zaterdag 7 juli 2018

Hoofdstuk 45

Nadhar ligt bewusteloos en ijskoud op de grond. Chiara springt meteen op het voetstuk van een standbeeld, en gebruikt het als dekking om haar eigen pijlen richting de aanvallers te laten vliegen.
Ook de rest van de groep, die zich bij haar voegt, probeert zich te weer te stellen tegen de gnoompygmeeën. Varlock slaagt erin om Nadhar bij te brengen, maar die wordt meteen opnieuw getroffen. Hij weet echter nog net Chiara te smeken om haar zielenvuur. Wanneer ook Alítih getroffen wordt en als een koud hoopje ellende op de bosvloer belandt, weet Chiara dat ze iéts moet doen. Ze concentreert zich op de aanwezigheid van Omayenko, en weet haar drakengeleidegeest zo te kanaliseren dat ze het vuur beheerst kan doorgeven en de kille bewusteloosheid verdrijven.

Nadhar slingert bliksems in het rond, Varlock maait pygmeeën neer met zijn bijl, en Chiara laat haar pijlen vliegen. Er lijken echter steeds meer gnomen uit bomen en struikgewas op te duiken, en hun pijltjes zoemen als muskieten.

Nazhaar kiest uitgerekend dit moment om te gaan inspecteren wat de cultisten hebben opgegraven. Hij ziet een vreemd, bijna gemummificeerd wezen, zonder duidelijke gelaatstrekken, en herinnert zich griezelige verhalen over döppelgangers, die elke vorm kunnen aannemen. Een telepathisch bevel uit het midden van de groep draagt de ogres op om zich niets van de pijlen aan te trekken, en hun buit onmiddellijk naar het strand te brengen. Nu weet Nazhaar het zeker: dat ding moet hij hebben.
Hij volgt de groep ogres op de voet, maar wordt opgemerkt door Tolvuul, de telepatische leider van de groep. Nazhaar weet hem er echter van te overtuigen dat hij met hem wil meewerken. Die gaat daar prompt op in met de opdracht Chiara te grijpen en naar hem toe te brengen.

Ook Nadhar doet zijn best om Chiara mee te krijgen, maar die ziet dit niet bepaald als het moment om haar vrienden in de steek te laten, en ze verzet zich verontwaardigd.
Tolvuul komt zich erin mengen, en dreigt haar op een andere manier te overhalen. Vanonder zijn kap komen dreigende tentakels die zich uitstrekken naar haar rosse krullen. Ze tast meteen naar haar zwaard, en verdedigt haar keuzevrijheid woedend.
Nazhaar maakt gebruik van de afleiding om zich tussen de ogres te mengen, en weet op de een of andere mysterieuze manier de vorm van hun leider Tolvuul aan te nemen. Hij weet de ogres lang genoeg om de tuin te leiden om hen de kist aan boord van de Tao te laten brengen.
Nadhar verklaart inmiddels dat Chiara hem geen keuze laat, en maakt zich op om haar met bliksemende kettingen aan te vallen. Chiara, ontsteld maar niet verslagen, beantwoordt dat meteen met het vuur van haar zwaard. Tolvuul wordt bestookt door Varlock en de gnomen, en besluit uiteindelijk dat dit geen zin heeft. ‘Deze missie is mislukt’, verklaart hij kortaf, en geeft het sein tot terugtrekken.
Chiara, die Nadhar ernstig heeft weten te verwonden, blijft hijgend en verward achter, wanneer Nadhar zich in de lucht verheft op zijn stormkracht. Hij werpt nog een spijtige blik op haar – ‘het had zo anders kunnen zijn’ – en verdwijnt snel als de bliksem in de verte…

Hoofdstuk 44

Turnwell, de herbergier die de Morgenstond voor Chiara drijft, benadert haar op een avond. Hij heeft de geheime hut van kapitein Erano Stern gezien, en heeft het gevoel dat het raadsel daar verlangt naar oplossing door haar. Chiara neemt hem aandachtig op. Hij weet wat de oplossing is! Of niet soms? Dan moet hij het haar vertellen! Turnwell glimlacht alleen geheimzinnig, en herhaalt dat het raadsel door haar wil opgelost worden.
Pruttelend daalt Chiara af naar de hut, maar ze zit alleen maar eindeloos te staren naar de spreuk op de wand. ‘Waar de – vaart zal de hoop herleven.’ Wat moét ze daarmee? Chiara is niet iemand die bij de pakken blijft neerzitten, dus ze gaat eerst Turnwell nog eens op de rooster leggen, en wanneer die geen krimp geeft, sleurt ze Alítih uit de schemersmidse, en sleept de tovenares mee naar de geheime hut.
Alítih kan er al evenmin iets van maken, maar ze krijgt wel het gevoel dat dit raadsel nogal lijkt op hetgeen Nazhaar kreeg voorgelegd. Ze moedigt Chiara aan om nog eens in de logboeken van Erano Stern te duiken, en jawel, daar treft Chiara een soortgelijke zin: ‘Ze moet een naam hebben.’ Zou de spreuk op de wand letterlijk bedoeld zijn? Kan ze van de herberg weer een schip maken, als ze die een nieuwe naam geeft?
En wil ze dat eigenlijk wel?, wil Alítih nog vragen – maar het is al te laat. Chiara denkt met enige weemoed terug aan Sofaya en Radam, de twee halfelfen die ooit met haar naar dit eiland komen, en verklaart plechtig: ‘Ik doop u… de Sofara!’
Magie stroomt wervelend rond in de kamer… blaast door de letters van de spreuk op de wand en herschikt ze: ‘Waar de Sofara vaart, krijgen de halfelfen hoop’.
Buiten de hut klinken verbaasde schreeuwen – alleen Turnwell kijkt kalmpjes toe, en weet zijn evenwicht soepel te bewaren, wanneer de herberg zich krakend omvormt, en zich naar de zee uitstrekt. Niet veel later ligt een snel, slank schip in de haven, zij het dat de uitbouwen van de herberg haar vorm nog enigszins aan het oog onttrekken. Maar dat, oordeelt Turnwell, kan makkelijk verholpen worden.
Chiara is opgetogen, en geeft Turnwell de opdracht om met die werken te beginnen. Tegen de tijd dat ze terugkeert van de hoofdstad zal ze een elegante drijvende herberg hebben!


Het is inmiddels tijd om de reis naar de hoofdstad aan te vatten. Padraig begeeft zich met knallende hoofdpijn, en de hoop dat hij daar eindelijk van de slangenprins in zijn hoofd verlost zal worden, aan boord van zijn schip. De avonturiers schepen zich inmiddels in op de Tao, die Nazhaar onder geen beding wil achterlaten.
In eerste instantie verloopt de reis voorspoedig, maar dan belanden ze in een onnatuurlijke mist. Ternauwernood weten ze een aanvaring te vermijden met het vlammende vlaggenschip van Molatusalem, een van de piraten-zeekoningen. Ze zijn verplicht om het schip van Padraig te evacueren en achter te laten. Nog ernstiger: ook hun watervoorraad is eraan.
Er zit niets anders op dan een tussenstop te maken bij een van de naburige eilanden om water in te slaan. Ze zetten koers naar Sofatonis, een groen eiland dat vrijwel onbewoond zou moeten zijn, op enkele pygmeegnomenstammen na.

Wanneer ze daar aankomen, zien ze dat ze niet de enige zijn met roetsporen: een schip met zwartgeblakerde zeilen ligt al voor anker. Chiara’s scherpe ogen merken iets merkwaardigs op: het grootste deel van de bemanning is hard aan het werk met reparaties, maar er is een opvallende figuur die anders lijkt dan de rest. Wanneer tot haar doordringt wat het is, kan ze haar opwinding nauwelijks onderdrukken: het is een halfelf die daar staat…! Nazhaar heeft geen oren naar deze openbaring en besluit veiligheidshalve wat verderop aan te leggen. 

Terwijl enige matrozen op zoek gaan naar water, wil Chiara met alle geweld naar het kamp van het andere schip. Deze gelegenheid om meer te weten te komen over haar soortgenoten is te mooi! Alítih en Berlinden besluiten haar dan in vredesnaam maar te vergezellen.
Ze zijn amper een uurtje weg, als Varlock en Nazhaar verrast worden door een reusachtige knal aan de hemel. Een bliksemschicht uit de hemel treft de mast van de Tao en vernietigt die finaal. Naast de splinters landt lichtvoetig een halfelf, die zijn golvende haar uit zijn gezicht gooit, en koeltjes informeert naar de roodharige halfelf die hij eerder op het schip zag. Nazhaar wil deze schipvernielende aansteller zo snel mogelijk weg, en vertelt hem dus meteen dat hij beter bij zijn kamp was gebleven, als het Chiara was die hij zocht.
Chiara heeft inmiddels de aandacht van enige ogre-wachters getrokken, maar wordt zwierig gered door de halfelf, die zijn bliksemende entree herhaalt. Hij stelt zich voor als Nadhar en kijkt haar intens aan, voor hij verklaart dat zij gelijken zijn: ook in haar is een kracht ontwaakt, net zoals Beaufort in hem ontwaakt is.
Chiara is compleet overweldigd door deze knappe halfelf, die ook nog eens precies begrijpt hoe het is om je wezen te delen met een drakengeest. Ze drinkt zijn verhalen in over méér halfelfen, die echter niet allemaal, vertelt hij, zo in harmonie zijn met hun krachten als zij twee. Net daarom is het belangrijk dat zij zich bij hem aansluit.
Ze kijkt aarzelend om zich heen. Hij heeft haar naar een open plek geleid, waar gekapte cultisten bezig zijn met het opgraven van een grote sarcofaag. Ze beseft tot haar afgrijzen dat ze in gezelschap is van de Shan Cabal, en confronteert Nadhar hiermee. Hij sust haar, en wijst haar erop dat de Shan Cabal nu eenmaal de kennis heeft om hen te begeleiden, richting te geven, hun gaven te ontwikkelen… het is toch mooi om daar een doel voor te hebben?
De rest van de groep ziet het met lede ogen aan. En wat is dat voor een sarcofaag die daar wordt opgegraven en weggedragen?
Een antwoord daarop krijgen ze niet, want iedereen wordt verrast door een regen van kleine pijltjes uit het struikgewas. Nadhar grijpt naar zijn nek en bezwijmt elegant aan Chiara’s voeten.

Hoofdstuk 43

De zwarte middernachtshemel hangt boven de ‘Jalan Vashir II’. Op het schip heerst een gespannen sfeer.
Nazhaar ijsbeert in zijn hut, en voelt dat de tijd begint te dringen. Als hij nu geen knoop doorhakt, wordt de keuze hem ontnomen. Varlock wordt intussen terzijde genomen door een aantal dwergen die hem nog een ander alternatief laten zien: verborgen in hun gedeelte van het schip prijkt een dreigend uitziende gestalte van metaal. Ze vertellen hem ernstig dat dit bedoeld was als noodplan, mocht er hem iets overkomen, maar als hij dat wil, kunnen ze dit nieuwe lichaam ook aan de kapitein bieden. Alítih en Berlinden overwegen of ze een van de Grauwe Zaden moeten inzetten, mét of zonder Nazhaars medewerking – als ze wachten tot Tao Feng Nazhaar volledig overneemt, is het te laat.
Het is Chiara die de stilte doorbreekt. Haar eigen drakengeleidegeest waarschuwt haar: Tao Feng is zich terug naar de werkelijkheid aan het klauwen, en bevindt zich op dit eigenste moment op hetzelfde bestaansniveau als Omayenko zelf. Ze rept zich naar de hut van Nazhaar, maar wordt daar begroet door een ijzig kalme kapitein, die het levensloze lichaam van zijn broer over zijn schouder draagt. Hij beent naar de boeg en kiepert Nozark overboord. Tot haar verbijstering ziet Chiara dat Nazhaar zijn gekleurde schubben kwijt is. Hij vertelt haar dat Nozark erin heeft toegestemd die over te nemen, maar dat hij dat proces niet heeft overleefd.
Varlock en Berlinden wachten de uitleg niet af – Nazhaar is misschien zijn verstand al kwijt, weggebrand door de ondode geest van Tao Feng – en springen overboord. Ze vinden in het water echter alleen een verterend lichaam, dat nog amper substantie heeft. Berlinden heeft het zaad van Grauwe Oogst nog steeds in zijn hand, en perst het in de mond van het lichaam.
Een ogenblik later zien Chiara en Alítih Tao Feng bovenkomen, maar de draak leeft niet meer werkelijk – reusachtig, verstijfd halverwege een beweging, stort het beest neer, en spietst zichzelf op de boeg vast.


Varlock klimt even later aan boord, en brengt de huls van wat ooit Nozark was mee: lege huid, met vijf gekleurde schubben. Bij dit lugubere aanzicht duurt het even voor tot iedereen doordringt dat van Berlinden geen spoor is… tot ze zijn zwarte mantel op het water ziet drijven, nog even wiegend op het ritme van de golven. Dan stijgt een vlucht raven op, en laat stukjes en beetjes onbezield wrakhout achter.
Tot hun ontsteltenis begrijpt de groep wat er is gebeurd: met het verdwijnen van Tao Feng, de laatste naam die op zijn borst gekerfd stond, is ook Berlinden zelf verdwenen.
De raven zetten koers richting Waterzooi. Het lijkt niet veel goeds te voorspellen, daar moeten ze achteraan! Nazhaar – die geen commentaar meer wil over wat er met zijn broer is gebeurd – organiseert alle manschappen op het schip om het weer vaarklaar te maken. De kop van Tao Feng wordt als nieuw boegbeeld behouden, en de ‘Tao’ koerst naar Waterzooi.


