Veel tijd om over de implicaties daarvan na te denken, is er
niet. De woedende kreten van een groene draak schallen over het eiland. De
groep laat het mysterie van de boom noodgedwongen achter en rent naar Waterzooi
om zich te verschansen. Hun passen zijn echter niets in vergelijking met de
vleugelslagen van Khesh, die hen passeert zonder hen zelfs maar op te merken en
alom vernietiging spuwt.
Alítih passeert tot haar ontzetting het ingestorte huisje van
kruidenvrouw Halci, wiens ontzielde lichaam onder de brokstukken ligt. In
Waterzooi is de ravage nog groter: een deel van de herberg is ingestort, de
gevangenis is vernield en de dokken zijn volledig in puin. De groep beseft dat
er iets moet gebeuren, maar wat? Chiara probeert Nazhaar vergeefs van zijn
roekeloze plan te weerhouden: hij wil met de woedende draak gaan praten. De
drakenman schudt haar bezorgde hand minachtend van zich af en stapt naar voren,
Khesh’ naam bulderend.
De draak is even van haar à propos bij deze onbeschaamde
daad. Net lang genoeg voor Nazhaar om het idee in haar hoofd te planten dat de
Ketel gestolen is door Estaol, die snode plannen tegen haar beraamt. Handig
inspelend op de paranoia van de groene draak weet hij Khesh zowaar te
overtuigen van zijn toewijding aan haar, en Estaols verraderlijke acties. Khesh
verheft zich in de lucht en spoedt zich naar Estaols eiland.
Even respijt, maar voor hoe lang?
Nazhaar is nu helemaal niet meer te houden. Hij heeft
bedacht dat de beste manier om Khesh in bedwang te houden een van haar eieren
is. En wat is een beter moment om er een te gaan stelen dan nu, nu ze zelf in
elk geval niet in haar nest zit? De rest van de groep staart hem verbijsterd
aan en wil part noch deel aan dit plan hebben. Ook Chiara is er niet voor te
porren: ze heeft zelf aan den lijve ondervonden dat een draak het al ruikt
wanneer je zelfs maar even een ei aanraakt!
Terwijl Nazhaar onverschrokken alleen op pad gaat, gaan
Chiara en Varlock op zoek naar de gevangenen: vrouwe Serusa heeft van de
vernielingen gebruik gemaakt om snel de vlucht te nemen. Alítih bekommert zich
intussen over het lichaam van haar vriendin Halci, voor wie ze helaas niets kan
doen. Wanneer die droeve taak achter de rug is, gaat ze bladeren tussen de
boeken van Halci. Ze heeft een gevoel dat er iets vreemds is met de boom die op
de klif stond waar Fáelán is verdwenen. Haar ongerichte zoeken levert helaas
niets op tegen de tijd dat Varlock en Chiara haar komen halen. Ze hebben de sporen
van de gevluchte gevangenen gevolgd en die leidden naar de herberg. De tovenares
laat met spijt de boeken achter en komt hen bijstaan.
In de herberg is een nood-ziekenboog ingeruimd. Vrouwe Padraig
en haar man proberen orde te creëren en staan de gewonden bij waar ze kunnen.
Van vrouwe Serusa is geen spoor, al is aan haar voormalige vertrekken te zien
dat die doorzocht zijn.
Een nieuwe zorg dient zich aan. Hebben de vernielingen van
de herberg de kapiteinshut beschadigd waar ze de Ketel hebben opgeborgen?
Chiara posteert Alítih en Varlock elk aan een kant van de bar en probeert zelf
zo onopvallend mogelijk het geheime luik te openen. Die moeite is tevergeefs:
zodra ze het op een kiertje opent, wordt ze naar achteren geblazen en slaat het
luik helemaal open. Een stroom van zombies, een wraith, en een man die gemaakt
lijkt uit bast en schors stormen naar boven.
Chiara schudt haar verrassing van zich af en landt met een
lenige sprong bovenop de bar, terwijl ze in een moeite door haar zwaard trekt. Ze
hakt op de basthuid van de vreemde man in, die haar slag niet pareert. Hij raspt alleen ‘wij
zijn jullie vijand niet’ en achtervolgt de wraith die de kamer met gewonden in
zweeft. Chiara glijdt over de bar naar de plek waar herbergier Turnwell zit te beven
en doorsteekt de zombies die hem proberen te grijpen. Intussen schreeuwt ze
Varlock toe dat hij het luik weer dicht moet klappen.
Varlock, kroonprins der dwergen, is dit plan niet ongenegen,
maar het is makkelijker gezegd dan gedaan, aangezien het luik uit zijn hengsels
is geblazen. Het lijkt hem echter verstandig om de stroom wezens zo goed
mogelijk in te dammen. Hij stormt op de opening toe en probeert de zombies te
bedwingen. Met zijn zware schild bonkt hij een van hen krakend de schedel in en
duwt hem terug tussen zijn kameraden. Zijn bijl velt een tweede, maar het wezen
hijst zich kreunend weer overeind en herschikt zijn botten. In de diepte onder
het luik ziet Varlock een afschrikwekkende werkelijkheid: de Ketel van Grauwe
Oogst spuwt steeds meer zombies uit, sommigen van hen gewapend met vreemde
klodders groen die ze naar de groep toe slingeren.
Alítih ziet de wraith naar de gewonden zweven, waar hij de
levenskracht uit één van hen slurpt en een kleinere versie van zichzelf
creëert. Ze maakt zich klaar om het wezen met haar spreuken te lijf te gaan,
maar ziet dan tot haar verrassing dat de boomachtige man, die ze herkent als
een ‘wilden’, zich op de wraith heeft gestort. Ze vertrouwt instinctief dit
wezen dat haar herinnert aan de feywild-dimensie waar ze mee verbonden is. Wanneer
hij door twee grote zombies aangevallen wordt, bundelt de tovenares haar krachten
met die van de wilden en laat haar tovenaarsvuur op de ondoden los.
Ondanks de onverwachte steun blijft het een ongelijke
strijd. De Ketel blijft maar nieuwe aanvallers spuwen. Varlocks bijl vliegt
keer op keer terug naar de hand van zijn meester, onderweg zombiebotten
doorklievend, maar het is niet genoeg. Chiara glijdt heen en weer over de bar
en vuurt haar pijlen af, maar de stroom is niet te stuiten. Zombies komen uit
het luik naar boven, kruipen over de bar en dreigen de groep te overweldigen. De
wraith onttrekt zich aan aanvallen door onzichtbaar te worden en weer op te
duiken, zodat de wilden de grootste moeite heeft om hem vast te pinnen. Intussen
krijgt hij zware klappen te verwerken van de zombies, en hoewel die hem in
aanvang amper lijken te deren, beginnen uiteindelijk zelfs zijn krachten te
tanen. Hij roept een klein elfachtig wezentje tevoorschijn dat zich op de
kleinere wraith richt, maar meer dan dat wezen bezighouden, kan het niet doen.
De deur van de herberg klapt open en Nazhaar stapt binnen te
midden van de chaos. Net op tijd om de wraith te zien verschijnen en dreigend naar
een gewonde zweven. De drakenman aarzelt niet, en voert meteen een charge uit. Zijn
drakenadem spuwt vernietiging, maar andermaal verdwijnt het wezen. Nazhaar laat
zich echter niet uit het lood slaan, hij grijpt zijn drietand stevig beet en
wacht af tot hij er weer een glimp van opvangt. Achter zich hoort hij
voetstappen, iemand die naar de deur komt. Een aanval in de rug? De voormalige
kapitein slaat twee vliegen in één klap wanneer hij erin slaagt de wraith naar
buiten te jagen. Een hoge, geaffecteerde stem klinkt boos op, maar wordt dan in
een gil gesmoord.
Intussen is de wilden terug naar het luik gerend. Hij slingert
zich over de bar en stort zich naar beneden, de Kapiteinshut in. Daar staat de
Ketel te midden van de ravage te spuwen. De wilden aarzelt niet en grijpt de
Ketel met beide handen vast. In tegenstelling tot de desastreuze gevolgen die
zo’n actie eerder bij Nazhaar had, gebeurt er nu iets heel anders: “Het offer
biedt zichzelf aan”, zingt de Ketel monotoon. Na een paar ogenblikken stilte
sluit de Ketel zichzelf af en houdt de stroom zombies op.
De groep weet met de rest van de zombies af te rekenen,
terwijl Chiara, een rood waas voor haar ogen, naar buiten stormt. Ze hoorde de
stem van haar kwelgeest Serusa, ze weet het zeker! Vóór de herberg wacht haar
een bizar zicht: Serusa, met ogen die zwart zijn geworden, bezeten door de
wraith. Chiara heft met een gevoel van onvermijdelijkheid en genoegen haar boog
en vuurt pijlen af tot zowel de adellijke drakenvrouw als de wraith haar niet
langer zullen kunnen kwellen.
Wanneer de rust wat is weergekeerd, trekt de groep zich mét
de Ketel en de wilden terug om overleg te plegen. De wilden stelt zich voor als
Berlinden, en laat zich dan op een knie voor Alítih zakken, een bladerenmantel
om hem heen. Hij biedt de eladrin tovenares zijn diensten, alsof het voor hem
de natuurlijkste zaak ter wereld is. Alítih aarzelt even, maar aanvaardt dan
zijn dienstbaarheid.
Zodra Berlinden zijn handen van de Ketel van Grauwe Oogst
afhaalt, begint die weer eisend te trillen. Hij kan de Ketel niet voor eeuwig
blijven vasthouden, dus op de een of andere manier moeten ze het kunststukje herhalen
dat ze eerder samen met de Shadar-Qai wisten te volbrengen en de Ketel opnieuw
verzegelen. Alítih beseft dat ze dat in haar eentje niet voor elkaar zal
krijgen en de groep trekt naar de toren van de tovenaar. Die bekijkt de groep
met onwelgevallig oog en heeft alleen voor Chiara een paar vriendelijke woorden
over. Hij laat zich weliswaar overhalen om een poging te doen om de Ketel te
bedwingen, maar het mag niet baten: zijn krachten reiken niet zo ver.
Een nieuw plan wordt gesmeed: de Ketel mag onder geen beding
in handen van een draak vallen… de enige zekere manier om daarvoor te zorgen,
zoveel is duidelijk, is niet om de Ketel te verbergen, maar om hem te
vernietigen. De Ketel moet naar een necrosmidse van Vhalt. Wanneer iedereen de
stukjes en beetjes kennis samenvoegt die ze inmiddels al over deze mysterieuze
plek hebben opgedaan, komen ze tot één conclusie: er zou zich weleens een
necrosmidse kunnen bevinden onder de venomietmijn.
Het Portaal brengt hen snel naar de plaats waar ze willen
zijn, maar ter plekke is minder te vinden dan ze hadden gehoopt. Het zwarte
gordijn waar de groep doorheen viel toen ze Alítih kwamen redden van de
cultisten hangt er nog, maar gescheurd. Verder is er geen spoor van de plek die
ze zoeken. Na enig gefrustreerd speuren dat niets oplevert, herinnert Alítih
zich een boek dat vrouwe Padraig haar een keer liet zien: een verslag van de
plek die hier ooit gevestigd was, de werkplaats van een machtige eladrin tovenares die
hier ooit ondoden, smedelingen en arboreanen schiep. Misschien dat in dat
boekwerk wel méér te vinden is…
Geen opmerkingen:
Een reactie posten