Varlock worstelt zich naar Faélán toe, maar merkt dat hij
amper een hand voor ogen ziet. Er hangt een stofwolk om hen heen waardoor hij
niet kan zien waar hij is beland. Wanneer Fáelán weer op de been is, doet de
ridder een beroep op de goddelijke Melora om Varlock te vervullen met genezende
energie. Daarna gaan ze op de tast op zoek.
Hoe langer ze door het stof dwalen, hoe moeizamer het
ademhalen gaat. Met hun verwondingen, die hen nog steeds parten spelen, zijn ze
algauw de uitputting nabij. Dan hoort Fáelán een merkwaardig holle klank onder
zijn voeten. Hij ontdekt dat hij op een valluik staat en hurkt opgelucht neer.
Hij rukt het luik meteen open, zonder er goed bij na te denken.
Het stof in de kamer verzamelt zich onmiddellijk boven hun
hoofd en stroomt als een werveling richting het luik. De ridder en de dwerg
worden onweerstaanbaar meegesleurd door de beweging.
Intussen zijn Chiara, Alítih, Nazhaar en Halci in een andere
onderaardse grot beland. Ze staan op een eilandje omringd door water, waarop
zes sarcofagen zijn opgesteld in een cirkel rond een slangenpoort. Het geruis
van een waterval klinkt en het duister wordt verbroken door een groen licht,
dat aan de overkant van het water twaalf gangen in de wanden van de grot laat
zien. Het is hen al snel duidelijk dat ze in de venomietmijn zijn beland.
Ze zijn nog maar amper tot die conclusie gekomen, of de
stilte wordt verbroken door een donderend geraas, en midden in een stortvloed
van stof, zien ze twee gestaltes uit een gat in het plafond in het water
plonzen.
Nu de groep weer verenigd is en iedereen nog in relatief
welzijn blijkt te verkeren, gaan ze gauw op onderzoek uit. Halci is dan wel
gered van een dood als offer, maar ze moeten de mijn nog wel uit raken. De
ringen die ze gebruikt hebben om te teleporteren, hebben hun magische aura
verloren – daar kunnen ze dus niks meer mee.
Alítihs oog wordt getrokken door groene runen op de grond
van het eiland. De tovenares begint ze te ontcijferen, maar Chiara heeft niet
het geduld te wachten tot ze daarmee klaar is. Ze springt het water in, dat
Varlock en Fáelán ook geen kwaad heeft gedaan, en gaat één van de tunnels
inspecteren. Eén daarvan moet toch naar de uitgang leiden, zo redeneert ze.
Terwijl Alítih mompelend over het eiland loopt, besluit
Varlock zijn expertise bij die van Chiara te gaan voegen. Hij heeft wel enig
inzicht in de constructie van mijnen en wijst haar erop dat sommige van de
gangen duidelijk ouder zijn dan de andere. Als er een gang naar de uitgang
leidt, dan moet het één van de oudste gangen zijn.
Intusen is Alítih tot de conclusie gekomen dat de runen iets
aan de slangenpoort op het eiland kunnen activeren. Ze legt haar kameraden het
probleem voor: er zal wel iéts gebeuren, maar ze weet niet honderd procent
zeker wat. Fáelán kan het alleen maar ontraden: rommelen met overblijfselen van
kwaadaardige sektes kan hij niet goedkeuren. Nazhaar ziet er echter niet zoveel
kwaad in. De ringen hebben hen ook goed geholpen.
Alítih doet een beroep op Halci’s wijsheid, maar de
kruidenvrouw blijkt erg aangeslagen door haar avontuur. De tovenares ziet dat
het hoog tijd wordt dat haar vriendin weer thuis raakt, en besluit de gok te
nemen. Ze spreekt de groen opgloeiende runen uit.
Een vlaag energie springt uit de poort naar buiten, recht op
Nazhaar af, die nieuwsgierig stond toe te kijken. Uit zijn mond komt ineens een
stem die niet de zijne is: “Ik zal missssschien eventjes meeliften,” klinkt het
tevreden.
Zijn makkers kijken verschrikt naar Nazhaar, die er al even
verbijsterd uitziet: in zijn hoofd voelt hij een andere aanwezigheid, die zich
daar comfortabel genesteld lijkt te hebben. De drakenman is niet zo makkelijk
van zijn stuk te brengen en informeert simpelweg krachtdadig met wie hij het
genoegen heeft. De stem verklaart in zijn hoofd dat hij de eer heeft Shiakantar
te vervoeren, een Yuan-Ti-prins.
Alítih schrikt wanneer Nazhaar dit met hen deelt: het kan
niets goeds voortbrengen om een wezen als dit in de wereld te brengen. Ze heeft
echter geen idee hoe ze de aanwezigheid uit Nazhaar kan verdrijven en moet zich
ertoe beperken te verklaren dat de poort hen geen weg naar buiten zal bieden.
Ze zwemmen dan maar naar Varlock en Chiara die op het punt
staan een kamer in te sluipen die ze in één van de gangen ontdekt hebben, waar
een kobold vis staat te verhakken.
Fáelán, die het allesbehalve eens kan zijn met de
methodieken van zijn kameraden, dringt zich naar voren om de leiding te nemen. Hij legt een zware hand
op de schouder van de kobold. “Ik ben gek op vis,” spreekt hij de kok toe in
diens taal.
Het wezen schrikt even op, maar gaat er dan vanuit dat hij
met vrienden van zijn meesteresse te maken heeft, immers “ook een gladhuid, net
als u.” Hij offreert hen een heerlijk maaltje vis en kwettert zenuwachtig dat
ze allemaal hun best aan het doen zijn om goed op schema te blijven voor de
meesteresse.
Fáelán probeert subtiel aan de weet te komen waar de uitgang
is, maar de kobold-kok schijnt maar niet in te zien waarom ze niet kunnen
terugkeren zoals ze gekomen zijn, immers de makkelijkste manier.
Uiteindelijk klinkt een hoge pijnkreet wanneer Nazhaars bijl
op de teen van de kobold valt, en de drakenman buldert: “Komt er nog wat van?”
De kobold zet het op een gillen. Noodgedwongen wordt hij
snel met represailles bedreigd als hij niet snel zijn mond dicht houdt en hen
de uitgang wijst. Varlock bindt hem stevig vast en maakt het touw vast rond
zijn middel, terwijl Fáelán en Nazhaar in de achtergrond ruziën over de vraag
of de bijl al dan niet per ongeluk viel en hoe groot de kans was dat Fáelán de
informatie op een vreedzame manier had kunnen bovenhalen.
Wanneer ze de gang uitkomen, zien ze echter dat ze de kok te
laat het zwijgen hebben opgelegd: twee koboldmijnwerkers komen met getrokken
houwelen op hen afgestormd, met in hun kielzog een reusachtige rat.
Fáelán trekt zijn zwaard, grommend over lompe drakenmannen,
en hakt één van de aanvallers met één klap de kop af, terwijl Alítih haar magie
op de rat richt.
Het strijdgewoel blijft niet onopgemerkt: uit een andere
gang horen ze nog meer koboldenstemmen en algauw krijgen ze nog een ploegje
mijnwerkers op hun nek. Ze slingeren hun houwelen naar Fáelán, die immers met bebloed
zwaard boven het lichaam van de dode mijnwerker staat.
Intussen moet Varlock zijn uiterste best doen om op de been
te blijven. De kobold-kok zet eerst zijn hakken in het zand, zodat de dwerg hem
moet meeslepen, en werpt zich dan tegen hem aan, zodat hij zijn evenwicht
verliest en zijn hamer onmogelijk kan hanteren. Uiteindelijk maakt hij het touw
los, waarop de kok zich echter onmiddellijk op Chiara stort, die samen met
Alítih de rat aan het beschieten was. De tovenares grijpt meteen in en haalt de
kok met een magische uitbarsting neer. Nazhaar hakt inmiddels de rat de kop af.
Steeds meer mijnwerkers komen toesnellen. Vlakbij Nazhaar is
de opening van een gang, en terwijl de rattenkop van zijn bijl wegvliegt, ziet
de drakenman dat er alweer nieuwe troepen komen toegesneld. Geïrriteerd haalt
hij diep adem en spuwt zijn zure drakenadem de gang in. De aanstormende
kobolden vallen levenloos neer, maar de rat is van steviger materiaal gemaakt,
die stort zich met zijn snijtanden op de drakenman.
Fáelán wordt inmiddels welhaast ingesloten door boze
mijnwerkers en hun rat. Varlock stormt erop af om zijn makker bij te staan en
mept met zijn hamer één van de aanvallers de lucht in. Fáelán worstelt met de
rat die hem lelijk bijt, maar samen met Varlock en geholpen door een paar
welgemikte pijlen van Chiara weet hij het beest uiteindelijk in de pan te hakken.
Alítih ziet intussen dat Nazhaar door een andere rat in het
nauw is gedreven en verandert zichzelf in een mist, om even later bij de
drakenman op te duiken, die nog net stand houdt in zijn eentje. Ze laat haar
magie los op het beest, dat zich even laat afleiden door de nieuwkomer. Nazhaar
maakt van de gelegenheid gebruik om een machtige klap met zijn bijl uit te
delen, en wanneer de rat zich naar hem keert, weet de tovenares het met een
stroom vuur te treffen. De drakenman aarzelt geen moment en hakt het verzengde
beest in twee.
De resterende kobolden kiezen het hazenpad, en ook een
overlevende rat probeert weg te zwemmen. Dat is buiten Chiara gerekend, wiens
pijlen het knaagdier inhalen. Varlock stormt eveneens toe, en slingert zijn
hamer met verpletterende kracht.
Eens de strijd geluwd is, doet Halci haar best om haar
redders bij te staan. Ze brengt een zwaar gewonde Fáelán weer op de been met
haar versterkende kruidenmengsels, terwijl Nazhaar iedereen moed inspreekt: die
miezerige kobolden zijn heus niet tegen hen opgewassen.
Het is echter wel duidelijk dat de groep aan het eind van
zijn krachten is. Ze zoeken een lege mijngang op en verschansen zich daar om
enige rust op te doen. Het groen oplichtende gesteente fascineert Alítih. De
tovenares is ervan overtuigd dat ze de giftige eigenschappen ten bate van de
groep moet kunnen inzetten. Terwijl de rest slaapt, brengt ze de nacht door met
een magische bezwering die de eigenschappen van het venomiet op Chiara’s boog moeten
overbrengen.
De volgende ochtend wordt iedereen verkwikt wakker, behalve
de vermoeide tovenares, wier pogingen helaas nog geen succes hebben opgeleverd.
Ze verzamelt echter een paar brokken venomiet voor later gebruik.
Wanneer ze hun kamer verlaten, horen ze luid geruzie van een
hoop kobolden, met als teneur “we moéten voort met het werk!”
Ze weten de kobolden te ontwijken, en sluipen de laatste
onverkende gang in. Die blijkt uit te lopen op een nieuw standbeeld van Zehir.
Fáelán weigert part noch deel te hebben aan alles dat met deze cultus te maken
heeft, waarop Chiara van de gelegenheid gebruik maakt om de edelstenen uit het –
immers niet te respecteren – beeld te peuteren.
Nazhaar vindt inmiddels uit dat het standbeeld kan draaien.
In zijn hoofd hoort hij zijn ongewenste passagier: ‘Ah, ideaal…” mompelen. Hij
besluit er maar op te vertrouwen dat zijn lifter ook naar buiten wil, en draait
het standbeeld. Er blijkt een poortje open te gaan waarachter een gang ligt.
De gang kronkelt richting een kamertje met drie gangen.
Wanneer Chiara haar gevoelige oren te luisteren legt, kan ze bepalen dat één
van de gangen naar de grote groep kobolden leidt. Uit een andere gang komt een
zurige geur die niet bepaald uitnodigend is.
Ze kiezen dus maar de derde gang, die hen naar een nieuwe
runencirkel brengt. Dit keer kan Alítih met zekerheid vaststellen dat het om
een teleportatiecirkel gaat. De groep verzamelt zich vlug rondom haar wanneer
ze de runen begint te declameren – niemand heeft zin om knusjes met de kobolds
achter te blijven.
Tot hun grote verrassing landen ze op een grasveldje dat hen
maar al te bekend is: ze zijn nabij een prieeltje terechtgekomen, achter het
landhuis van de Padraigs. Die moeten duidelijk dringend van een en ander op de hoogte gesteld worden.
Hun verslag zorgt voor heel wat gefrons
bij de burgemeester. Zijn eiland heeft niet alleen te lijden van orcs en verdwijningen,
maar nu ook nog van kwaadaardige culten, en er is ook nog een
teleportatiecirkel vlakbij zijn eigen huis?
Nazhaar voelt inmiddels in zijn hoofd een geïnteresseerd
gesis. De slangenprins heeft vastgesteld dat hij hier een individu voorheeft met
meer macht dan zijn huidige gastheer. Nazhaars hoofd voelt even merkwaardig
leeg wanneer de Yuan-Ti naar Padraig springt.
De burgemeester weet niet wat er gebeurt, en luistert ontzet
naar de verklaring van Nazhaar. De groep laat een ontredderde Padraig achter,
die druk zoekt naar de juiste maatregelen in dit soort omstandigheden.
Wanneer Halci veilig is thuisgebracht, begeven ze zich naar
de Morgenstond, waar edelvrouwe Serusa zich beminnelijk onder het gepeupel komt
mengen. Zodra ze hoort dat Chiara de eigenaresse van de herberg is, entert ze
de ranger om haar uit te horen over de geschiedenis van haar herberg en het
eiland. De halfelf is helemaal niet voorbereid op dit soort small talk en
ontsnapt maar al te graag wanneer een vermoeide Radam haar aandacht trekt.
Wanneer Chiara in de bezorgde ogen van haar mede-halfelf kijkt, wenst ze dat ze maar bij Serusa was gebleven. Hij vraagt hoopvol of ze al
een spoor van Sofaya heeft gevonden. Vol schuldgevoel gaat ze haar vrienden
verzamelen en overhaalt hen om meteen met haar mee op zoek te gaan naar Sofaya.
Met het magische kompas als richtingaanwijzer begeeft de
groep zich het bos in. Chiara gaat behoedzaam voorop – als Sofaya hier
verdwenen is, dan moeten zich hier zaken afspelen die niet pluis zijn.
Haar voorzichtigheid wordt beloond wanneer ze luide stemmen
hoort en de rook van een kampvuurtje opvangt. Ze laat de rest achter en sluipt
voorzichtig naderbij. Even later kan ze twee orcs afluisteren, die voor een
grot zitten te praten. Ze blijken hier te zijn om een bondgenootschap te
sluiten met ‘iemand’, die zich kennelijk bevindt in de grot, die door een
plantengordijn is afgesloten…
Geen opmerkingen:
Een reactie posten