woensdag 3 augustus 2016

Hoofdstuk 15

Het probleem van de Ketel wordt in de daaropvolgende dagen niet meteen opgelost. Fáelán probeert meer informatie uit de Shadar-Kai los te peuteren, maar die hebben hem op dat vlak niets meer te bieden. Toch zien zijn makkers hem nog langdurig met hen converseren. Flarden van hun gesprekken lijken echter vooral religieus getint te zijn.

Wanneer de aankondiging komt dat binnen de vier dagen Tribuut zal worden opgehaald voor Khesh begint de tijd te dringen: ze zullen een besluit moeten treffen – geven ze de Ketel van Grauwe Oogst aan Khesh, of niet? Nazhaar, die lijfelijk last begint te ondervinden van de groene schub op zijn borst, is geneigd om de draak haar zin te geven, zodat hij van het ding af is.
Alitih en Fáelán verzetten zich met hand en tand tegen die. De ridder vindt het maar niets om een toekomstige tegenstander zo’n machtig wapen te geven – zeker een draak. Alítih wil de Ketel eenvoudigweg niet uit handen geven: wie die ook bezit, bezit de mogelijkheid om de kracht van haar thuisdimensie – de feywild – te misbruiken. Ze weten uiteindelijk dit standpunt door te drukken. De Ketel wordt verborgen in de extradimensionale kamer in de herberg van Chiara en de deur wordt door Alítih met een magische verzegeling extra vergrendeld.
De groep komt uiteindelijk tot een plan: Varlock bestelt bij de dwergensmid in alle stilte een ketel die enigszins op de Ketel van Grauwe Oogst moet lijken. De nuchtere smid vindt het maar een bizar plan – waarom zou iemand twee ketels nodig hebben? Nazhaar, wiens groene ere-schub pijnlijk opgloeit, en kracht verliest elke dag die verstrijkt zonder dat hij Khesh heeft gebracht wat hij had beloofd, stopt de smid grommend een extra buidel goud toe. Hij hoeft het niet te snappen, als het maar opschiet.
Wanneer de ketel eindelijk af is, laat Alítih haar magie erop los. Ze hopen erop dat Khesh de ketel niet al te zorgvuldig zal bestuderen, maar als het ding helemaal geen magisch aura heeft, dan zal ze zéker onraad ruiken.
Het plan lijkt min of meer te werken: wanneer Nazhaar met de ketel bij Khesh komt, neemt ze die zonder veel plichtplegingen in ontvangst en gooit die tussen haar andere bezittingen… weliswaar met de zorgwekkende mededeling dat ze zich er binnenkort mee zal bezighouden. Nazhaar trekt zich niet al te veel aan van deze toekomstige dreiging: hij wil vooral nú van die schub af waarmee Khesh hem onder controle houdt. De draak verzekert hem er liefjes van dat de schub hem alleen maar voordeel kan opleveren, zolang hij haar trouw dient – iets anders was hij niet van plan, toch? De drakenman besluit wijselijk hier niet tegenin te gaan en belooft haar dat hij haar zeker nog waardevolle diensten zal verlenen. Khesh stelt hem meteen likkebaardend op de hoogte van haar voorkeur wat betreft gepaste geschenken en het is een grimmige Nazhaar die inclusief groene schub weer in Waterzooi arriveert.

Intussen heeft Varlock de taak aangevat om de stranden van het eiland eens grondig uit te kammen. De kist die hij met zich mee had toen hij vlakbij Khesh schipbreuk leed, is nog altijd niet boven water gekomen… ergens moet die toch zijn? Het geheugen van de dwerg heeft nog steeds enkele lacunes, maar één ding weet hij zeker: zijn kist terugvinden is van het grootste belang!
Varlock is al een dag onderweg wanneer hij in de verte op zee brokstukken ziet drijven, waarop een drenkeling zich vastklampt. Hij staat nog te overwegen of zijn baard wel klaar is voor een nieuwe onderdompeling in zout water wanneer hij ziet dat ze zich aan iets vastklampt – zijn kist? Moedig stort de dwerg zich in de branding en ploegt zich een weg naar het drijvende wrakhout toe. Na een korte aarzeling brengt hij eerst de drenkeling bij en sleept haar naar het strand. Terwijl de jonge vrouw nog water zit op te hoesten, is Varlock alweer verdwenen en zwemt zo snel hij kan richting het dobberende hout waaraan ze zich vasthield. Tot zijn grote teleurstelling blijkt het een vaatje te zijn, dat kennelijk van het gezonken schip afkomstig is. Hij neemt het zo filosofisch mogelijk op – er is immers niks verloren – en gaat de drenkeling bij Padraig afleveren.

Wanneer hij weer terug in Waterzooi komt om de teleurstelling weg te spoelen met een stevige kroes bier, treft hij de notaris die brieven aan het uitdelen is.
Nazhaar zit met ernstig gezicht een bericht van zijn broer te lezen, terwijl Alítih boos van kleur verschiet terwijl ze het antwoord op haar eerder verstuurde brief leest. De tovenares wijdt niet al te zeer uit over wat ze ‘verder persoonlijk’ noemt, maar drukt de groep wel op het hart dat ze juist hebben gehandeld door de Ketel uit handen van de draak te houden. Haar tante Meliaraeitirista, een tovenares die doceert aan de Keizerlijke Academie, heeft haar gewaarschuwd dat dat een van de slechtst mogelijke scenario’s zou zijn. Bovendien herinnerde ze Alitih er in niet al te vriendelijke termen aan dat deze Ketel er slechts één is. Meer informatie zou nog volgen.
Korte tijd daarna komt Padraig met een brief in de hand de hulp van de groep inroepen. Nadat Varlock zelf recent schipbreuk heeft geleden, is dit het zoveelste schip dat in korte tijd is vergaan. Uit het verslag van de drenkeling heeft hij kunnen opmaken dat er zuurschade aan het schip was voor het verging. Nazhaar kijkt meteen scherp op: ook zijn eigen schip, de Jalan Vashir die hij zo node mist, was door zuur aangetast. Padraig knikt bevestigend: het is duidelijk dat er een probleem is in de wateren rond het eiland. Hij is niet de enige die tot die vaststelling is gekomen: het keizerrijk maakt zich zorgen over deze vaarroute en heeft een soort beloning uitgeloofd. Het eiland dat het eerst met een antwoord op de proppen komt, zal hiervan profiteren bij het komende Tribuut.

De groep neemt de opdracht aan om uit te zoeken wat hier gaande is, en krijgt als ondersteuning een lijst met gezonken schepen mee. Initieel onderzoek op de kade levert niet veel op: er is niemand die echt veel weet van wat er met de schepen gebeurd is. Wel zien ze vanuit de verte een bootje vanop Marzark vertrekken, waarop een duikersklok is geladen.
Hier dient zich een probleem aan: om te weten te komen wat er met de schepen gebeurd is, zouden ze ook moeten kunnen duiken naar de wrakken, maar hoe komen ze aan zo’n klok? Nazhaar wint meteen fluks informatie in, maar de resultaten zijn teleurstellend: het zal dágen duren voor zo’n constructie klaar is. Meteen formuleert hij een driest nieuw plan: waarom onderscheppen ze niet gewoon het bootje van Marzark en pikken die duikersklok in?
Varlock is wel voor dat plan gewonnen: alles om bij het wrak van ’t Zeepaard op zoek te kunnen gaan naar zijn verloren kist! Ook Alítih ziet wel wat in het plan – misschien kunnen ze de mannen van Marzark wel tot medewerking bewegen, sust ze een lichtjes rood aanlopende Fáelán. De ridder briest woedend dat hij niets met zo’n oneervol plan te maken wil hebben en ook Chiara staat maar wat bedenkelijk te fronsen. De twee besluiten echter mee te gaan op expeditie, in de hoop de rest van de groep wat te kunnen intomen. Er wordt een boot opgesnord en de groep vertrekt.

Bij het wrak van 't Zeepaard gekomen, treffen ze het bootje van Marzark. De bemanning verzoekt hen meteen vijandig om afstand te houden. Nazhaar herkent echter tot zijn verrassing twee van zijn voormalige matrozen. Hij buldert hen toe dat ze beter mee kunnen werken onder zijn kundige leiding, samen kunnen ze een nieuwe crew vormen en vroeg of laat vinden ze wel weer een passend schip. De twee zijn niet van zin daarop in te gaan: ze zijn hier om het raadsel op te lossen op bevel van de nieuwe prefect van Marzark: Taazhon.
Wanneer die naam valt, verdwijnen alle bekommernissen bij Chiara en Fáelán. De ridder trekt bij het horen van de naam van zijn nemesis met een rood waas voor de ogen zijn zwaard. Chiara spant haar boog, en neemt dan een sprong richting de reling van het andere bootje. Nazhaar springt inmiddels, woedend om deze nieuwe aanvechting van zijn gezag als kapitein, regelrecht richting de duikersklok en begint die los te snijden. Daarna duikt hij, het touw in de hand, het schip op, en slaat dat met een snelle beweging om de nek van een matroos. Ze worden meteen omringd door toesnellende matrozen, maar die zijn geen partij voor de vastberaden groep: Taazhons mannen worden compleet overrompeld en gevangengenomen.
Chiara en Varlock dalen met de klok naar beneden af en gaan op onderzoek. Chiara treft er een uiterst vreemd landschap aan: onderwatervulkanen rondom het wrak, benevens steenhopen die geordend lijken als een soort altaartjes, en de restanten van verbrand vlees. Wanneer ze Varlock daar attent op wil maken, ziet er dat de dwerg niet aanspreekbaar is: hij heeft tot zijn overgrote vreugde eindelijk teruggevonden waar hij al tijden naar zoekt – zijn kist!
In de kist vindt de dwerg een oud document, dat op de wassen zegel na vergaan lijkt. Maar er is ook nog een klein, versierd kistje, dat hij met een tevreden glimlach openklapt. Een jaden beeldje van een zeeserpent fonkelt hem tegemoet. Nazhaar bespeurt een gelijkaardige energie als bij het beeldje van een hond dat hij Zentorm afhandig heeft gemaakt. Varlock kan hem vertellen dat dat klopt, alleen is de omvang van dit tot leven gekomen beeldje een stuk groter – een gigantisch zeedier dat hem en de groep kan vervoeren bij hun verdere speurtocht naar de oorzaak van de gezonken schepen.

-


Addendum: de brief die Padraig noopte om de hulp van de groep in te roepen


Aan Prefect Gerben Padraig, toegewezen aan Khesh 

Het zal keizer Azunkhan de Standvastige, glorierijk zijn bloed, behagen om u deze opdracht te geven. 

Zijne grootsheid verwacht een gedetailleerd rapport over het grote aantal scheepvaartincidenten in de buurt van de eilandenarchipel. Te veel schepen vergaan of lopen averij op. 

Indien een oplossing zich aanbiedt vergeeft het Keizerrijk de autoriteit om adequate maatregelen te nemen, het motto van Dragovar indachtig. De vaarroute naar het protectoraat moet gevrijwaard blijven. 

Een agent van de Vost Miraj zal u dra vervoegen. Hij zal de aangevoerde bewijzen aanschouwen en controleren, tot tevredenheid en voldoening. In dit opzicht is hij uw superieur. 

Een gelijkaardige brief werd gestuurd naar de Prefecten van uw nabuureilanden Marzark en Esthaol. Er wordt voorzien in keizerlijke assistentie bij de tribuut, toegekend aan de Prefect wiens daden blijk geven van de meeste ambitie. 

U aanmanend tot gepaste spoed, 
Met achting, 

Grootvizier Turazad 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten