maandag 7 maart 2016

Hoofdstuk 8

Chiara gaat de rest informeren en stelt voor even op de loer te blijven liggen zodat ze kunnen zien wat er gebeurt. Maar Faélán heeft het intussen helemaal gehad met alle kwaadwillende indringers op het eiland. Hij wil kort en goed met de orcs afrekenen. Nazhaar ziet dat de ridder klaar is om zich er halsoverkop in te storten en creëert snel een afleiding om de twee orcs uit elkaar te halen. Chiara slingert zich mopperend omhoog in een boom: van daaraf heeft ze een goed schotsveld, maar zit ze beschut.

Intussen stormt Fáelán al op de dichtstbijzijnde vijand af. De orc bekomt al snel van zijn verbazing en trekt zijn bijl. Alítih is Faélán gevolgd en laat haar magisch vuur op de orc los. Diens kameraad wil hem snel te hulp schieten, maar stuit op Varlock, die hem meteen met zijn hamer omverkegelt en daarna een mokerslag toedient. Chiara maakt van de gelegenheid gebruik om hen allebei een pijl in hun lijf te jagen. Het ziet ernaar uit dat dit klusje snel geklaard zal zijn.

Dan schuift de voorhang van de grot opzij en komen zes orcs het toneel op gerend. Fáelán stapt meteen onvervaard naar voren en daagt de leider schreeuwend uit. De hele groep stormt meteen op hem toe en Nazhaar ziet dat zijn makker dreigt omsingeld te raken. Hij schiet toe en spuwt zijn verterende drakenadem naar de groep orcs. Twee van hen worden deerlijk door het zuur toegetakeld en keren zich woedend naar de drakenman.

Fáelán heeft het inmiddels zwaar: de drie resterende orcs hebben zich om hem heen geschaard, terwijl hun leider hem aanvalt. De ridder houdt echter dapper stand tegenover de overmacht. Alítih schat de situatie in en laat haar meest indringende magie op de orcleider los: hij brult het uit terwijl zijn geest in een duistere nachtmerrie wordt gehuld. Zwart bloed spuwend valt hij op zijn knieën, om dan levensloos ter aarde te storten terwijl kronkelende ranken al door zijn lichaam heen spruiten.

De orcs reageren woedend op de dood van hun leider en twee van hen storten zich op Alítih. De tovenares deinst achteruit, maar krijgt een rake bijlklap te verduren. Fáelán jaagt zijn zwaard meteen door de aanvaller en brult de andere uitdagend toe. Alítih maakt intussen van de gelegenheid gebruik om zichzelf uit de gevaarzone te teleporteren.

Ze duikt weer op achter de brede schouders van Varlock, die net een orcenschedel in een nieuwe vorm hamert. Hij zet zich meteen schrap en stormt op een volgende tegenstander af, die hij met één welgemikte klap naar het dodenrijk stuurt om zijn broeder te gaan vergezellen. Daarna stelt hij zich weer beschermend voor Alítih op, zodat de tovenares ongestoord haar magie kan loslaten op de troep schuimbekkende orcs.

Chiara blijft intussen ook niet helemaal buiten schot. Eén van de orcs heeft in de gaten gekregen waar de als muskieten zoemende pijlen vandaan komen. Hij grijpt van zijn gordel een kleine handbijl en slingert die haar richting uit. De halfelf drukt zich dichter tegen de stam aan en probeert beschutting te vinden tussen het gebladerte, terwijl ze haar pijlen nu op haar aanvaller focust. Die duikt echter razendsnel weg en gooit dan een nieuwe bijl haar richting uit.

Nazhaar ziet in welk gevaar Chiara verkeert en overweegt een ogenblik om zijn eigen bijl naar de orc te slingeren. Hij beseft echter al snel dat hij dan helemaal zonder wapen zal achterblijven.

Intussen schreeuwt één van de orcs, die doorkrijgt dat ze er ondanks hun overmacht slecht voorstaan, om hulp naar de grot. 
Een indrukwekkende orc-sjamaan verschijnt. Hij begint meteen met een dreigende incantatie, en wanneer zijn bezwering effect krijgt, worden Alítih en Varlock door een onstoffelijke hamerklap geraakt. De tovenares kon nog net op tijd inschatten dat er destructieve energie komende was en zich gedeeltelijk uit het pad van de magie werpen, maar Varlock krijgt de volle lading. De dwerg lacht echter schamper om deze poging hem van zijn sokken te blazen en vangt de klap op zijn schild op, terwijl hij zelf stevig blijft staan. Meteen daarna stormt hij richting Fáelán, want hij ziet dat zijn makker in nood verkeert.

Fáelán wordt nog steeds omringd door orcs, en één van hen is zonet door een dwingende energie vervuld. Synchroon met een kleine beweging van de orc-sjamaan heft hij zijn arm en deelt Fáelán een verpletterende klap toe. De ridder wankelt, maar baardige hulp van korte gestalte is al ter plekke. Varlock deelt met zijn hamer een doodsklap uit, maar ziet dan een merkwaardige energie in de stervende orc vloeien. Terwijl hij levensloos ter aarde stort, worden zijn ledematen als door een marionettenspeler bewogen en weet hij Varlock alsnog een klap toe te dienen.

