zondag 23 oktober 2016

Hoofdstuk 19



Na een amper bestaande nachtrust dient het ochtendlicht zich aan met nieuwe verplichtingen…

Nazhaar en Alítih trekken richting huize Padraig om tekst en uitleg te verschaffen over Khesh’ bevel dat ze zich bij haar moeten aandienen. De twee draaien er een beetje omheen – zich schuldig bewust van de valse ketel die ze Khesh hebben aangesmeerd. Padraig ziet eruit alsof hij eraan toe is zijn al te drukbevolkte hoofd erbij neer te leggen. Nazhaars opgewekte verzekering dat hij de draak heus wel aankan, lijkt de gekwelde man niet op te fleuren.
Voor ze het huis van de Padraigs verlaten, wordt Alítih nog even apart genomen door vrouwe Padraig. De tovenares komt peinzend terug. Wanneer de rest haar vraagt wat voor nieuws vrouwe Padraig had, vertelt Alítih hen dat ze haar een oud boek liet inkijken waarin beschreven stond dat er ooit een bijzondere gevangenis was onder de Venomietmijn. Chiara werpt één blik op de tovenares en verklaart luidkeels dat ze er niks van gelooft. Een verontwaardigde Alítih houdt staande dat ze dat wel degelijk gelezen heeft, en dat het bovendien overeenstemt met wat ze al te weten zijn gekomen van de bezoeker in het hoofd van Padraig – de Yuan-Ti-prins. Chiara beent na een resem vruchteloze vragen mopperend weg richting de haven. Daar verneemt ze dat er hoog bezoek is gearriveerd: de drie agenten van de Vost Miraj, in gezelschap van prefect Taazhon.
Chiara rept zich naar de herberg, waar de groep zich al comfortabel geïnstalleerd heeft. Ze kan Nazhaar er nauwelijks van weerhouden om zich op Taazhon te storten, zeker wanneer Fáelán ook al klaarstaat om hem naar de keel te vliegen. Het duurt een paar ogenblikken voor ze zelf beseft dat Taazhon dé Taazhon is, maar dan moet ook Chiara tot kalmte worden gemaand.

De hoorzitting in verband met het oplossen van het mysterie van de eilandengroep vangt aan… en wordt meteen weer onderbroken wanneer Taazhon Fáelán en Chiara ervan beschuldigd Ridders van Ardeyn te zijn. Deze bewering wordt snel opzijgeschoven, maar dan gaat Nazhaar staan en beschuldigt Azazel ervan een verrader te zijn. De woedende agent van de Vost Miraj probeert de kwestie even snel van tafel te vegen, maar dat gaat niet zo vlot als hij had gehoopt. Nazhaar weet voldoende onrust te zaaien opdat zijn claim nader onderzocht zou worden. Hij fouilleert de drie agenten, in de hoop zo een teken te vinden wie van de drie de verrader is. Nazhaars inspanningen leveren echter niks op: geen van de agenten heeft een aanwijzing op zak dat hij een dubbelspion is.
Temidden van deze chaos komt vrouwe Serusa aanzeilen. Ze neemt Chiara apart en lijkt iets van haar gebruikelijke aplomb te zijn verloren. In de voorbije tijd is ze gehecht geraakt aan Radam, die als haar assistent fungeerde. Zozeer zelfs dat ze hem graag wil adopteren. De jongen is echter spoorloos verdwenen en ze is bang dat er iets met hem gebeurd is…
Na enig beraadslagen moet Azazel inmiddels, zonder veel animo, toegeven dat de groep van Khesh het mysterie heeft afgehandeld. Zij hebben dus recht op de beloning. Dat valt in goede aarde bij de groep, behalve bij Fáelán, die een bezorgd oog op de verschroeide vertegenwoordigers van Estaol slaat. Dat eiland heeft zwaar te lijden gehad van de aanvallen van de ondode kraken, gevolgd door de plunderingen van de orcs. Zijn morele kompas gebiedt dat de beloning naar Estaol gaat… anderzijds aarzelt de kompasnaald: hij heeft zich immers ten dienste van Padraig en de bewoners van Khesh gesteld toen hij deze opdracht aannam. 
De beslissing wordt hen uit handen genomen wanneer Nazhaar pertinent weigert om de drietand die hij op de kraken veroverd heeft af te staan als bewijsmateriaal. Ook de andere bewijsstukken wil hij absoluut niet overhandigen aan iemand die hij nog steeds verdenkt van verraad jegens het Keizerrijk. De drie agenten beslissen vervolgens unaniem om de beloning dan maar toe te wijzen aan Estaol, en daarmee wordt de zaak gesloten.

Chiara trommelt de rest van de groep op: ze heeft grotere zorgen dan een misgelopen beloning, want Radam is verdwenen en ze maakt zich zorgen over haar depressieve mede-halfelf. Hij zwierf al een hele tijd somber rond, op zoek naar de verrekijker die hij was kwijtgeraakt. Ze haalt het magische kompas van kapitein Erano Stern boven, en vraagt het om hen de locatie van Radam te wijzen.
Ze worden lijnrecht naar de schrijn geleid waar Radam vaak zat te bidden… en daar blijft het kompas naar wijzen, ook al is het tempeltje leeg. Een grondig onderzoek levert echter op dat er bloedsporen zijn rond de schrijn van Avandra. De schrijn kan opzij worden geschoven en het zwaar toegetakelde lichaam van Radam komt tevoorschijn. Hij is duidelijk voor de een of andere aanvaller gevlucht in deze geheime schuilplaats, maar zat toen gevangen. Vol afgrijzen beseft Chiara dat zijn levenloze lichaam dezelfde klauwsporen draagt als ze heeft gezien op het lichaam van Erano Stern. Radams verstijfde hand wijst nog naar de schrijn van Bahamut. Droevig maar vastberaden om het raadsel op te lossen, volgt ze deze laatste aanwijzing en vindt daar de verloren verrekijker… waaruit echter een lens verdwenen blijkt.
De groep overlegt. Hier is iets heel vreemds aan de hand. Ondanks de bezorgdheid van vrouwe Serusa is er niemand die gelooft dat zij niks met deze vreemde gebeurtenissen te maken heeft. Ze besluiten om haar kamer andermaal te onderzoeken.
Chiara troont Serusa mee naar de schrijn. Ze hoeft haar bezorgdheid en aangeslagenheid niet te spelen, en de edelvrouwe volgt haar met bezorgd gezicht meteen. Intussen duikt de rest van de groep de kamer van Serusa binnen om haar bezittingen te doorzoeken.
Bij de schrijn gekomen, loopt Serusa mee naar binnen maar blijft ijzig kalm bij het gruwelijke aanzicht van Radams toegetakelde lichaam. Ze gaat rustig op een bankje zitten, alsof ze ergens op wacht. Dan treedt er een onverwachte figuur binnen in de tempel: Serusa’s verdwenen eenarmige dienaar. Hij heeft er echter een ledemaat bij gekregen: een schaarachtige klauw waarmee hij dreigend op Chiara afkomt. De rosse ranger springt verschrikt achter vrouwe Serusa, die haar kalmpjes meedeelt dat er niks aan te doen is: de Shan-cabal heeft de dood van Chiara bevolen.
Chiara zet meteen een pijl op haar boog en vuurt op Serusa’s dienaar, waarna ze richting de deur vlucht. Een afkeurende geaffecteerde stem deelt haar mee dat ze een stuk laffer is dan Radam en kapitein Stern, maar daar trekt ze zich niets van aan: liever blode Chiara dan dode Chiara. Bij de deur wacht haar een onaangename verrassing: die is stevig weer op slot gedaan. Terwijl ze morrelt aan de hendel wordt ze ingehaald door Serusa’s dienaar, die haar met zijn schaar tegen het hout vastspietst.
Chiara worstelt voor haar leven terwijl Serusa ongeduldig zucht dat het nu eindelijk eens afgelopen moet zijn met het mislukte experiment dat Chiara was. Ze is zo al teleurstellend genoeg, het minste dat ze kan doen is zich in stilte laten verwijderen. Chiara is niks van dien aard van plan. Ze weet de deur open te krijgen en vlucht naar buiten. Daar treft ze haar mede-avonturiers die op Serusa’s kamer alleen een openstaande kist met een lege dubbele bodem troffen en onraad roken.
Er ontspint zich een heftig gevecht waarin de groep alle moeite moet doen om de schaar-man weg te houden bij een zwaargewonde Chiara. Varlock bonkt hem met zijn schild omver, maar vrouwe Serusa verschijnt in de deuropening en roept een magische rookwolk op die iedereen het zicht vertroebelt. Fáelán dient Chiara helende energie toe, maar kan niet voorkomen dat ze andermaal aan de scherpe klauw wordt geregen. Nazhaar stormt naar voren en weet met een geweldige bijlklap de man van de arm te scheiden. De arm blijft wild rondspartelen, terwijl Alítih een dodelijke bezwering op Serusa’s dienaar afvuurt. Serusa bestookt Fáelán en Nazhaar met bliksemschichten, maar het mag niet baten: ze slagen er samen in om de klauw onschadelijk te maken.
Serusa laat zich verrassend mak in hechtenis nemen. Wanneer ze de verbazing van de groep ziet, lacht ze schamper: een edelvrouwe van het Dragovar-keizerrijk is ongenaakbaar, binnen de kortste keren zal ze weer op vrije voeten zijn. Fáelán verzekert haar er grimmig van dat ze daar niet zo zeker van moet zijn en begeleidt haar naar de gevangenis, waar hij persoonlijk de wacht optrekt.
De lens die Serusa uit de verrekijker van Erano Stern had gehaald, wordt samengevoegd met de monocle die ze altijd bij zich droeg. Wanneer Alítih erdoor kijkt, ziet ze voor de zoveelste keer niks bijzonders… tot ze de kijker op Chiara richt: een vreemde rode gloed hangt rond de halfelf.

De avonturiers wordt geen rust gegund: midden in de nacht schiet een van hen wakker omdat er een vreemdeling in zijn kamer staat die tussen zijn spullen rommelt…

Geen opmerkingen:

Een reactie posten