Chiara gaat de rest informeren en stelt voor even op de loer
te blijven liggen zodat ze kunnen zien wat er gebeurt. Maar Faélán heeft het
intussen helemaal gehad met alle kwaadwillende indringers op het eiland. Hij wil
kort en goed met de orcs afrekenen. Nazhaar ziet dat de ridder klaar is om zich
er halsoverkop in te storten en creëert snel een afleiding om de twee orcs uit
elkaar te halen. Chiara slingert zich mopperend omhoog in een boom:
van daaraf heeft ze een goed schotsveld, maar zit ze beschut.
Intussen stormt Fáelán al op de dichtstbijzijnde vijand af. De orc bekomt al snel van zijn verbazing en trekt zijn bijl. Alítih is Faélán
gevolgd en laat haar magisch vuur op de orc los. Diens kameraad wil hem snel te
hulp schieten, maar stuit op Varlock, die hem meteen met zijn hamer omverkegelt
en daarna een mokerslag toedient. Chiara maakt van de gelegenheid gebruik om
hen allebei een pijl in hun lijf te jagen. Het ziet ernaar uit dat dit klusje
snel geklaard zal zijn.
Dan schuift de voorhang van de grot opzij en komen zes orcs
het toneel op gerend. Fáelán stapt meteen onvervaard naar voren en daagt de leider schreeuwend uit. De hele groep stormt meteen op hem toe en Nazhaar ziet dat zijn
makker dreigt omsingeld te raken. Hij schiet toe en spuwt zijn verterende
drakenadem naar de groep orcs. Twee van hen worden deerlijk door het zuur
toegetakeld en keren zich woedend naar de drakenman.
Fáelán heeft het inmiddels zwaar: de drie resterende orcs
hebben zich om hem heen geschaard, terwijl hun leider hem aanvalt. De ridder
houdt echter dapper stand tegenover de overmacht. Alítih schat de situatie in
en laat haar meest indringende magie op de orcleider los: hij brult het uit
terwijl zijn geest in een duistere nachtmerrie wordt gehuld. Zwart bloed
spuwend valt hij op zijn knieën, om dan levensloos ter aarde te storten terwijl
kronkelende ranken al door zijn lichaam heen spruiten.
De orcs reageren woedend op de dood van hun leider en twee van hen storten zich op
Alítih. De tovenares deinst achteruit, maar krijgt een rake bijlklap te
verduren. Fáelán jaagt zijn zwaard meteen door de aanvaller en brult de andere
uitdagend toe. Alítih maakt intussen van de gelegenheid gebruik om zichzelf uit
de gevaarzone te teleporteren.
Ze duikt weer op achter de brede schouders van Varlock, die
net een orcenschedel in een nieuwe vorm hamert. Hij zet zich meteen schrap en stormt op een
volgende tegenstander af, die hij met één welgemikte klap naar het dodenrijk
stuurt om zijn broeder te gaan vergezellen. Daarna stelt hij zich weer
beschermend voor Alítih op, zodat de tovenares ongestoord haar magie kan
loslaten op de troep schuimbekkende orcs.
Chiara blijft intussen ook niet helemaal buiten schot. Eén
van de orcs heeft in de gaten gekregen waar de als muskieten zoemende pijlen
vandaan komen. Hij grijpt van zijn gordel een kleine handbijl en slingert die
haar richting uit. De halfelf drukt zich dichter tegen de stam aan en probeert
beschutting te vinden tussen het gebladerte, terwijl ze haar pijlen nu op haar
aanvaller focust. Die duikt echter razendsnel weg en gooit dan een nieuwe bijl haar
richting uit.
Nazhaar ziet in welk gevaar Chiara verkeert en overweegt een
ogenblik om zijn eigen bijl naar de orc te slingeren. Hij beseft echter al snel
dat hij dan helemaal zonder wapen zal achterblijven.
Intussen schreeuwt één van de orcs, die doorkrijgt dat ze er
ondanks hun overmacht slecht voorstaan, om hulp naar de grot.
Een indrukwekkende orc-sjamaan verschijnt. Hij begint meteen met een dreigende incantatie, en wanneer zijn bezwering effect krijgt, worden Alítih en Varlock door een onstoffelijke hamerklap geraakt. De tovenares kon nog net op tijd inschatten dat er destructieve energie komende was en zich gedeeltelijk uit het pad van de magie werpen, maar Varlock krijgt de volle lading. De dwerg lacht echter schamper om deze poging hem van zijn sokken te blazen en vangt de klap op zijn schild op, terwijl hij zelf stevig blijft staan. Meteen daarna stormt hij richting Fáelán, want hij ziet dat zijn makker in nood verkeert.
Een indrukwekkende orc-sjamaan verschijnt. Hij begint meteen met een dreigende incantatie, en wanneer zijn bezwering effect krijgt, worden Alítih en Varlock door een onstoffelijke hamerklap geraakt. De tovenares kon nog net op tijd inschatten dat er destructieve energie komende was en zich gedeeltelijk uit het pad van de magie werpen, maar Varlock krijgt de volle lading. De dwerg lacht echter schamper om deze poging hem van zijn sokken te blazen en vangt de klap op zijn schild op, terwijl hij zelf stevig blijft staan. Meteen daarna stormt hij richting Fáelán, want hij ziet dat zijn makker in nood verkeert.
Fáelán wordt nog steeds omringd door orcs, en één van hen is
zonet door een dwingende energie vervuld. Synchroon met een kleine beweging van
de orc-sjamaan heft hij zijn arm en deelt Fáelán een verpletterende klap toe.
De ridder wankelt, maar baardige hulp van korte gestalte is al ter plekke.
Varlock deelt met zijn hamer een doodsklap uit, maar ziet dan een merkwaardige energie in de stervende orc vloeien. Terwijl hij levensloos ter aarde stort,
worden zijn ledematen als door een marionettenspeler bewogen en weet hij
Varlock alsnog een klap toe te dienen.
De sjamaan, die verantwoordelijk is voor deze onnatuurlijke
handelingen, spoedt zich inmiddels naar Nazhaar. Inmiddels weet hij vanop
afstand Fáelán nog een keiharde bijslag te geven. De ridder stort bewusteloos
ter aarde. Varlock wil een charge uitvoeren op één van de orcs die Fáelán de
genadeklap willen toedienen, maar struikelt over zijn gevallen vriend. Al
doende heeft hij echter de aandacht weten af te leiden van de bewusteloze
ridder. Ook Nazhaar trekt zich meteen terug richting Fáelán om hem de
broodnodige verzorging te gaan toedienen.
Terwijl de twee Fáelán uit alle macht verdedigen, wordt
Chiara getroffen door een handbijl die door de takken zoeft. Ze ziet echter tot
haar triomf dat de orc nu met lege handen staat – zijn projectielen zijn op,
maar die van haar nog lang niet. Ze schuift lichtvoetig weer naar voor op haar tak en spant haar
boog, terwijl ze het strijdtoneel in ogenschouw neemt.
De orc-sjamaan rukt op richting de tovenares, en trekt zich
niets aan van Fáelán, die, nog liggend en nauwelijks weer bij bewustzijn, met
zijn zwaard naar hem uithaalt. Alítih probeert de sjamaan met haar magie af te
leiden, maar faalt in eerste instantie. Intussen blijven de overlevende orcs
Varlock en Nazhaar bestoken, terwijl die proberen Fáelán weer op de been te
krijgen.
Chiara laat in een rap tempo haar pijlen richting de orcs
zoeven. Terwijl Varlock met forse klappen twee schedels kraakt, weet ze de
laatste recht door zijn oog te schieten.
Nazhaar brult een bemoedigende strijdkreet naar zijn makkers:
alleen de orc-sjamaan staat nog overeind, ook die zullen ze nog wel weten klein
te krijgen! Alítih vuurt een betovering op hem af, en verdwijnt dan wijselijk
uit zijn gezichtsveld, terwijl Nazhaar hem met zijn bijl te lijf gaat. Onder de
gecombineerde aanvallen van de drakenman en Chiara, blaast uiteindelijk ook de
sjamaan zijn laatste adem uit.
Het is weer stil, en de groep hoort een opgeschrikte vogel
wegfladderen. Iets is door dit korte, maar hevige gevecht gealarmeerd geraakt
in het voorheen stille bos.
Het kompas wijst recht de grot in en Chiara gaat op
onderzoek, hoopvol dat ze nu eindelijk Sofaya zal terugzien. In de grot treft
de groep het reisgerei van de orcs en een kist met edelstenen, die ze kennelijk
hadden meegenomen om hun zo vurig gewenste bondgenootschap te sluiten.
Fáelán ruikt meteen onraad. De grot ziet er té goed onderhouden
uit om een natuurlijke uitsparing te zijn. Huist hier misschien een draak?
Chiara gaat behoedzaam verder. De kist met edelstenen dragen
ze mee, in de hoop een boze draak te kunnen kalmeren – misschien kunnen ze die
gebruiken om te onderhandelen over het leven van Sofaya?
Een onverwacht geluid klinkt echter op. Luide snikken
klinken op, vanachter een blokkade waarop in het Orcs een inscriptie te lezen
is: “Laat mij met rust!”
Chiara wendt haar kennis van het Orcs aan om voorzichtig te
vragen of ze soms hulp kan bieden. De stem weigert in aanvang elke interactie,
maar wanneer duidelijk wordt dat de groep niet uit orcs bestaat en Chiara
zachtzinnig maar volhardend doorgaat met vragen, komt uiteindelijk een grote,
droevige reus tevoorschijn. Hij wijst hulpeloos naar een stenen oppervlak,
waarop het levenloze lichaam van Sofaya ligt.
Onder ellendig gesnik vertelt Glief, de reus, dat Sofaya
gewond bij hem binnen kwam gerend. Hij deed zijn best haar te verzorgen, maar
ze werd steeds stiller en kouder… Uiteindelijk wikkelde hij haar in zijn magische mantel
en legde haar zo goed mogelijk neer, in de hoop dat er ooit iemand zou opdagen
om zich over haar te ontfermen.
Chiara en Nazhaar onderzoeken het lichaam van Sofaya en zien
dat Glief de waarheid spreekt: ze vertoont geen enkele wond die door de reus
zou kunnen zijn toegebracht, enkel de diepe rijtwonden van de klauwen van de
havik. Het gif dat daarop was aangebracht is Sofaya duidelijk fataal geworden.
Een diep bedroefde Glief – die Fáelán thuisbrengt als degene
die verantwoordelijk moet zijn voor de verhalen rondom de spookreus – draagt Sofaya’s
lichaam voor hen tot de rand van zijn domein. Daarna dragen ze zelf hun droeve
last mee verder. Het ontnuchterende besef dat ze Halci weliswaar gered hebben,
maar voor Sofaya te laat waren, weegt zwaarder dan het tengere lichaam.
Bij Waterzooi treffen ze een pallisade die is opgeworpen
onder bevel van een duidelijk verwarde Gerben Padraig. De burgemeester worstelt
met de inwijkeling in zijn hoofd, maar is opgelucht te horen dat alvast met de
orcs is afgerekend.
Dan rest hen alleen nog de trieste taak om Radam op de
hoogte te brengen, en te zorgen voor een waardige crematie van Sofaya. Terwijl
haar as wordt teruggegeven aan de zee waar ze zo van hield, spreekt Fáelán een eerbetoon
uit aan de zeegodin die zich over haar kinderen ontfermt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten