maandag 16 januari 2017

Hoofdstuk 21

Alítih doordringt de rest ervan dat ze snel moeten handelen. De Thura die Fáelán zogenaamd welwillend onder haar hoede heeft genomen, is niemand anders dan de beruchte Meesteresse van de cultisten die hen al zolang ontglipt. Wanneer ze het spoor van de ridder en de geest volgen, is er echter niets te bekennen: de voetsporen eindigen bij een eenzame boom. Chiara fronst haar wenkbrauwen: ze kent het eiland als haar broekzak en deze boom stond er eerder niet.
Veel tijd om over de implicaties daarvan na te denken, is er niet. De woedende kreten van een groene draak schallen over het eiland. De groep laat het mysterie van de boom noodgedwongen achter en rent naar Waterzooi om zich te verschansen. Hun passen zijn echter niets in vergelijking met de vleugelslagen van Khesh, die hen passeert zonder hen zelfs maar op te merken en alom vernietiging spuwt.
Alítih passeert tot haar ontzetting het ingestorte huisje van kruidenvrouw Halci, wiens ontzielde lichaam onder de brokstukken ligt. In Waterzooi is de ravage nog groter: een deel van de herberg is ingestort, de gevangenis is vernield en de dokken zijn volledig in puin. De groep beseft dat er iets moet gebeuren, maar wat? Chiara probeert Nazhaar vergeefs van zijn roekeloze plan te weerhouden: hij wil met de woedende draak gaan praten. De drakenman schudt haar bezorgde hand minachtend van zich af en stapt naar voren, Khesh’ naam bulderend.
De draak is even van haar à propos bij deze onbeschaamde daad. Net lang genoeg voor Nazhaar om het idee in haar hoofd te planten dat de Ketel gestolen is door Estaol, die snode plannen tegen haar beraamt. Handig inspelend op de paranoia van de groene draak weet hij Khesh zowaar te overtuigen van zijn toewijding aan haar, en Estaols verraderlijke acties. Khesh verheft zich in de lucht en spoedt zich naar Estaols eiland.
Even respijt, maar voor hoe lang?

Nazhaar is nu helemaal niet meer te houden. Hij heeft bedacht dat de beste manier om Khesh in bedwang te houden een van haar eieren is. En wat is een beter moment om er een te gaan stelen dan nu, nu ze zelf in elk geval niet in haar nest zit? De rest van de groep staart hem verbijsterd aan en wil part noch deel aan dit plan hebben. Ook Chiara is er niet voor te porren: ze heeft zelf aan den lijve ondervonden dat een draak het al ruikt wanneer je zelfs maar even een ei aanraakt!

Terwijl Nazhaar onverschrokken alleen op pad gaat, gaan Chiara en Varlock op zoek naar de gevangenen: vrouwe Serusa heeft van de vernielingen gebruik gemaakt om snel de vlucht te nemen. Alítih bekommert zich intussen over het lichaam van haar vriendin Halci, voor wie ze helaas niets kan doen. Wanneer die droeve taak achter de rug is, gaat ze bladeren tussen de boeken van Halci. Ze heeft een gevoel dat er iets vreemds is met de boom die op de klif stond waar Fáelán is verdwenen. Haar ongerichte zoeken levert helaas niets op tegen de tijd dat Varlock en Chiara haar komen halen. Ze hebben de sporen van de gevluchte gevangenen gevolgd en die leidden naar de herberg. De tovenares laat met spijt de boeken achter en komt hen bijstaan. 

In de herberg is een nood-ziekenboog ingeruimd. Vrouwe Padraig en haar man proberen orde te creëren en staan de gewonden bij waar ze kunnen. Van vrouwe Serusa is geen spoor, al is aan haar voormalige vertrekken te zien dat die doorzocht zijn.
Een nieuwe zorg dient zich aan. Hebben de vernielingen van de herberg de kapiteinshut beschadigd waar ze de Ketel hebben opgeborgen? Chiara posteert Alítih en Varlock elk aan een kant van de bar en probeert zelf zo onopvallend mogelijk het geheime luik te openen. Die moeite is tevergeefs: zodra ze het op een kiertje opent, wordt ze naar achteren geblazen en slaat het luik helemaal open. Een stroom van zombies, een wraith, en een man die gemaakt lijkt uit bast en schors stormen naar boven.
Chiara schudt haar verrassing van zich af en landt met een lenige sprong bovenop de bar, terwijl ze in een moeite door haar zwaard trekt. Ze hakt op de basthuid van de vreemde man in, die haar slag niet pareert. Hij raspt alleen ‘wij zijn jullie vijand niet’ en achtervolgt de wraith die de kamer met gewonden in zweeft. Chiara glijdt over de bar naar de plek waar herbergier Turnwell zit te beven en doorsteekt de zombies die hem proberen te grijpen. Intussen schreeuwt ze Varlock toe dat hij het luik weer dicht moet klappen.
Varlock, kroonprins der dwergen, is dit plan niet ongenegen, maar het is makkelijker gezegd dan gedaan, aangezien het luik uit zijn hengsels is geblazen. Het lijkt hem echter verstandig om de stroom wezens zo goed mogelijk in te dammen. Hij stormt op de opening toe en probeert de zombies te bedwingen. Met zijn zware schild bonkt hij een van hen krakend de schedel in en duwt hem terug tussen zijn kameraden. Zijn bijl velt een tweede, maar het wezen hijst zich kreunend weer overeind en herschikt zijn botten. In de diepte onder het luik ziet Varlock een afschrikwekkende werkelijkheid: de Ketel van Grauwe Oogst spuwt steeds meer zombies uit, sommigen van hen gewapend met vreemde klodders groen die ze naar de groep toe slingeren.
Alítih ziet de wraith naar de gewonden zweven, waar hij de levenskracht uit één van hen slurpt en een kleinere versie van zichzelf creëert. Ze maakt zich klaar om het wezen met haar spreuken te lijf te gaan, maar ziet dan tot haar verrassing dat de boomachtige man, die ze herkent als een ‘wilden’, zich op de wraith heeft gestort. Ze vertrouwt instinctief dit wezen dat haar herinnert aan de feywild-dimensie waar ze mee verbonden is. Wanneer hij door twee grote zombies aangevallen wordt, bundelt de tovenares haar krachten met die van de wilden en laat haar tovenaarsvuur op de ondoden los.
Ondanks de onverwachte steun blijft het een ongelijke strijd. De Ketel blijft maar nieuwe aanvallers spuwen. Varlocks bijl vliegt keer op keer terug naar de hand van zijn meester, onderweg zombiebotten doorklievend, maar het is niet genoeg. Chiara glijdt heen en weer over de bar en vuurt haar pijlen af, maar de stroom is niet te stuiten. Zombies komen uit het luik naar boven, kruipen over de bar en dreigen de groep te overweldigen. De wraith onttrekt zich aan aanvallen door onzichtbaar te worden en weer op te duiken, zodat de wilden de grootste moeite heeft om hem vast te pinnen. Intussen krijgt hij zware klappen te verwerken van de zombies, en hoewel die hem in aanvang amper lijken te deren, beginnen uiteindelijk zelfs zijn krachten te tanen. Hij roept een klein elfachtig wezentje tevoorschijn dat zich op de kleinere wraith richt, maar meer dan dat wezen bezighouden, kan het niet doen.
De deur van de herberg klapt open en Nazhaar stapt binnen te midden van de chaos. Net op tijd om de wraith te zien verschijnen en dreigend naar een gewonde zweven. De drakenman aarzelt niet, en voert meteen een charge uit. Zijn drakenadem spuwt vernietiging, maar andermaal verdwijnt het wezen. Nazhaar laat zich echter niet uit het lood slaan, hij grijpt zijn drietand stevig beet en wacht af tot hij er weer een glimp van opvangt. Achter zich hoort hij voetstappen, iemand die naar de deur komt. Een aanval in de rug? De voormalige kapitein slaat twee vliegen in één klap wanneer hij erin slaagt de wraith naar buiten te jagen. Een hoge, geaffecteerde stem klinkt boos op, maar wordt dan in een gil gesmoord.
Intussen is de wilden terug naar het luik gerend. Hij slingert zich over de bar en stort zich naar beneden, de Kapiteinshut in. Daar staat de Ketel te midden van de ravage te spuwen. De wilden aarzelt niet en grijpt de Ketel met beide handen vast. In tegenstelling tot de desastreuze gevolgen die zo’n actie eerder bij Nazhaar had, gebeurt er nu iets heel anders: “Het offer biedt zichzelf aan”, zingt de Ketel monotoon. Na een paar ogenblikken stilte sluit de Ketel zichzelf af en houdt de stroom zombies op.
De groep weet met de rest van de zombies af te rekenen, terwijl Chiara, een rood waas voor haar ogen, naar buiten stormt. Ze hoorde de stem van haar kwelgeest Serusa, ze weet het zeker! Vóór de herberg wacht haar een bizar zicht: Serusa, met ogen die zwart zijn geworden, bezeten door de wraith. Chiara heft met een gevoel van onvermijdelijkheid en genoegen haar boog en vuurt pijlen af tot zowel de adellijke drakenvrouw als de wraith haar niet langer zullen kunnen kwellen.

Wanneer de rust wat is weergekeerd, trekt de groep zich mét de Ketel en de wilden terug om overleg te plegen. De wilden stelt zich voor als Berlinden, en laat zich dan op een knie voor Alítih zakken, een bladerenmantel om hem heen. Hij biedt de eladrin tovenares zijn diensten, alsof het voor hem de natuurlijkste zaak ter wereld is. Alítih aarzelt even, maar aanvaardt dan zijn dienstbaarheid.
Zodra Berlinden zijn handen van de Ketel van Grauwe Oogst afhaalt, begint die weer eisend te trillen. Hij kan de Ketel niet voor eeuwig blijven vasthouden, dus op de een of andere manier moeten ze het kunststukje herhalen dat ze eerder samen met de Shadar-Qai wisten te volbrengen en de Ketel opnieuw verzegelen. Alítih beseft dat ze dat in haar eentje niet voor elkaar zal krijgen en de groep trekt naar de toren van de tovenaar. Die bekijkt de groep met onwelgevallig oog en heeft alleen voor Chiara een paar vriendelijke woorden over. Hij laat zich weliswaar overhalen om een poging te doen om de Ketel te bedwingen, maar het mag niet baten: zijn krachten reiken niet zo ver.
Een nieuw plan wordt gesmeed: de Ketel mag onder geen beding in handen van een draak vallen… de enige zekere manier om daarvoor te zorgen, zoveel is duidelijk, is niet om de Ketel te verbergen, maar om hem te vernietigen. De Ketel moet naar een necrosmidse van Vhalt. Wanneer iedereen de stukjes en beetjes kennis samenvoegt die ze inmiddels al over deze mysterieuze plek hebben opgedaan, komen ze tot één conclusie: er zou zich weleens een necrosmidse kunnen bevinden onder de venomietmijn. 

Het Portaal brengt hen snel naar de plaats waar ze willen zijn, maar ter plekke is minder te vinden dan ze hadden gehoopt. Het zwarte gordijn waar de groep doorheen viel toen ze Alítih kwamen redden van de cultisten hangt er nog, maar gescheurd. Verder is er geen spoor van de plek die ze zoeken. Na enig gefrustreerd speuren dat niets oplevert, herinnert Alítih zich een boek dat vrouwe Padraig haar een keer liet zien: een verslag van de plek die hier ooit gevestigd was, de werkplaats van een machtige eladrin tovenares die hier ooit ondoden, smedelingen en arboreanen schiep. Misschien dat in dat boekwerk wel méér te vinden is…

Geen opmerkingen:

Een reactie posten