De sjamaan, die verantwoordelijk is voor deze onnatuurlijke handelingen, spoedt zich inmiddels naar Nazhaar. Inmiddels weet hij vanop afstand Fáelán nog een keiharde bijslag te geven. De ridder stort bewusteloos ter aarde. Varlock wil een charge uitvoeren op één van de orcs die Fáelán de genadeklap willen toedienen, maar struikelt over zijn gevallen vriend. Al doende heeft hij echter de aandacht weten af te leiden van de bewusteloze ridder. Ook Nazhaar trekt zich meteen terug richting Fáelán om hem de broodnodige verzorging te gaan toedienen.

Terwijl de twee Fáelán uit alle macht verdedigen, wordt Chiara getroffen door een handbijl die door de takken zoeft. Ze ziet echter tot haar triomf dat de orc nu met lege handen staat – zijn projectielen zijn op, maar die van haar nog lang niet. Ze schuift lichtvoetig weer naar voor op haar tak en spant haar boog, terwijl ze het strijdtoneel in ogenschouw neemt.

De orc-sjamaan rukt op richting de tovenares, en trekt zich niets aan van Fáelán, die, nog liggend en nauwelijks weer bij bewustzijn, met zijn zwaard naar hem uithaalt. Alítih probeert de sjamaan met haar magie af te leiden, maar faalt in eerste instantie. Intussen blijven de overlevende orcs Varlock en Nazhaar bestoken, terwijl die proberen Fáelán weer op de been te krijgen.

Chiara laat in een rap tempo haar pijlen richting de orcs zoeven. Terwijl Varlock met forse klappen twee schedels kraakt, weet ze de laatste recht door zijn oog te schieten.

Nazhaar brult een bemoedigende strijdkreet naar zijn makkers: alleen de orc-sjamaan staat nog overeind, ook die zullen ze nog wel weten klein te krijgen! Alítih vuurt een betovering op hem af, en verdwijnt dan wijselijk uit zijn gezichtsveld, terwijl Nazhaar hem met zijn bijl te lijf gaat. Onder de gecombineerde aanvallen van de drakenman en Chiara, blaast uiteindelijk ook de sjamaan zijn laatste adem uit.



Het is weer stil, en de groep hoort een opgeschrikte vogel wegfladderen. Iets is door dit korte, maar hevige gevecht gealarmeerd geraakt in het voorheen stille bos.

Het kompas wijst recht de grot in en Chiara gaat op onderzoek, hoopvol dat ze nu eindelijk Sofaya zal terugzien. In de grot treft de groep het reisgerei van de orcs en een kist met edelstenen, die ze kennelijk hadden meegenomen om hun zo vurig gewenste bondgenootschap te sluiten.

Fáelán ruikt meteen onraad. De grot ziet er té goed onderhouden uit om een natuurlijke uitsparing te zijn. Huist hier misschien een draak?

Chiara gaat behoedzaam verder. De kist met edelstenen dragen ze mee, in de hoop een boze draak te kunnen kalmeren – misschien kunnen ze die gebruiken om te onderhandelen over het leven van Sofaya?

Een onverwacht geluid klinkt echter op. Luide snikken klinken op, vanachter een blokkade waarop in het Orcs een inscriptie te lezen is: “Laat mij met rust!”

Chiara wendt haar kennis van het Orcs aan om voorzichtig te vragen of ze soms hulp kan bieden. De stem weigert in aanvang elke interactie, maar wanneer duidelijk wordt dat de groep niet uit orcs bestaat en Chiara zachtzinnig maar volhardend doorgaat met vragen, komt uiteindelijk een grote, droevige reus tevoorschijn. Hij wijst hulpeloos naar een stenen oppervlak, waarop het levenloze lichaam van Sofaya ligt.

Onder ellendig gesnik vertelt Glief, de reus, dat Sofaya gewond bij hem binnen kwam gerend. Hij deed zijn best haar te verzorgen, maar ze werd steeds stiller en kouder… Uiteindelijk wikkelde hij haar in zijn magische mantel en legde haar zo goed mogelijk neer, in de hoop dat er ooit iemand zou opdagen om zich over haar te ontfermen.

Chiara en Nazhaar onderzoeken het lichaam van Sofaya en zien dat Glief de waarheid spreekt: ze vertoont geen enkele wond die door de reus zou kunnen zijn toegebracht, enkel de diepe rijtwonden van de klauwen van de havik. Het gif dat daarop was aangebracht is Sofaya duidelijk fataal geworden.

Een diep bedroefde Glief – die Fáelán thuisbrengt als degene die verantwoordelijk moet zijn voor de verhalen rondom de spookreus – draagt Sofaya’s lichaam voor hen tot de rand van zijn domein. Daarna dragen ze zelf hun droeve last mee verder. Het ontnuchterende besef dat ze Halci weliswaar gered hebben, maar voor Sofaya te laat waren, weegt zwaarder dan het tengere lichaam.

Bij Waterzooi treffen ze een pallisade die is opgeworpen onder bevel van een duidelijk verwarde Gerben Padraig. De burgemeester worstelt met de inwijkeling in zijn hoofd, maar is opgelucht te horen dat alvast met de orcs is afgerekend.

Dan rest hen alleen nog de trieste taak om Radam op de hoogte te brengen, en te zorgen voor een waardige crematie van Sofaya. Terwijl haar as wordt teruggegeven aan de zee waar ze zo van hield, spreekt Fáelán een eerbetoon uit aan de zeegodin die zich over haar kinderen ontfermt.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten