Wanneer de aankondiging komt dat binnen de vier dagen
Tribuut zal worden opgehaald voor Khesh begint de tijd te dringen: ze zullen
een besluit moeten treffen – geven ze de Ketel van Grauwe Oogst aan Khesh, of
niet? Nazhaar, die lijfelijk last begint te ondervinden van de groene schub op
zijn borst, is geneigd om de draak haar zin te geven, zodat hij van het ding af
is.
Alitih en Fáelán verzetten zich met hand en tand tegen die.
De ridder vindt het maar niets om een toekomstige tegenstander zo’n machtig
wapen te geven – zeker een draak. Alítih wil de Ketel eenvoudigweg niet uit
handen geven: wie die ook bezit, bezit de mogelijkheid om de kracht van haar
thuisdimensie – de feywild – te misbruiken. Ze weten uiteindelijk dit standpunt
door te drukken. De Ketel wordt verborgen in de extradimensionale kamer in de
herberg van Chiara en de deur wordt door Alítih met een magische verzegeling
extra vergrendeld.
De groep komt uiteindelijk tot een plan: Varlock bestelt bij
de dwergensmid in alle stilte een ketel die enigszins op de Ketel van Grauwe
Oogst moet lijken. De nuchtere smid vindt het maar een bizar plan – waarom zou
iemand twee ketels nodig hebben? Nazhaar, wiens groene ere-schub pijnlijk
opgloeit, en kracht verliest elke dag die verstrijkt zonder dat hij Khesh heeft
gebracht wat hij had beloofd, stopt de smid grommend een extra buidel goud toe.
Hij hoeft het niet te snappen, als het maar opschiet.
Wanneer de ketel eindelijk af is, laat Alítih haar magie
erop los. Ze hopen erop dat Khesh de ketel niet al te zorgvuldig zal
bestuderen, maar als het ding helemaal geen magisch aura heeft, dan zal ze
zéker onraad ruiken.
Het plan lijkt min of meer te werken: wanneer Nazhaar met de
ketel bij Khesh komt, neemt ze die zonder veel plichtplegingen in ontvangst en
gooit die tussen haar andere bezittingen… weliswaar met de zorgwekkende
mededeling dat ze zich er binnenkort mee zal bezighouden. Nazhaar trekt zich
niet al te veel aan van deze toekomstige dreiging: hij wil vooral nú van die schub
af waarmee Khesh hem onder controle houdt. De draak verzekert hem er liefjes
van dat de schub hem alleen maar voordeel kan opleveren, zolang hij haar trouw dient
– iets anders was hij niet van plan, toch? De drakenman besluit wijselijk hier
niet tegenin te gaan en belooft haar dat hij haar zeker nog waardevolle
diensten zal verlenen. Khesh stelt hem meteen likkebaardend op de hoogte van
haar voorkeur wat betreft gepaste geschenken en het is een grimmige Nazhaar die
inclusief groene schub weer in Waterzooi arriveert.
Intussen heeft Varlock de taak aangevat om de stranden van
het eiland eens grondig uit te kammen. De kist die hij met zich mee had toen
hij vlakbij Khesh schipbreuk leed, is nog altijd niet boven water gekomen…
ergens moet die toch zijn? Het geheugen van de dwerg heeft nog steeds enkele
lacunes, maar één ding weet hij zeker: zijn kist terugvinden is van het
grootste belang!
Varlock is al een dag onderweg wanneer hij in de verte op
zee brokstukken ziet drijven, waarop een drenkeling zich vastklampt. Hij staat
nog te overwegen of zijn baard wel klaar is voor een nieuwe onderdompeling in
zout water wanneer hij ziet dat ze zich aan iets vastklampt – zijn kist? Moedig
stort de dwerg zich in de branding en ploegt zich een weg naar het drijvende
wrakhout toe. Na een korte aarzeling brengt hij eerst de drenkeling bij en
sleept haar naar het strand. Terwijl de jonge vrouw nog water zit op te
hoesten, is Varlock alweer verdwenen en zwemt zo snel hij kan richting het
dobberende hout waaraan ze zich vasthield. Tot zijn grote teleurstelling blijkt
het een vaatje te zijn, dat kennelijk van het gezonken schip afkomstig is. Hij
neemt het zo filosofisch mogelijk op – er is immers niks verloren – en gaat de
drenkeling bij Padraig afleveren.
Wanneer hij weer terug in Waterzooi komt om de
teleurstelling weg te spoelen met een stevige kroes bier, treft hij de notaris
die brieven aan het uitdelen is.
Nazhaar zit met ernstig gezicht een bericht van zijn broer
te lezen, terwijl Alítih boos van kleur verschiet terwijl ze het antwoord op
haar eerder verstuurde brief leest. De tovenares wijdt niet al te zeer uit over
wat ze ‘verder persoonlijk’ noemt, maar drukt de groep wel op het hart dat ze
juist hebben gehandeld door de Ketel uit handen van de draak te houden. Haar tante
Meliaraeitirista, een tovenares die doceert aan de Keizerlijke Academie, heeft
haar gewaarschuwd dat dat een van de slechtst mogelijke scenario’s zou zijn.
Bovendien herinnerde ze Alitih er in niet al te vriendelijke termen aan dat
deze Ketel er slechts één is. Meer informatie zou nog volgen.
Korte tijd daarna komt Padraig met een brief in de hand de
hulp van de groep inroepen. Nadat Varlock zelf recent schipbreuk heeft geleden,
is dit het zoveelste schip dat in korte tijd is vergaan. Uit het verslag van de
drenkeling heeft hij kunnen opmaken dat er zuurschade aan het schip was voor
het verging. Nazhaar kijkt meteen scherp op: ook zijn eigen schip, de Jalan Vashir die hij zo node mist, was
door zuur aangetast. Padraig knikt bevestigend: het is duidelijk dat er een
probleem is in de wateren rond het eiland. Hij is niet de enige die tot die
vaststelling is gekomen: het keizerrijk maakt zich zorgen over deze vaarroute
en heeft een soort beloning uitgeloofd. Het eiland dat het eerst met een
antwoord op de proppen komt, zal hiervan profiteren bij het komende Tribuut.
De groep neemt de opdracht aan om uit te zoeken wat hier
gaande is, en krijgt als ondersteuning een lijst met gezonken schepen mee. Initieel
onderzoek op de kade levert niet veel op: er is niemand die echt veel weet van
wat er met de schepen gebeurd is. Wel zien ze vanuit de verte een bootje vanop
Marzark vertrekken, waarop een duikersklok is geladen.
Hier dient zich een probleem aan: om te weten te komen wat
er met de schepen gebeurd is, zouden ze ook moeten kunnen duiken naar de
wrakken, maar hoe komen ze aan zo’n klok? Nazhaar wint meteen fluks informatie
in, maar de resultaten zijn teleurstellend: het zal dágen duren voor zo’n
constructie klaar is. Meteen formuleert hij een driest nieuw plan: waarom
onderscheppen ze niet gewoon het bootje van Marzark en pikken die duikersklok
in?
Varlock is wel voor dat plan gewonnen: alles om bij het wrak
van ’t Zeepaard op zoek te kunnen
gaan naar zijn verloren kist! Ook Alítih ziet wel wat in het plan – misschien kunnen
ze de mannen van Marzark wel tot medewerking bewegen, sust ze een lichtjes rood
aanlopende Fáelán. De ridder briest woedend dat hij niets met zo’n oneervol plan
te maken wil hebben en ook Chiara staat maar wat bedenkelijk te fronsen. De twee
besluiten echter mee te gaan op expeditie, in de hoop de rest van de groep wat
te kunnen intomen. Er wordt een boot opgesnord en de groep vertrekt.
Bij het wrak van 't
Zeepaard gekomen, treffen ze het bootje van Marzark. De bemanning verzoekt
hen meteen vijandig om afstand te houden. Nazhaar herkent echter tot zijn
verrassing twee van zijn voormalige matrozen. Hij buldert hen toe dat ze beter
mee kunnen werken onder zijn kundige leiding, samen kunnen ze een nieuwe crew
vormen en vroeg of laat vinden ze wel weer een passend schip. De twee zijn niet
van zin daarop in te gaan: ze zijn hier om het raadsel op te lossen op bevel
van de nieuwe prefect van Marzark: Taazhon.
Wanneer die naam valt, verdwijnen alle bekommernissen bij
Chiara en Fáelán. De ridder trekt bij het horen van de naam van zijn nemesis
met een rood waas voor de ogen zijn zwaard. Chiara spant haar boog, en neemt
dan een sprong richting de reling van het andere bootje. Nazhaar springt
inmiddels, woedend om deze nieuwe aanvechting van zijn gezag als kapitein, regelrecht
richting de duikersklok en begint die los te snijden. Daarna duikt hij, het
touw in de hand, het schip op, en slaat dat met een snelle beweging om de nek
van een matroos. Ze worden meteen omringd door toesnellende matrozen, maar die
zijn geen partij voor de vastberaden groep: Taazhons mannen worden compleet
overrompeld en gevangengenomen.
Chiara en Varlock dalen met de klok naar beneden af en gaan
op onderzoek. Chiara treft er een uiterst vreemd landschap aan: onderwatervulkanen rondom het wrak, benevens steenhopen die
geordend lijken als een soort altaartjes, en de restanten van verbrand vlees. Wanneer
ze Varlock daar attent op wil maken, ziet er dat de dwerg niet aanspreekbaar
is: hij heeft tot zijn overgrote vreugde eindelijk teruggevonden waar hij al
tijden naar zoekt – zijn kist!
In de kist vindt de dwerg een oud document, dat op de wassen
zegel na vergaan lijkt. Maar er is ook nog een klein, versierd kistje, dat hij
met een tevreden glimlach openklapt. Een jaden beeldje van een zeeserpent
fonkelt hem tegemoet. Nazhaar bespeurt een gelijkaardige energie als bij het
beeldje van een hond dat hij Zentorm afhandig heeft gemaakt. Varlock kan hem
vertellen dat dat klopt, alleen is de omvang van dit tot leven gekomen beeldje
een stuk groter – een gigantisch zeedier dat hem en de groep kan vervoeren bij
hun verdere speurtocht naar de oorzaak van de gezonken schepen.
-
-
Addendum: de brief die Padraig noopte om de hulp van de groep in te roepen
Aan Prefect Gerben Padraig, toegewezen aan Khesh
Het zal keizer Azunkhan de Standvastige, glorierijk zijn bloed, behagen om u deze opdracht te
geven.
Zijne grootsheid verwacht een gedetailleerd rapport over het grote aantal
scheepvaartincidenten in de buurt van de eilandenarchipel. Te veel schepen
vergaan of lopen averij op.
Indien een oplossing zich aanbiedt vergeeft het Keizerrijk de autoriteit om
adequate maatregelen te nemen, het motto van Dragovar indachtig. De vaarroute naar het protectoraat moet gevrijwaard blijven.
Een agent van de Vost Miraj zal u dra vervoegen. Hij zal de aangevoerde bewijzen aanschouwen en
controleren, tot tevredenheid en voldoening. In dit opzicht is hij uw
superieur.
Een gelijkaardige brief werd gestuurd naar de Prefecten van uw
nabuureilanden Marzark en Esthaol. Er wordt voorzien in keizerlijke assistentie bij de tribuut, toegekend
aan de Prefect wiens daden blijk geven van de meeste ambitie.
U aanmanend tot gepaste spoed,
Met achting,
Grootvizier Turazad
Geen opmerkingen:
Een reactie posten