Wanneer de groep daar poolshoogte wil nemen, worden ze
meteen verrast door een net uit het graf gekropen zombie.
Chiara legt meteen een pijl op de pees en schiet, maar de zombie strompelt verder, tot Alítih hem met een krachtige uitbarsting van energie een haalt toeroept. De vermoeide tovenares voelt dat ze, ondanks de beproevingen die ze net doorstaan heeft, door een bekende energie gesteund wordt.
Chiara legt meteen een pijl op de pees en schiet, maar de zombie strompelt verder, tot Alítih hem met een krachtige uitbarsting van energie een haalt toeroept. De vermoeide tovenares voelt dat ze, ondanks de beproevingen die ze net doorstaan heeft, door een bekende energie gesteund wordt.
Links en rechts duiken echter nieuwe zombies op. De
wandelende lijken, gekleed in de rafels van hun zondags pak, komen dreigend op
de groep af. Fáelán mobiliseert de burgers en voert hen aan bij een charge op
een groepje zombies.
Nazhaar inmiddels denkt praktisch na: zoals een schip niet kan varen zonder zeilen, zo zal een zombie niet uit het graf kunnen rijzen zonder… benen. Hij benut dan ook zijn magische hondenbeeldje nog een keer en stuurt het beest op de graven af om dijbeenbotten op te graven. Zijn trouwe hond gaat meteen aan de slag en verzamelt traag maar gestaag een flinke stapel.
Nazhaar inmiddels denkt praktisch na: zoals een schip niet kan varen zonder zeilen, zo zal een zombie niet uit het graf kunnen rijzen zonder… benen. Hij benut dan ook zijn magische hondenbeeldje nog een keer en stuurt het beest op de graven af om dijbeenbotten op te graven. Zijn trouwe hond gaat meteen aan de slag en verzamelt traag maar gestaag een flinke stapel.
Het kerkhof is echter groot en de zombies blijven komen.
Chiara schat de situatie in en laat haar oog op de grote treurwilg vallen. Ze
spurt er lichtvoetig heen en klautert de kruin in. Even zien haar vrienden haar
worstelen met de ongelijkmatige takken, dan heeft de ranger haar uitkijkpunt
gevonden en vliegen haar pijlen weer fluitend het gewoel in.
Varlock pakt zijn schild stevig beet en stormt op de zombies
af. Hij weet er enkele tegen elkaar te bonken, maar de wezenloze aanvallers zijn
koppig.
Fáelán bespeurt bij het mausoleum enige activiteit. Een man staat daar op wacht en lijkt hun gevecht met enige spot gade te slaan. Na enige tijd verheft hij zijn stem en waarschuwt de groep dat ze in een hinderlaag lopen.
Fáelán bespeurt bij het mausoleum enige activiteit. Een man staat daar op wacht en lijkt hun gevecht met enige spot gade te slaan. Na enige tijd verheft hij zijn stem en waarschuwt de groep dat ze in een hinderlaag lopen.
Fáelán neemt de dreiging serieus, maar is niet van plan om
Waterzooi onder de voet te laten lopen door ondoden. Hij spoort zijn mannen aan
om vol te houden. Ze houden ternauwernood stand, maar worden gelukkig terzijde
gestaan door de rondzoevende hamer van Varlock en de heftige
energie-uitbarstingen van Alítih.
Nazhaar besluit inmiddels om door te stoten naar wat het hart
van de onrust lijkt te zijn. De drakenman maakt tot ergernis van Fáelán een
omtrekkende beweging en begeeft zich richting het mausoleum. Daar ziet hij een
man met tot het uiterste gespannen spieren proberen de deuren van het mausoleum
dicht te houden. De deuren trillen in hun sponningen, terwijl een hoge,
gierachtige kreet weerklinkt.
De andere man, die duidelijk op wacht staat, schreeuwt:
“Hondjes… hooondjes!”, schijnbaar in het niets.
Nazhaar ziet niets anders dan zijn eigen Zennie die nog steeds driftig aan het graven is. Bij het mausoleum hoort hij een heldere vrouwenstem een incantatie opzeggen, maar hij krijgt niet de kans zich af te vragen wat dat te betekenen heeft. Nazhaar stapt op de wachter toe, vastberaden om uitleg te krijgen. Dan wordt hij onverhoeds aangevallen door een verdekt opgestelde figuur in flarden kledij, die vervaarlijk met een keten zwaait. De drakenman raakt verstrikt in de keten en worstelt vergeefs om zich los te werken. Terwijl hij naderbij wordt getrokken, hoort hij de ketenvechter op monotone toon zingen.
Nazhaar ziet niets anders dan zijn eigen Zennie die nog steeds driftig aan het graven is. Bij het mausoleum hoort hij een heldere vrouwenstem een incantatie opzeggen, maar hij krijgt niet de kans zich af te vragen wat dat te betekenen heeft. Nazhaar stapt op de wachter toe, vastberaden om uitleg te krijgen. Dan wordt hij onverhoeds aangevallen door een verdekt opgestelde figuur in flarden kledij, die vervaarlijk met een keten zwaait. De drakenman raakt verstrikt in de keten en worstelt vergeefs om zich los te werken. Terwijl hij naderbij wordt getrokken, hoort hij de ketenvechter op monotone toon zingen.
Chiara ziet het gevaar waarin Nazhaar verkeert en richt
meteen haar pijlen op de ketenvechter. Ze geeft Nazhaar even respijt, zodat hij
zich kan loswerken. Het effect is echter alleen dat de ketenvechter zich meteen
op Fáeláen richt, die was toegesneld met zijn nog op de been zijnde mannen. De
groep wordt flink uitgedund door de rondslingerende keten en Fáelán begint zich
ernstig zorgen te maken of deze situatie niet boven hun krachten gaat. Wanneer
hij ook nog eens ziet dat Alítih door een tweede ketenvechter wordt
aangevallen, schreeuwt de ridder zijn kameraden toe dat ze beter kunnen
terugtrekken.
Varlock schiet de tovenares meteen ter hulp en stormt als
een stormram in de vorm van een dwerg op de ketenvechter af. Hij bonkt de man
tegen de grond en Alítih trekt zich wijselijk terug. Ze is te zeer verzwakt om
een aanval van de slingerende keten aan te kunnen.
Het ziet er slecht uit voor de groep, maar dan ziet Nazhaar hoe de wachter bij het mausoleum een zombie neerhakt. Is de wachter een bondgenoot? Hij stapt op de man toe en vraagt om uitleg. Hij krijgt direct twee scherpe dolken op gevoelige plekken gericht, maar de wachter bevestigt dat de hinderlaag waar ze in zijn gelopen, niet door hem en zijn gezellen is opgezet.
Saminel, de man die de poorten van het mausoleum gesloten
tracht te houden, schreeuwt gepijnigd: “Erzoun, schiet op!” De incantatie
klinkt steeds luider: de vrouw, Erzoun, die rond het mausoleum aan het dansen
is met een bezwering, is bijna rond. De dreunende klappen van binnenuit worden
echter steeds sterker. Houden de deuren en Saminel het wel tot ze klaar is? De
wachter waarschuwt Nazhaar dat hij beter afstand kan nemen: het effect van de
bezwering kan erg krachtig zijn.
De ketenvechters blijken intussen allerminst makkelijk te
verslaan. Varlock ziet tot zijn verbazing ineens een lege ruimte waar hij met
zijn hamer wilde uithalen. Fáelán wordt één moment later door de weer
tevoorschijn schietende ketenvechter in de rug aangevallen en kan zich amper
tijdig teweerstellen. Maar de dwerg en de ridder houden stand. Wanneer een
zombie Fáelán bij zijn been vastgrijpt, is hij even afgeleid. Alítih is echter
voorzichtig weer naderbij geslopen en weet één van de ketenvechters een fatale
wond toe te dienen. Zijn makker is echter nog volop in actie. “Hé, hondje!”,
schreeuwt de wachter andermaal spottend. De ketenvechter kijkt geërgerd op,
maar laat zich niet genoeg afleiden om zijn aanval te staken.
Saminel deinst achteruit van bij de deuren van het
mausoleum, wanneer Erzoun tevoorschijn is gekomen en haar bezwering rond is.
“Toch zonde,” mompelen hij en de wachter tegen elkaar. Dan klinkt een
gigantische klap en het mausoleum implodeert.
