De groep rept zich zo snel ze kunnen naar de Nexus. De kamer
heeft een verandering ondergaan: de lijken die er lagen, zijn vergaan.
Met de drie sleutels in handen, en de drie spreuken, weet de
groep uit te puzzelen welke sleutel op welk sleutelgat past. Een
teleportatiecirkel verschijnt. Alítih weet de werking ervan te doorgronden en
wenkt de groep.
Voor ze vertrekken, biedt Vyrellis hen voor de laatste keer
haar hulp: ze kan hen helpen om haar zus ongemerkt te besluipen… maar dat zal
ook betekenen dat ze elkaar niet zullen kunnen zien. Na een korte aarzeling
aanvaardt de groep haar aanbod, en stapt de cirkel in.
En de helden stappen… en vallen… recht in een visioen. De beelden
die hen omringen fluisteren van bestemming, van betekenis. Nazhaar reikt naar zijn verloren broer, Chiara bedwingt de vijanden van
de halfelfen, Alítih beheerst de destructieve kant van haar magie, Berlinden
laat de wilden herleven, en Varlock vindt zijn kracht als heerser.
Dan neemt de schemersmidse de werkelijkheid weer over. Hun
groepsgenoten zien ze niet meer, maar elk voor zich, gaan ze op verkenning… en
op zoek naar hun bestemming.
Veel later zal Chiara vertellen over het moment dat ze de
kamer binnenstapte waarin ze een bloedrood tapijt aantrof. Een tapijt dat ze
herkende, uit haar visioen. En hoe ze voelde dat ze maar een ding kon doen: het
tapijt opstappen, zich overgeven aan het vuur dat eruit ontsproot, en het proberen
te omhelzen.
Nazhaar zal zwijgen over het moment dat hij Chiara zag
zitten, verzwolgen door vlammen, en achteruitdeinsde. Over het moment dat hij
de schilderijen aan de muren ontdekte, waaruit Kara’Vakasta hem van alle kanten
toeglimlachte, en hij die vastberaden een na een van de muren sleurde en aan
stukken begon te gooien.
Varlock zal kijken naar zijn nieuwe weerspiegeling en zich
het moment herinneren dat hij de pantserhandschoen vond… er onweerstaanbaar toe
aangetrokken werd, zijn hand erin schoof en daarna doorboord werd door metaal,
dat zich in zijn lijf vertakte en nestelde.
Berlinden zal de drakenschub die hij vindt aan zijn
strijdmakker schenken, en weten dat hij de juiste keuze maakte, toen hij Alítih
hoorde schreeuwen en haar te hulp snelde.
En Alíth zal nachtmerries hebben over het moment dat ze de
magische cirkel uit haar visioen instapte, het podium besteeg, haar armen
strekte naar de energie aan weerszijden, en erdoor gegrepen werd als een
marionet. Beeltenissen van Kara’Vakasta overal om haar heen, en een in het
bijzonder, die haar aanstaarde, wreed glimlachte, en veranderde in haar
spiegelbeeld, terwijl de tovenares in haar hoofd kroop en haar wil probeerde te
buigen.
Overal duiken kopieën van Kara’Vakasta op uit schilderijen
aan de wand, en het lijkt onmogelijk om te bepalen wie de echte is.
Chiara rijst op uit de vlammen als een vurige feniks, een
gevlamde boog in haar handen. Ze vuurt pijl na pijl af en velt de ene na de
andere kopie. Nazhaar kijkt met genoegen naar de schilderijen die hij heeft
weten onschadelijk te maken, maar moet zich al snel weren tegen een overmacht.
Varlock zwaait zijn hamer, en voelt meteen dat hij de echte tovenares te pakken
heeft, maar Kara’Vakasta verlaat het lichaam meteen en springt naar een andere
kopie.
Berlinden probeert zich een weg te banen door de kopieën,
maar ziet twee Alítihs, die elkaar aanvallen, van elkaar wegvluchten, het
podium weer trachten te bereiken, en gekweld naar hun hoofd grijpen.
‘Ah, Berlinden…’, klinkt uit de kelen van Kara’Vakasta. ‘Je
hebt het goed gedaan, hen hier gebracht, voor mij…’
‘Dat was niet voor joú’, protesteert Berlinden, schuldig,
onzeker.
Zijn blik wordt getrokken door grote, boomachtige vormen,
bedekt met zwarte doeken. Hij heeft het gevoel dat hij hier moet zijn, dat hij
hier eindelijk zal weten wat er van de wildens geworden is.
Dan valt Alítih, maar bizar genoeg knielt een kopie van Kara’Vakasta
bij haar neer, en lijkt haar weer bij te willen brengen. intussen laat ze een
schokgolf van het platform uitgaan, die iedereen in de kamer opzij werpt.
Chiara verschijnt als een vurige wraakengel in de
deuropening, en Kara’Vakasta aarzelt geen moment. ‘Daar ben je. Sluit je bij
mij aan – samen kunnen we macht in de wereld verwerven!’
De halfelf gooit haar rode haren over een schouder en
glimlacht. ‘Misschien… dat voorstel klinkt niet slecht.’ Varlock spurt inmiddels naar het platform en
probeert Alítih in veiligheid te brengen.
Alítih komt bij met het vreselijke gevoel dat ze haar eigen
ledematen niet meester is – noch haar magie. Wanneer ze het bezorgde gezicht
van Varlock ziet, dwingt iets haar om
haar magie te activeren. Inwendige jammerend van ellende ziet ze die in zijn
gezicht exploderen.
Varlock valt achterover en tast naar zijn gezicht, maar
dwergen zijn van stevig materiaal gemaakt. Alleen zijn baard heeft het niet
overleefd…
Alítih krabbelt intussen op, weet zichzelf weer in bedwang
te krijgen en teleporteert zichzelf de gevarenzone uit.
Intussen houdt Chiara Kara’Vakasta lang genoeg aan de praat
opdat de rest een na ene met de kopieën kan afrekenen… Intussen laadt ze haar
boog, en wacht, wacht en mikt… tot ze de kwaadaardige tovenares zelf in haar
vizier krijgt. ‘Goed’, belooft ze, ‘ik zal met je samenwerken’… en pal daarop
jaagt ze een pijl, dwars door haar hart.
Berlinden strompelt uitgeput maar hoopvol naar de bomen. De naam
Kara’Vakasta verdwijnt van zijn zwarte ribben, maar hij merkt het amper,
wanneer hij ziet wat hem wacht. Rijen en rijen van Grauwe Zaden liggen hier
opgestapeld. Hier zijn de wilden, die verdwenen leken: niet vernietigd, maar
slapend. Wachtend, op een gastheer, een lichaam… zoals Fáelán ooit voor
Berlinden was…
Nazhaar bevestigt inmiddels triomfantelijk de zwarte schub
tussen zijn rode en zijn blauwe, maar brult van ontzetting wanneer hij voelt
wat het met hem doet. De toegevoegde kracht die hij bij vorige gelegenheden
ontving van een schub, is nu wel heel anders… die kronkelt zich een weg door
hem heen, en barst dan bij zijn schouders tevoorschijn in de vorm van gerafelde
vleugels, waar sappen en vocht vanaf stromen. In zijn geest verschijnt een
enorme aanwezigheid: de geest van een dracolich, die boven de drakenzee zweeft en
krijst: ‘Ik mag ze opeten… ik mag ze allemaal opeten van de meesteresse!’
Met een ruk draait Berlinden zich naar hem, wanneer hij
Nazhaar die woorden hoort mompelen. Tao Feng? Met een schok beseft hij de
waarheid: de zwarte schub die hij Nazhaar heeft overhandigd… is het
phylacterium dat hij had moeten vernietigen om de laatste naam van zijn ribben
te kunnen laten verdwijnen…
Alítih probeert intussen de beklemmende ervaring van zich af
te schudden. In een poging om zich weer meester over de situatie te voelen,
doorzoekt ze de magische geschriften die vlakbij het heiligdom te vinden zijn.
Maar dan voelt ze de verandering door
de schemersmidse trekken.
Vyrellis fluistert hen een laatste bedankt toe, en verdwijnt…
En de schemersmidse rijst op, boven de drakenzee. Van overal
komen verbijsterde mensen aanrennen. De vermoeide helden horen dat ze maanden
zijn weggeweest…

