Ze kan Nazhaar er nauwelijks van weerhouden om
zich op Taazhon te storten, zeker wanneer Fáelán ook al klaarstaat om hem naar
de keel te vliegen. Het duurt een paar ogenblikken voor ze zelf beseft dat
Taazhon dé Taazhon is, maar dan moet ook Chiara tot kalmte worden gemaand.
De hoorzitting in verband met het oplossen van het mysterie
van de eilandengroep vangt aan… en wordt meteen weer onderbroken wanneer
Taazhon Fáelán en Chiara ervan beschuldigd Ridders van Ardeyn te zijn. Deze
bewering wordt snel opzijgeschoven, maar dan gaat Nazhaar staan en beschuldigt Azazel
ervan een verrader te zijn. De woedende agent van de Vost Miraj probeert de
kwestie even snel van tafel te vegen, maar dat gaat niet zo vlot als hij had
gehoopt. Nazhaar weet voldoende onrust te zaaien opdat zijn claim nader
onderzocht zou worden. Hij fouilleert de drie agenten, in de hoop zo een teken
te vinden wie van de drie de verrader is. Nazhaars inspanningen leveren echter
niks op: geen van de agenten heeft een aanwijzing op zak dat hij een
dubbelspion is.
Temidden van deze chaos komt vrouwe Serusa aanzeilen. Ze
neemt Chiara apart en lijkt iets van haar gebruikelijke aplomb te zijn
verloren. In de voorbije tijd is ze gehecht geraakt aan Radam, die als haar
assistent fungeerde. Zozeer zelfs dat ze hem graag wil adopteren. De jongen is
echter spoorloos verdwenen en ze is bang dat er iets met hem gebeurd is…
Na enig beraadslagen moet Azazel inmiddels, zonder veel
animo, toegeven dat de groep van Khesh het mysterie heeft afgehandeld. Zij
hebben dus recht op de beloning. Dat valt in goede aarde bij de groep, behalve
bij Fáelán, die een bezorgd oog op de verschroeide vertegenwoordigers van
Estaol slaat. Dat eiland heeft zwaar te lijden gehad van de aanvallen van de
ondode kraken, gevolgd door de plunderingen van de orcs. Zijn morele kompas
gebiedt dat de beloning naar Estaol gaat… anderzijds aarzelt de kompasnaald:
hij heeft zich immers ten dienste van Padraig en de bewoners van Khesh gesteld
toen hij deze opdracht aannam.
De beslissing wordt hen uit handen genomen wanneer Nazhaar
pertinent weigert om de drietand die hij op de kraken veroverd heeft af te
staan als bewijsmateriaal. Ook de andere bewijsstukken wil hij absoluut niet
overhandigen aan iemand die hij nog steeds verdenkt van verraad jegens het
Keizerrijk. De drie agenten beslissen vervolgens unaniem om de beloning dan
maar toe te wijzen aan Estaol, en daarmee wordt de zaak gesloten.
Chiara trommelt de rest van de groep op: ze heeft grotere
zorgen dan een misgelopen beloning, want Radam is verdwenen en ze maakt zich
zorgen over haar depressieve mede-halfelf. Hij zwierf al een hele tijd somber
rond, op zoek naar de verrekijker die hij was kwijtgeraakt. Ze haalt het
magische kompas van kapitein Erano Stern boven, en vraagt het om hen de locatie
van Radam te wijzen.
Ze worden lijnrecht naar de schrijn geleid waar Radam vaak
zat te bidden… en daar blijft het kompas naar wijzen, ook al is het tempeltje
leeg. Een grondig onderzoek levert echter op dat er bloedsporen zijn rond de
schrijn van Avandra. De schrijn kan opzij worden geschoven en het zwaar
toegetakelde lichaam van Radam komt tevoorschijn. Hij is duidelijk voor de een
of andere aanvaller gevlucht in deze geheime schuilplaats, maar zat toen
gevangen. Vol afgrijzen beseft Chiara dat zijn levenloze lichaam dezelfde
klauwsporen draagt als ze heeft gezien op het lichaam van Erano Stern. Radams
verstijfde hand wijst nog naar de schrijn van Bahamut. Droevig maar vastberaden
om het raadsel op te lossen, volgt ze deze laatste aanwijzing en vindt daar de
verloren verrekijker… waaruit echter een lens verdwenen blijkt.
De groep overlegt. Hier is iets heel vreemds aan de hand.
Ondanks de bezorgdheid van vrouwe Serusa is er niemand die gelooft dat zij niks
met deze vreemde gebeurtenissen te maken heeft. Ze besluiten om haar kamer
andermaal te onderzoeken.
Chiara troont Serusa mee naar de schrijn. Ze hoeft haar
bezorgdheid en aangeslagenheid niet te spelen, en de edelvrouwe volgt haar met
bezorgd gezicht meteen. Intussen duikt de rest van de groep de kamer van Serusa
binnen om haar bezittingen te doorzoeken.
Bij de schrijn gekomen, loopt Serusa mee naar binnen maar
blijft ijzig kalm bij het gruwelijke aanzicht van Radams toegetakelde lichaam. Ze
gaat rustig op een bankje zitten, alsof ze ergens op wacht. Dan treedt er een
onverwachte figuur binnen in de tempel: Serusa’s verdwenen eenarmige dienaar.
Hij heeft er echter een ledemaat bij gekregen: een schaarachtige klauw waarmee
hij dreigend op Chiara afkomt. De rosse ranger springt verschrikt achter vrouwe
Serusa, die haar kalmpjes meedeelt dat er niks aan te doen is: de Shan-cabal
heeft de dood van Chiara bevolen.
Chiara zet meteen een pijl op haar boog en vuurt op Serusa’s
dienaar, waarna ze richting de deur vlucht. Een afkeurende geaffecteerde stem
deelt haar mee dat ze een stuk laffer is dan Radam en kapitein Stern, maar daar
trekt ze zich niets van aan: liever blode Chiara dan dode Chiara. Bij de deur
wacht haar een onaangename verrassing: die is stevig weer op slot gedaan.
Terwijl ze morrelt aan de hendel wordt ze ingehaald door Serusa’s dienaar, die
haar met zijn schaar tegen het hout vastspietst.
Chiara worstelt voor haar leven terwijl Serusa ongeduldig
zucht dat het nu eindelijk eens afgelopen moet zijn met het mislukte experiment
dat Chiara was. Ze is zo al teleurstellend genoeg, het minste dat ze kan doen
is zich in stilte laten verwijderen. Chiara is niks van dien aard van plan. Ze
weet de deur open te krijgen en vlucht naar buiten. Daar treft ze haar
mede-avonturiers die op Serusa’s kamer alleen een openstaande kist met een lege
dubbele bodem troffen en onraad roken.
Er ontspint zich een heftig gevecht waarin de groep alle
moeite moet doen om de schaar-man weg te houden bij een zwaargewonde Chiara.
Varlock bonkt hem met zijn schild omver, maar vrouwe Serusa verschijnt in de
deuropening en roept een magische rookwolk op die iedereen het zicht
vertroebelt. Fáelán dient Chiara helende energie toe, maar kan niet voorkomen
dat ze andermaal aan de scherpe klauw wordt geregen. Nazhaar stormt naar voren
en weet met een geweldige bijlklap de man van de arm te scheiden. De arm blijft
wild rondspartelen, terwijl Alítih een dodelijke bezwering op Serusa’s dienaar
afvuurt. Serusa bestookt Fáelán en Nazhaar met bliksemschichten, maar het mag
niet baten: ze slagen er samen in om de klauw onschadelijk te maken.
Serusa laat zich verrassend mak in hechtenis nemen. Wanneer
ze de verbazing van de groep ziet, lacht ze schamper: een edelvrouwe van het
Dragovar-keizerrijk is ongenaakbaar, binnen de kortste keren zal ze weer op
vrije voeten zijn. Fáelán verzekert haar er grimmig van dat ze daar niet zo
zeker van moet zijn en begeleidt haar naar de gevangenis, waar hij persoonlijk
de wacht optrekt.
De lens die Serusa uit de verrekijker van Erano Stern had
gehaald, wordt samengevoegd met de monocle die ze altijd bij zich droeg.
Wanneer Alítih erdoor kijkt, ziet ze voor de zoveelste keer niks bijzonders…
tot ze de kijker op Chiara richt: een vreemde rode gloed hangt rond de halfelf.
De avonturiers wordt geen rust gegund: midden in de nacht
schiet een van hen wakker omdat er een vreemdeling in zijn kamer staat die tussen
zijn spullen rommelt…
Geen opmerkingen:
Een reactie posten