Een woedende gierdraak krabbelt overeind van tussen de
brokstukken. Hij heeft dezelfde wilde blik in zijn ogen als de ketenvechters.
Fáelán krijgt steeds meer het gevoel dat hier iets helemaal is misgelopen. Hij
heeft de groep, inclusief de ketenvechters, herkend als Shadar-Kai, krijgers
die ondoden bevechten. Een duistere invloed heeft kennelijk enkelen onder hen
besmet en waanzinnig gemaakt.
De groep splitst zich noodgedwongen in twee om de
overblijvende dreigingen te bevechten. Samen met de wachter weten Fáelán en
Nazhaar de ketenvechter in het nauw te drijven, zodat Alítih hem met een
welgemikte energiestoot flink wat schade kan berokkenen. Hij wankelt en Nazhaar
grijpt zijn kans. Hij springt naar voren en spuwt zijn vernietigende drakenadem
naar de gedesoriënteerde ketenvechter. Het zuur vreet zich een weg naar binnen
en hij stort levensloos neer.
Inmiddels sluit Varlock zich aan bij Saminel en Erzoun. Ze
vormen een gezamenlijk front tegen de wild geworden gierdraak. Ook Chiara’s
pijlen vliegen vanuit de treurwilg naar het reusachtige beest toe dat zich
krijsend teweerstelt en probeert weg te vliegen. De zwaaiende hellebaard van
Saminel pint het echter op de grond. Varlock en Fáelán voeren een gezamenlijke charge
uit en weten het flink wat schade toe te brengen. Erzoun voegt haar magie bij
hun aanval, en wanneer Chiara een pijl recht door een oog weet te jagen, is het
afgelopen met de gierdraak, die met een gigantische dreun ter aarde stort.
De wachter, Girish verstrekt nu eindelijk enige uitleg, al
vindt die nog altijd vrij laconiek plaats. De gierdraak is het rijdier van hun
aanvoerder, heer Oristus, die verdwenen is. De Shadar-Kai moeten immers de
oversteek vanuit de schaduwdimensie maken om in deze wereld te komen strijden. Toen
ze aankwamen, bleek hij verdwenen te zijn. Zijn rijdier bleek door waanzin
bevangen, net als de twee ketenvechters.
De Shadar-Kai zijn naar Khesh gebracht door het ontwaken van
de Ketel van de Grauwe Oogst. Deze abominatie moet vernietigd worden. De groep
neemt deze hulp met beide handen aan. Met de Shadar-Kai in hun kielzog begeven
ze zich naar Waterzooi om daar een plan op te stellen. Daar aangekomen zien ze
dat de palissade die rond het dorp is opgetrokken, overgroeid is met
slingerende groene planten en mos. Alítih ziet het zorgelijk aan: de energie
van de feeëndimensie die ze zo sterk om zich heen voelt, wordt steeds sterker
deze dimensie ingezogen.
Dan wordt het hele eiland ineens in een groenblauwe gloed
gedompeld. De Serpentheuvel licht als een baken op. De Shadar-Kai zien het kalm
maar grimmig aan: het is hen wel duidelijk waar de Ketel zich bevindt. Ze
willen meteen vertrekken, maar vanop de palissade klinken paniekerige kreten.
Fáelán klimt meteen omhoog om poolshoogte te gaan nemen. Er wacht
hem een angstaanjagend spektakel: heel Waterzooi is omringd door een vloedgolf
aan toestromende zombies. Hoe moeten ze zich daar ooit een weg doorheen hakken
om de Serpentheuvel te bereiken?
Haar polsen wrijvend waar de boeien hebben gezeten, kijkt
Alítih bezorgd toe. Haar magie is nog steeds onbetrouwbaar – haar krachtigste
bezweringen kan ze niet eens aanspreken, al voelt ze continu het pulseren van
de fey-magie die ernaar lijkt te snakken om door haar te stromen. Ze wil zich
vermoeid op de palissade hijsen, waar de rest van de groep de situatie in
ogenschouw staat te nemen.
Dan zien haar vrienden een vreemd schouwspel. De eladrin
tovenares is ineens verdwenen. In haar plaats is een klein meisje verschenen
met golvend bastbruin en mosgroen haar. Op haar hoofd draagt ze een wijdvertakt
gewei, omkranst door een kroon van bladeren, en lichtjes wervelen in haar grote
groene ogen. Ze gloeit van een reusachtige kracht die van overal om haar heen
in haar stroomt. De magie pulseert enkele ogenblikken en dan richt ze zich over
de palissade naar de toestromende ondoden. Haar vrienden deinzen achteruit
terwijl alle magie die ze ooit van Alítih hebben gezien in enkele seconden
duizendvoudig versterkt uit haar tevoorschijn komt. Er wordt een brede geul geslagen
in de toestromende aanval, de zombies gestuit door zilveren vuur en wervelende
groene uitbarstingen.
Het volgende moment is het kleine meisje verdwenen. In haar
plaats staat Alítih, haar gezicht een mengeling van verwarring en heimwee. Op
haar zilveren lokken rust de bladerenkroon van het meisje. Varlock probeert
haar aan te porren om haar prestatie van zo-even nog een keer te herhalen, maar
de tovenares schudt haar hoofd – ze weet zelf amper wat er gebeurd is. Al voelt
ze tot haar grote dankbaarheid dat haar magie weer in balans is en haar
vermoeidheid als bij toverslag verdwenen is.
De Shadar-Kai zijn slagvaardig en doelbewust: dit is het
ogenblik waarop ze moeten handelen. Door het gat in de aanval kan de groep nú
naar de Serpentheuvel oprukken. Fáelán vindt het moeilijk om Waterzooi aan de
zombies over te laten, maar begrijpt dat er geen andere optie is: ze moeten de
bedreiging bij de bron aanpakken.
De groep raakt vlot Waterzooi uit, maar daarna krijgen ze af
te rekenen met een onverwachte tegenstander. Er zijn niet alleen mensen onder
de ondoden: een wel zeer bekende zwarte vorm klapwiekt boven hen en schreeuwt tevreden
naar beneden dat hij hen eindelijk mag verslinden van de meesteresse. Ze moeten
alles uit de kast halen om de ondode draak te ontwijken. Chiara weet de groep
echter door voldoende sluipweggetjes te leiden om hun achtervolger af te
schudden.
Bij de Serpentheuvel aangekomen zien ze het gloeiende licht
bovenop de heuvel, waar de Ketel duidelijk aan de oppervlakte is gekomen. De kobolden
van Khesh omringen de heuvel en verdedigen zich tegen aanvallen van boven.
Fáelán meent dat de nood vrienden maakt en stapt naar voren
om de kobolden een bondgenootschap aan te bieden. De kobolden reageren
weifelachtig, maar Fáelán ziet wel dat ze onder zwaar vuur liggen. Hij bluft
dat hij hen ook alleen kan laten vechten als ze dat verkiezen en maakt zich al
zogenaamd klaar om weer weg te gaan. Chiara is echter te ongeduldig om het
resultaat van de onderhandelingen af te wachten. De rosse ranger duikt op uit
de begroeiing met een zwaard in de hand. Ze wil medewerking, en wel nú en als
ze die niet verstrekken, dan hakt ze zich wel een weg. Nazhaar vreest dat dit
gigantisch uit de hand gaat lopen en stelt zich beschermend naast haar op.
De Shadar-Kai trekken zich intussen hoofdschuddend terug:
wat is dit voor amateuristisch gebeuren? De top van de heuvel moeten ze bereiken,
dáár is het te doen! Ze beginnen aan een omtrekkende beweging, wie weet kunnen
ze van de afleiding die hier wordt gecreëerd gebruik maken…
De kobolden zijn niet genegen deze vreemden ineens te
vertrouwen en discussiëren even onderling over wat hen te doen staat. Dan besluiten
ze dat er maar één goeie optie is: ze moeten dit eenvoudigweg aan Khesh
voorleggen. Ze monsteren de groep even kritisch en nemen dan een besluit.
Nazhaar wordt door twee forse gevleugelde kobolden onder zijn armen
vastgegrepen en voor hij het weet wordt de drakenman de lucht in gesleept – op naar
een audiëntie bij Khesh…
Geen opmerkingen:
Een reactie posten