dinsdag 12 juli 2016

Hoofdstuk 14

En dan sluit een bottige hand zich om Chiara’s been. Links en rechts blijven de ondoden uit de aarde kruipen. Chiara hakt woedend gillend op de ondoden los tot ze haar benen loslaten. Varlock overkomt hetzelfde maar reageert laconiek: met een flinke schop rukt hij simpelweg de skelethand los van de pols wanneer die hem rond zijn enkel probeert te grijpen. De rest van de groep ziet intussen Nazhaar met lede ogen in de verte verdwijnen, maar veel kunnen ze er niet aan doen. De Ketel daarentegen lijkt binnen handbereik. Ware het niet dat er een troep kobolden tussen hen en het beoogde doel staat…
Alítih dringt erop aan niet te wachten op de terugkeer van Nazhaar: ze voelt dat de kracht van de Ketel gestaag toeneemt. Fáelán is er niet happig op om nog meer ondoden op Waterzooi te zien afschuifelen en neemt het initiatief tot een schijnbare terugtocht.
De kobolden van Khesh zijn echter niet zo goedgelovig: ze bekogelen de groep met een lichtgevend goedje, waardoor ze hen goed in de gaten zullen kunnen houden in het donker. Fáelán en Chiara weten de projectielen te ontwijken, Varlock en Alítih hebben minder geluk. Varlock maakt er niet veel woorden, alleen zijn kleren aan vuil: hij rolt even flink door de modder en is weldra weer een vage vlek in de nacht geworden. Alítih haalt haar neus op voor dat soort primitieve acties en snijdt met de nodige zin voor precisie de lichtgevende vlek uit haar gewaad, waarna ze de reep stof aan een boom bindt, ter afleiding.

Met het goede voorbeeld van de Shadar-Kai in gedachten, besluit de groep om een omtrekkende beweging te maken. Ze sluipen om de berg heen, maar net wanneer ze ongemerkt de achterkant denken te hebben bereikt, stuiten ze op een groep achterdochtige gevleugelde kobolds.
Een klein stukje verderop strijkt ook nog eens een zwarte verschrikking neer: de ondood geworden draak die zich opmaakt om aan een feestmaal te beginnen. Het hongerige beest wordt echter gestuit door de Shadar-Kai, die de groep toeschreeuwen zich om de Ketel te bekommeren. Zij zullen de draak wel op afstand houden. Wanneer de groep van dat aanbod gebruik wil maken, tekenen de kobolden heftig protest aan: niemand komt de heuvel op zonder toestemming van Khesh! Fáeláns redelijke insteek dat ze zelf immers ook aangevallen worden vanaf de top van de heuvel, en dat de groep hier alleen is om hen te hélpen, lijkt geen enkele impact te hebben.
Net wanneer hij zich dan maar gewapenderhand een weg door de weerspannige kobolds wil banen, landt tot ieders verbazing Nazhaar vlakbij. De drakenman is niet onveranderd teruggekeerd van zijn bezoek aan Khesh: op zijn borst draagt hij nu, net als de kobolden, een lichtende groene schub. De huid eromheen lijkt niet zo tevreden met deze toevoeging, maar de kobolden reageren met vreugde en achting – hij is min of meer één van hen geworden.
Met de nodige aplomb verklaart Nazhaar dat Khesh hem heeft beloofd dat haar kobolden hem zullen bijstaan en weet op die manier een vrije doorgang voor de groep te krijgen. Enkelen van de kobolden sluiten zich zelfs bij hen aan. 

Makkelijk is de tocht naar boven nog steeds niet… ze worden van bovenaf onophoudelijk beschoten en bekogeld, boomwezens komen naar beneden gedenderd en hun destructieve magie vliegt door de lucht, terwijl cultisten in het groene licht van de Ketel hun rituelen volvoeren.
Fáelán lijkt het uitverkoren doelwit van een machtige natuurmagiër: de ridder kan amper een voet verzetten zonder dat zich een gapende modderkuil onder hem opent. Slippend door modder en van kuil naar kuil springend kan hij zich maar langzaam voortbewegen. Tot overmaat van ramp lijkt het slijk wel te leven: het grijpt zijn laarzen vast en hij moet een waar gevecht leveren om zich los te kunnen werken. Zijn voortgang gaat in een slakkenvaart… en dan zijn er nog de ondoden die zich door de modderkuilen geroepen lijken te voelen overeind te komen.
Nazhaar maakt het tot zijn taak om die waar hij maar kan uit de weg te ruimen: waar de drakenman is gepasseerd, staat geen ondode meer overeind. Chiara probeert haar pijlen op hun tegenstanders bij de Ketel los te laten, maar heuvelopwaarts in het donker is haar schot niet al te zeker. Ze probeert zo goed mogelijk dichterbij te komen, maar stelt zich zo bloot aan het vijandige vuur van bovenaf. Alítih vordert voorzichtig onder dekking van Fáelán en Varlock, maar is te veraf om haar magie te ontketenen.
De Ketel begint inmiddels te schokken en eist op luide toon een Offer. Boven op de top van de heuvel ziet de groep de bekende gestalte van de gekapte leider van de cultisten haar laatste bevelen uitdelen, voor ze verdwijnt, met een spottend lachje.
Chiara en Alítih zijn inmiddels echter dicht genoeg genaderd om effect te kunnen sorteren: samen bestoken ze de boomwezens die hun verstorende magie op de helling loslaten. Langzaam maar zeker beginnen hun pijlen en magie doel te treffen en een weg te banen. 
Intussen werpt Varlock bezorgde blikken over zijn schouder: aan de voet van de berg zijn de Shadar-Kai er niet al te best aan toe. Twee van hen liggen bewusteloos op de grond, alleen Saminel voert nog een wanhopige strijd. Wanneer Varlock ziet hoe de machtigste van de boomwezens wordt geveld door een magische vuurstroom van Alítih en een pijlensalvo van Chiara, neemt hij een roekeloos besluit. Hier kunnen ze het wel zonder hem af – beneden gaat het slecht. De dwergenkrijger draait zich om, neemt een flinke aanloop en zet zich dan af voor een machtige sprong. Even lijkt hij door de lucht te zweven… Dan landt hij met een klap bovenop de verraste draak, die meteen wordt afgeleid van het neermaaien van Saminel.
De draak laat dit niet zomaar op zich zitten en lacht duister, terwijl hij begint te klapwieken. Beledigingen in de drakentaal schreeuwend, stijgt hij op, terwijl een op zijn beurt verraste dwerg zich vastklampt. Wat nu? Gelukkig verstaat Varlock geen snars van wat de draak allemaal buldert, en hij heeft dan ook geen last van angstige voorstellingen over dwergenpastei. Met een blik naast zich schat hij de afstand tot de grond in en berekent met dwergse nuchterheid de afstand naar beneden en wat zo’n ondood drakenlijf al niet kan incasseren. Daarna heft hij zijn hamer en begint het lied van ‘Varlock wil weer naar beneden’ op de kop van de draak te spelen.

Nazhaar wordt inmiddels door de rankende magie van een boomwezen naar boven getrokken. Hij levert een verwoed gevecht en krijgt dan onverwacht bijstand van Fáelán: de ridder heeft zich eindelijk weten te bevrijden van de zuigende modder en samen rekenen ze met deze dreiging af. De drakenman stormt op de Ketel af, met het vaste voornemen die met een fikse klap tot schroot om te vormen. Helaas is de zwevende Ketel niet van dat plan gediend en hij wordt met een magische klap naar achteren geslingerd. De cultisten rukken op, nu ze een nieuw offer in het vizier hebben, maar de ex-kapitein is klaar om hen een koekje van eigen deeg te geven… tot Chiara hem waarschuwend toeschreeuwt dat er niémand in de Ketel mag belanden! Morrend geeft Nazhaar dat plan dan maar op, en de Ketel is het met hem eens: de hele heuvel schudt van zijn ongenoegen, en een nieuwe aardbeving lijkt op handen.
Chiara en Alítih zijn ook naar boven opgerukt en met vereende krachten bekampen ze de cultisten. Ze boeken aanvankelijk resultaat: de gewonde cultisten worden al gauw in het nauw gedreven, maar transformeren dan op een gruwelijke manier. Krijsend rukken ze hun eigen gezichten af en verspreiden golven dwingende horroreske angst. Chiara heeft moeite haar pijlen nog af te vuren en ook Alítih deinst achteruit, terwijl ze zich nog ternauwernood op haar verdedigende magie kan concentreren. Nazhaar schiet hen te hulp, maar wordt door een woeste cultist aangevallen – hij wankelt zwaargewond achteruit en stort bewusteloos ter aarde. Fáelán weet zich echter gehuld in de troostende nabijheid van zijn godin en stormt naderbij, terwijl hij gloeit van een innerlijk licht: binnen de kortste keren vallen beide cultisten onder zijn zwaard.

De Ketel moet geneutraliseerd worden, maar hoe? Chiara verbindt Nazhaars wonden, terwijl Fáelán en Alítih vertwijfeld naar beneden kijken. De enigen die misschien een idee hebben, zijn in een gevecht verwikkeld met een gigantische zwarte ondode draak! Op dat moment zien ze die draak echter als een baksteen naar beneden storten. Niet veel later springt een bekende figuur – gespierd maar kort van gestalte – vanop het verdwijnende drakenlijk op de grond, beent naar de gevallen Shadar-Kai en helpt hen op de been. De kans om een nieuwe ramp af te wenden is nog niet verkeken.

Erzoun haast zich naar boven en doet haar best om een oplossing te bedenken. Aangezien de leider van de Shadar-Kai verdwenen is, moet er nu eenmaal geïmproviseerd worden om deze dreiging onschadelijk te maken. Ze voegt haar magie bij die van Alítih, en met inzet van de kracht van alle aanwezigen, puzzelt ze een passende bezwering in elkaar. De Ketel wordt succesvol gedeactiveerd.
De Shadar-Kai weigeren vervolgens pertinent om de Ketel met zich mee te nemen naar de schaduwdimensie… en van de andere kant komen al te gretige kobolden naderbij: zij willen de Ketel gerust naar Khesh brengen. Nazhaar moet de rest van de groep op dit moment schaapachtig opbiechten dat hij een overeenkomst met de groene draak heeft gesloten: in ruil voor haar hulp zal hij haar de Ketel moeten brengen.
Alítih waarschuwt tegen dat voornemen: de Ketel is momenteel niet actief, maar de magie erin is alleen maar slapend. Fáelán weigert ogenblikkelijk om een draak zo’n machtig artefact in handen te spelen. Ook de rest van de groep heeft zo zijn bedenkingen: Khesh is een paranoïde heerser, die zich vroeg of laat in een gril tegen hen kan keren. Willen ze haar dan werkelijk zo’n wapen geven?
Nazhaar slaagt erin de kobolden met een kluitje in het riet te sturen en de vermoeide groep begeeft zich richting Waterzooi. Er wacht hen een lastige beslissing: wat moeten ze met die Ketel?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten