dinsdag 5 juli 2016

Hoofdstuk 13

De doden staan op uit hun graven... Fáelán neemt onmiddellijk de leiding en ronselt enige burgers. De groep begeeft zich naar het kerkhof. Daar aangekomen zien ze dat er merkwaardige dingen gaande zijn: de hoge haag om het kerkhof, en de treurwilg in het midden, staan helemaal in bloei. Bij het mausoleum flakkert een paarse gloed.
Wanneer de groep daar poolshoogte wil nemen, worden ze meteen verrast door een net uit het graf gekropen zombie. 
Chiara legt meteen een pijl op de pees en schiet, maar de zombie strompelt verder, tot Alítih hem met een krachtige uitbarsting van energie een haalt toeroept. De vermoeide tovenares voelt dat ze, ondanks de beproevingen die ze net doorstaan heeft, door een bekende energie gesteund wordt.
Links en rechts duiken echter nieuwe zombies op. De wandelende lijken, gekleed in de rafels van hun zondags pak, komen dreigend op de groep af. Fáelán mobiliseert de burgers en voert hen aan bij een charge op een groepje zombies. 
Nazhaar inmiddels denkt praktisch na: zoals een schip niet kan varen zonder zeilen, zo zal een zombie niet uit het graf kunnen rijzen zonder… benen. Hij benut dan ook zijn magische hondenbeeldje nog een keer en stuurt het beest op de graven af om dijbeenbotten op te graven. Zijn trouwe hond gaat meteen aan de slag en verzamelt traag maar gestaag een flinke stapel.
Het kerkhof is echter groot en de zombies blijven komen. Chiara schat de situatie in en laat haar oog op de grote treurwilg vallen. Ze spurt er lichtvoetig heen en klautert de kruin in. Even zien haar vrienden haar worstelen met de ongelijkmatige takken, dan heeft de ranger haar uitkijkpunt gevonden en vliegen haar pijlen weer fluitend het gewoel in.
Varlock pakt zijn schild stevig beet en stormt op de zombies af. Hij weet er enkele tegen elkaar te bonken, maar de wezenloze aanvallers zijn koppig. 
Fáelán bespeurt bij het mausoleum enige activiteit. Een man staat daar op wacht en lijkt hun gevecht met enige spot gade te slaan. Na enige tijd verheft hij zijn stem en waarschuwt de groep dat ze in een hinderlaag lopen.
Fáelán neemt de dreiging serieus, maar is niet van plan om Waterzooi onder de voet te laten lopen door ondoden. Hij spoort zijn mannen aan om vol te houden. Ze houden ternauwernood stand, maar worden gelukkig terzijde gestaan door de rondzoevende hamer van Varlock en de heftige energie-uitbarstingen van Alítih.
Nazhaar besluit inmiddels om door te stoten naar wat het hart van de onrust lijkt te zijn. De drakenman maakt tot ergernis van Fáelán een omtrekkende beweging en begeeft zich richting het mausoleum. Daar ziet hij een man met tot het uiterste gespannen spieren proberen de deuren van het mausoleum dicht te houden. De deuren trillen in hun sponningen, terwijl een hoge, gierachtige kreet weerklinkt.
De andere man, die duidelijk op wacht staat, schreeuwt: “Hondjes… hooondjes!”, schijnbaar in het niets. 
Nazhaar ziet niets anders dan zijn eigen Zennie die nog steeds driftig aan het graven is. Bij het mausoleum hoort hij een heldere vrouwenstem een incantatie opzeggen, maar hij krijgt niet de kans zich af te vragen wat dat te betekenen heeft. Nazhaar stapt op de wachter toe, vastberaden om uitleg te krijgen. Dan wordt hij onverhoeds aangevallen door een verdekt opgestelde figuur in flarden kledij, die vervaarlijk met een keten zwaait. De drakenman raakt verstrikt in de keten en worstelt vergeefs om zich los te werken. Terwijl hij naderbij wordt getrokken, hoort hij de ketenvechter op monotone toon zingen.
Chiara ziet het gevaar waarin Nazhaar verkeert en richt meteen haar pijlen op de ketenvechter. Ze geeft Nazhaar even respijt, zodat hij zich kan loswerken. Het effect is echter alleen dat de ketenvechter zich meteen op Fáeláen richt, die was toegesneld met zijn nog op de been zijnde mannen. De groep wordt flink uitgedund door de rondslingerende keten en Fáelán begint zich ernstig zorgen te maken of deze situatie niet boven hun krachten gaat. Wanneer hij ook nog eens ziet dat Alítih door een tweede ketenvechter wordt aangevallen, schreeuwt de ridder zijn kameraden toe dat ze beter kunnen terugtrekken.
Varlock schiet de tovenares meteen ter hulp en stormt als een stormram in de vorm van een dwerg op de ketenvechter af. Hij bonkt de man tegen de grond en Alítih trekt zich wijselijk terug. Ze is te zeer verzwakt om een aanval van de slingerende keten aan te kunnen.

Het ziet er slecht uit voor de groep, maar dan ziet Nazhaar hoe de wachter bij het mausoleum een zombie neerhakt. Is de wachter een bondgenoot? Hij stapt op de man toe en vraagt om uitleg. Hij krijgt direct twee scherpe dolken op gevoelige plekken gericht, maar de wachter bevestigt dat de hinderlaag waar ze in zijn gelopen, niet door hem en zijn gezellen is opgezet.
Saminel, de man die de poorten van het mausoleum gesloten tracht te houden, schreeuwt gepijnigd: “Erzoun, schiet op!” De incantatie klinkt steeds luider: de vrouw, Erzoun, die rond het mausoleum aan het dansen is met een bezwering, is bijna rond. De dreunende klappen van binnenuit worden echter steeds sterker. Houden de deuren en Saminel het wel tot ze klaar is? De wachter waarschuwt Nazhaar dat hij beter afstand kan nemen: het effect van de bezwering kan erg krachtig zijn.
De ketenvechters blijken intussen allerminst makkelijk te verslaan. Varlock ziet tot zijn verbazing ineens een lege ruimte waar hij met zijn hamer wilde uithalen. Fáelán wordt één moment later door de weer tevoorschijn schietende ketenvechter in de rug aangevallen en kan zich amper tijdig teweerstellen. Maar de dwerg en de ridder houden stand. Wanneer een zombie Fáelán bij zijn been vastgrijpt, is hij even afgeleid. Alítih is echter voorzichtig weer naderbij geslopen en weet één van de ketenvechters een fatale wond toe te dienen. Zijn makker is echter nog volop in actie. “Hé, hondje!”, schreeuwt de wachter andermaal spottend. De ketenvechter kijkt geërgerd op, maar laat zich niet genoeg afleiden om zijn aanval te staken.
Saminel deinst achteruit van bij de deuren van het mausoleum, wanneer Erzoun tevoorschijn is gekomen en haar bezwering rond is. “Toch zonde,” mompelen hij en de wachter tegen elkaar. Dan klinkt een gigantische klap en het mausoleum implodeert.
Een woedende gierdraak krabbelt overeind van tussen de brokstukken. Hij heeft dezelfde wilde blik in zijn ogen als de ketenvechters. Fáelán krijgt steeds meer het gevoel dat hier iets helemaal is misgelopen. Hij heeft de groep, inclusief de ketenvechters, herkend als Shadar-Kai, krijgers die ondoden bevechten. Een duistere invloed heeft kennelijk enkelen onder hen besmet en waanzinnig gemaakt.
De groep splitst zich noodgedwongen in twee om de overblijvende dreigingen te bevechten. Samen met de wachter weten Fáelán en Nazhaar de ketenvechter in het nauw te drijven, zodat Alítih hem met een welgemikte energiestoot flink wat schade kan berokkenen. Hij wankelt en Nazhaar grijpt zijn kans. Hij springt naar voren en spuwt zijn vernietigende drakenadem naar de gedesoriënteerde ketenvechter. Het zuur vreet zich een weg naar binnen en hij stort levensloos neer.
Inmiddels sluit Varlock zich aan bij Saminel en Erzoun. Ze vormen een gezamenlijk front tegen de wild geworden gierdraak. Ook Chiara’s pijlen vliegen vanuit de treurwilg naar het reusachtige beest toe dat zich krijsend teweerstelt en probeert weg te vliegen. De zwaaiende hellebaard van Saminel pint het echter op de grond. Varlock en Fáelán voeren een gezamenlijke charge uit en weten het flink wat schade toe te brengen. Erzoun voegt haar magie bij hun aanval, en wanneer Chiara een pijl recht door een oog weet te jagen, is het afgelopen met de gierdraak, die met een gigantische dreun ter aarde stort.

De wachter, Girish verstrekt nu eindelijk enige uitleg, al vindt die nog altijd vrij laconiek plaats. De gierdraak is het rijdier van hun aanvoerder, heer Oristus, die verdwenen is. De Shadar-Kai moeten immers de oversteek vanuit de schaduwdimensie maken om in deze wereld te komen strijden. Toen ze aankwamen, bleek hij verdwenen te zijn. Zijn rijdier bleek door waanzin bevangen, net als de twee ketenvechters.
De Shadar-Kai zijn naar Khesh gebracht door het ontwaken van de Ketel van de Grauwe Oogst. Deze abominatie moet vernietigd worden. De groep neemt deze hulp met beide handen aan. Met de Shadar-Kai in hun kielzog begeven ze zich naar Waterzooi om daar een plan op te stellen. Daar aangekomen zien ze dat de palissade die rond het dorp is opgetrokken, overgroeid is met slingerende groene planten en mos. Alítih ziet het zorgelijk aan: de energie van de feeëndimensie die ze zo sterk om zich heen voelt, wordt steeds sterker deze dimensie ingezogen.
Dan wordt het hele eiland ineens in een groenblauwe gloed gedompeld. De Serpentheuvel licht als een baken op. De Shadar-Kai zien het kalm maar grimmig aan: het is hen wel duidelijk waar de Ketel zich bevindt. Ze willen meteen vertrekken, maar vanop de palissade klinken paniekerige kreten.
Fáelán klimt meteen omhoog om poolshoogte te gaan nemen. Er wacht hem een angstaanjagend spektakel: heel Waterzooi is omringd door een vloedgolf aan toestromende zombies. Hoe moeten ze zich daar ooit een weg doorheen hakken om de Serpentheuvel te bereiken? 
Haar polsen wrijvend waar de boeien hebben gezeten, kijkt Alítih bezorgd toe. Haar magie is nog steeds onbetrouwbaar – haar krachtigste bezweringen kan ze niet eens aanspreken, al voelt ze continu het pulseren van de fey-magie die ernaar lijkt te snakken om door haar te stromen. Ze wil zich vermoeid op de palissade hijsen, waar de rest van de groep de situatie in ogenschouw staat te nemen.
Dan zien haar vrienden een vreemd schouwspel. De eladrin tovenares is ineens verdwenen. In haar plaats is een klein meisje verschenen met golvend bastbruin en mosgroen haar. Op haar hoofd draagt ze een wijdvertakt gewei, omkranst door een kroon van bladeren, en lichtjes wervelen in haar grote groene ogen. Ze gloeit van een reusachtige kracht die van overal om haar heen in haar stroomt. De magie pulseert enkele ogenblikken en dan richt ze zich over de palissade naar de toestromende ondoden. Haar vrienden deinzen achteruit terwijl alle magie die ze ooit van Alítih hebben gezien in enkele seconden duizendvoudig versterkt uit haar tevoorschijn komt. Er wordt een brede geul geslagen in de toestromende aanval, de zombies gestuit door zilveren vuur en wervelende groene uitbarstingen.
Het volgende moment is het kleine meisje verdwenen. In haar plaats staat Alítih, haar gezicht een mengeling van verwarring en heimwee. Op haar zilveren lokken rust de bladerenkroon van het meisje. Varlock probeert haar aan te porren om haar prestatie van zo-even nog een keer te herhalen, maar de tovenares schudt haar hoofd – ze weet zelf amper wat er gebeurd is. Al voelt ze tot haar grote dankbaarheid dat haar magie weer in balans is en haar vermoeidheid als bij toverslag verdwenen is.
De Shadar-Kai zijn slagvaardig en doelbewust: dit is het ogenblik waarop ze moeten handelen. Door het gat in de aanval kan de groep nú naar de Serpentheuvel oprukken. Fáelán vindt het moeilijk om Waterzooi aan de zombies over te laten, maar begrijpt dat er geen andere optie is: ze moeten de bedreiging bij de bron aanpakken.
De groep raakt vlot Waterzooi uit, maar daarna krijgen ze af te rekenen met een onverwachte tegenstander. Er zijn niet alleen mensen onder de ondoden: een wel zeer bekende zwarte vorm klapwiekt boven hen en schreeuwt tevreden naar beneden dat hij hen eindelijk mag verslinden van de meesteresse. Ze moeten alles uit de kast halen om de ondode draak te ontwijken. Chiara weet de groep echter door voldoende sluipweggetjes te leiden om hun achtervolger af te schudden.
Bij de Serpentheuvel aangekomen zien ze het gloeiende licht bovenop de heuvel, waar de Ketel duidelijk aan de oppervlakte is gekomen. De kobolden van Khesh omringen de heuvel en verdedigen zich tegen aanvallen van boven.
Fáelán meent dat de nood vrienden maakt en stapt naar voren om de kobolden een bondgenootschap aan te bieden. De kobolden reageren weifelachtig, maar Fáelán ziet wel dat ze onder zwaar vuur liggen. Hij bluft dat hij hen ook alleen kan laten vechten als ze dat verkiezen en maakt zich al zogenaamd klaar om weer weg te gaan. Chiara is echter te ongeduldig om het resultaat van de onderhandelingen af te wachten. De rosse ranger duikt op uit de begroeiing met een zwaard in de hand. Ze wil medewerking, en wel nú en als ze die niet verstrekken, dan hakt ze zich wel een weg. Nazhaar vreest dat dit gigantisch uit de hand gaat lopen en stelt zich beschermend naast haar op.
De Shadar-Kai trekken zich intussen hoofdschuddend terug: wat is dit voor amateuristisch gebeuren? De top van de heuvel moeten ze bereiken, dáár is het te doen! Ze beginnen aan een omtrekkende beweging, wie weet kunnen ze van de afleiding die hier wordt gecreëerd gebruik maken…
De kobolden zijn niet genegen deze vreemden ineens te vertrouwen en discussiëren even onderling over wat hen te doen staat. Dan besluiten ze dat er maar één goeie optie is: ze moeten dit eenvoudigweg aan Khesh voorleggen. Ze monsteren de groep even kritisch en nemen dan een besluit. Nazhaar wordt door twee forse gevleugelde kobolden onder zijn armen vastgegrepen en voor hij het weet wordt de drakenman de lucht in gesleept – op naar een audiëntie bij Khesh…

Geen opmerkingen:

Een reactie posten