Daar wacht hen een omineus beeld. De schemersmidse, nog steeds het donkere middelpunt van de brug tussen de drie eilanden, wordt bekroond door een duistere figuur. Aan zijn schouders wappert de gevederde mantel die Berlinden droeg… Somber beschouwt hij de groep een poosje, dan daalt hij met een machtige sprong af en landt voor hen. Nazhaar stapt uitdagend naar voren, zijn bijl geheven, maar de rest houdt hem tegen. In het bleke gezicht van deze onbekende menen ze vaag iemand te herkennen: de eerste drager van de ravenmantel.
Kan dit werkelijk Fáelán zijn, de jonge ridder die verdween door de manipulaties van Kara’Vakasta?
Hun vreugde om het weerzien wordt getemperd door enige behoedzaamheid, maar wanneer hij elk van de leden van de groep aanspreekt op hun meest gewaardeerde en slechtste kwaliteiten, beseffen ze al snel dat dit werkelijk Fáelán is… al klinkt zijn stem rauwer, en liggen er nu extra jaren op zijn gezicht.


De daaropvolgende dagen trekken de groepsleden zich op zichzelf terug. De voorbije tijd hebben ze allemaal merkwaardige ervaringen gehad, die een plekje moeten krijgen.
Chiara zoekt naar evenwicht. In eerste instantie zet ze de ontdekking van Omayenko – de drakengeest in haar binnenste – uit haar hoofd, en ze concentreert zich op haar erfenis, de herberg. Daar zijn steeds meer elfen aan de slag. De ranger stelt een paar kritische vragen, maar de Morgenstond blijkt te bloeien als nooit tevoren, dus ze blijft tevredengesteld achter. Tevreden én een tikkeltje onrustig, want het raadsel van haar afkomst, steekt nu weer de kop op. Ze verdiept zich in de logboeken van Erano Stern, en peinst over het tweede schip dat ooit halfelfen wegvoerde: wat is er gebeurd met De Storm?
Nazhaar zwerft rond in de haven. Op het oog lijkt hij niet aangedaan door het verlies van zijn broer, maar in stilte bevestigt hij de vijf schubben, het enige wat er van hem is overgebleven, op de boeg van de Tao. Daarna concentreert hij zich op het ronselen van andere schepen. Hij wil een vloot samenstellen die hem waardig is. Het gaat langzaam, maar de vervaarlijke kapitein heeft in bepaalde kringen al wel respect verworven. Zijn crew brult in de plaatselijke kroegen liederen over Kapitein Bloedvoet en zijn nietsontziende bijl, en heft het glas telkens als ze een van zijn daden ophalen. Een menselijk bootje en een dwergenonderzeeër stemmen toe om vanaf nu onder zijn vlag te varen.
Varlock lanceert inmiddels een oproep voor alle dwergen die naar Irindol zijn gestroomd. Als ze zich bij hem aansluiten, dan wacht hen het eeuwig leven… Hij verdiept zich ook in de warforged die nog steeds immobiel in de smidse wachten. Als hij die eens leven kon inblazen en beheersen, dan zou hij een formidabel leger tot zijn beschikking hebben. Maar welke magie kan daarvoor zorgen? De prins der dwergen gaat een ernstig gesprek voeren met de tovenares die hij inmiddels is gaan vertrouwen.
Hij treft Alítih in de schemersmidse. Ze dwaalt enigszins somber door de vertrekken. Met het verdwijnen van Berlinden heeft haar plan om de wilden te laten herleven, en hen triomfantelijk terug te brengen naar de feywild, een behoorlijke klap gekregen. Zal ze ooit de grootse daad weten te verrichten die haar in staat zal stellen om terug te keren naar huis? Wanneer ze Varlocks ambities aanhoort, kan het haar aanvankelijk weinig boeien. Varlock geeft het echter niet zomaar op, en hoe langer de dwergenprins gloedvol spreekt over het rijk dat hij wil stichten, de grootsheid van de dwergen die hij wil herstellen, hoe meer haar belangstelling wordt geprikkeld. Ligt hier misschien een nieuwe weg voor haar? Ze belooft hem op onderzoek te gaan, en voegt meteen de daad bij het woord. In een van de boeken die in de schemersmidse zijn achtergebleven vindt ze inderdaad een aanwijzing over de besturing van de warforged: er is sprake van vijf kronen, waarvan er één in de smidse zelf zou moeten rusten…
Fáelán probeert inmiddels zijn ziel tot rust te brengen, die door twee godinnen wordt beroerd. Hij trekt zich terug, en probeert, verzonken in meditatie, zowel Melora als de Ravenkoningin te bewegen om hem zinvolle leiding te geven. Zijn leven is hem teruggegeven – maar met welk doel? De wraakzucht die hem ooit voortdreef, lijkt aan kracht te hebben ingeboet. Dit tweede leven dat hem is vergund moet echter toch een betekenis hebben…?