In tegenstelling tot Chiara voelt Nazhaar zich niet geneigd
om zijn droom met alleman te delen. Maar hij zit er wel mee in zijn maag…
~ De droom van Nazhaar
~
Het is een
regenachtige nacht op het gevangeniseiland Io Barazat. Zich niet bewust van het
feit dat buiten handlangers van de Ridders van Ardeyn rondsluipen, doen de
paladijnen van Bahamut en Tiamat hun ronde.
Een nieuwe gevangene
is net binnengebracht: Nozark, een van de Ridders van Ardeyn zelf. Spoedig
zullen ze de Vost Miraj op de hoogte moeten brengen van hun vangst. Maar
misschien kunnen ze eerst zelf nog iets uit hem krijgen.
Net wanneer ze hem
willen opsluiten, slaagt een gevangen gnoom erin om keet te schoppen. Hij
stookt de andere gevangenen op, en in de chaos wordt Nozark in een andere cel
gestopt dan bedoeld. Althans, door de plichtsbewuste paladijn van Bahamut die
hem wil ondervragen… de wachter die hem snel bij de gnoom naar binnen schuift
is een undercover spion, die feilloos zijn kans heeft benut.
De gnoom en Nozark
beginnen plannen te smeden. Als ze samenwerken, zouden ze hier dan niet kunnen
wegkomen? Ze worden onderbroken door een bewaker die Nozark komt ondervragen,
maar ook dat duurt niet al te lang…
Een aardbeving doet
het hele eiland op zijn grondvesten daveren. Een reusachtige ijzeren draak is
als een aangeschoten vogel uit de lucht getuimeld. Een gloeiende vorm boven hem
krijst triomfantelijk, zijn drakenskelet in leven gehouden door onnatuurlijke
energie: ‘Mijn naam is Tao Feng… en van de meesteresse mag ik jullie állemaal
opeten!’
Nazhaar heeft het sterke gevoel dat wat hij in zijn droom
heeft gezien… nog niet is voorgevallen. Maar hij weet ook niet wat hij eraan
kan veranderen. Zolang hij hier in de schemersmidse vastzit in elk geval niets.
Er is maar een antwoord: zo snel mogelijk de volgende sleutel vinden. Dan heeft
hij misschien een kans om zijn broer te helpen – of op zijn minst uit te vinden
bij wat voor duistere zaakjes hij betrokken is!
Aangespoord door Nazhaar gaat de groep onontdekte hoekjes
verder uitkammen. Nazhaars ondernemingslust wordt versterkt, wanneer hij ineens
oog in oog komt te staan met een troep van zijn ex-matrozen – de verraders, die
Taazhon zijn gevolgd!
In eerste instantie maken ze korte metten met de matrozen
die zich, gewapend met hellebaarden, achter een hoop rommel hebben verschanst.
Chiara vuurt haar pijlen af, Nazhaar en Varlock werken zich over de barricade
heen.
‘Ga Taazhon halen!’ klinkt al snel de kreet, en een van de
matrozen verdwijnt in de richting van een gang.
Varlock zet de achtervolging in, maar wordt plotsklaps uit
de gang weggeteleporteerd. Hij kijkt verbijsterd om zich heen, maar schreeuwt
het meteen daarna uit wanneer vlammen uit alle muren tevoorschijn schieten.
De rest van de groep hoort zijn gepijnigde kreten vanachter
een deur in hun vertrek komen. Alítih vliegt ernaartoe, maar rammelt tevergeefs
aan de zware deur. Nazhaar komt haar te hulp, maar krijgt er ook geen beweging
in. Uiteindelijk is het een brullende, half verschroeide dwerg zonder
wenkbrauwen die zelf de deur openschopt.
Nazhaar is niet van plan om deze kans te laten liggen. Ze
moeten de achtervolging inzetten, als ze Tazhon te pakken willen krijgen!
Varlock houdt hen echter tegen als ze de gang in willen stormen. Zo is hij in
de kamer met het vuur terechtgekomen…
Ze proberen het systeem te misleiden door er een dode
matroos op te gooien, maar er gebeurt niks. Berlinden krijgt in de gaten
dat iemand verderop het systeem aan het bedienen is, het geen eenvoudige
drukplaat is. Hij offert zichzelf op en laat zich wegteleporteren, zodat de
rest van de groep veilig voorbij de gang kan.
In de kamer aan het eind van de gang treft Alítih de
gevluchte boogschutter, die inderdaad bij een resem hendels staat. Hij slaagt
er nog net in om Berlinden een keer te roosteren voor haar magische
projectielen hem treffen. Varlock voert een verpletterende charge op hem uit,
en ze weten Berlinden vrij onbeschadigd te bevrijden.
Ze komen door een kamer waarvan een muur bedekt is met een
muurschildering. Het tafereel stelt de veroordeling van Kara’Vakasta voor, die
geflankeerd wordt door een necrosmidse. Het verdict wordt uitgesproken door de
eerste keizer: Azunkan I. Peinzend staart Nazhaar enige tijd naar de vijf
gekleurde schubben op de borst van de keizer.
Chiara’s gevoelige oren vangen echter iets op. Ze hoort
ritueel gezang vanachter gesloten deuren komen. De stem van een jongen vrouw
blijft maar om bevrijding smeken.
Voorzichtig glipt Chiara naar binnen. Twee dragonborn-geesten
verschijnen, en instinctief valt ze hen meteen aan. De rest van de groep hoort
haar kreten en schiet haar te hulp. Al snel begrijpen ze dat ze in een
hermetische gevangenis zijn terechtgekomen: zodra iemand de deur aanraakt, of
zich naar het altaar vooraan begeeft, verschijnen er meer geesten.
Vooraan bij het altaar zit een jonge vrouw vertwijfeld te
trillen. Vyrellis fluistert Alítih in dat dit geen echte splinter is van haar
zus, maar toch wel een deel van haar, een kleinere afspiegeling. Ze is hier
opgesloten, als straf voor haar daden… terwijl dit deel de verloren onschuld
van Kara’Vakasta is. Ze wil niets liever dan bevrijd worden uit haar eeuwige
gevangenis.
Ondanks Varlocks argwaan besluit de groep om haar te helpen.
Met vereende krachten weten ze de magische afgrenzing in de kamer beetje bij
beetje af te breken. Alítih doet een beroep op de koude magie die Vyrellis met
zich meedraagt, en Varlock en Berlinden storten zich op de deur, waar de
sterkste bezweringen zijn geconcentreerd.
Uiteindelijk begeeft de bezwering het, en de gestalte van
het onschuldige meisje dat Kara’Vakasta eens was, bedankt hen uit de grond van
haar hart, voor ze verdwijnt.
woensdag 22 november 2017
Hoofdstuk 35
Chiara en Nazhaar komen eindelijk weer tevoorschijn uit hun
kamers. Ze zeggen de hele tijd geslapen te hebben, maar het lijkt alsof er meer
gebeurd is. Nazhaar ziet er geschrokken uit. Chiara is subtiel maar ingrijpend
veranderd: haar rossige lokken zijn een vurig rood geworden, en telkens wanneer
ze haar hoofd beweegt, creëert ze kleine vonkjes.
Wanneer de rest van de groep vraagt wat er is gebeurd, doet
Nazhaar er aanvankelijk het zwijgen toe. Zo niet Chiara. Wat ze in haar droom
heeft gezien, heeft slapende herinneringen gewekt, en ze stijgen haar naar de
lippen.
De droom van Chiara ~
Vijf jonge halfelf-kinderen bevinden zich in de donkere krochten van een Shan Cabal-bolwerk. Onder hen een rossig meisje: Chiara. Links van haar weet ze Radam, en Sofaya. Rechts zijn Wiwikè en Baroma vastgeketend. Ze hangen boven grote urnen, die de as van grote drakenmagiërs van weleer bevatten en jammeren zachtjes.
De droom van Chiara ~
Vijf jonge halfelf-kinderen bevinden zich in de donkere krochten van een Shan Cabal-bolwerk. Onder hen een rossig meisje: Chiara. Links van haar weet ze Radam, en Sofaya. Rechts zijn Wiwikè en Baroma vastgeketend. Ze hangen boven grote urnen, die de as van grote drakenmagiërs van weleer bevatten en jammeren zachtjes.
Een wetenschapper
bekijkt hen kil. Dat halfelf-uitschot blijkt dan toch helemáál nergens goed
voor, of zo lijkt het. Het vorige experiment is volledig mislukt. Misschien
iets met de afstelling van zijn komforen… Hij verandert en verschuift dingen,
en zet het experiment dan in werking.
Een aswolk verspreidt zich door de hele kamer. Alweer mislukt! Of niet? Bij die kleine rosse lijkt er iéts te zijn gebeurd…
Zijn gedachten worden doorbroken wanneer een kleine, maar goedbewapende groep het laboratorium binnenvalt. Ridders van Ardeyn, onder leiding van Erano Stern, vallen de kamer binnen. In het tumult en de verwarring die ontstaan, slagen ze erin om drie kinderen los te maken.
De Shan Cabal-bewakers stormen echter toe en verhinderen hen om ook de rest te bevrijden. De kleine halfelf bij wie het experiment iets teweeg heeft gebracht, is te kostbaar om op het spel te zetten. Terwijl een deel van de Ridders de aftocht dekt, grijpen Erano en een van zijn mannen de kinderen, en trachten met hen te ontkomen.
De gangen zijn echter een warboel. Hun achtervolgers halen hen in. Alleen Chiara ziet op een gegeven moment licht in het duister – letterlijk. Een klein vlammetje wenkt haar. Ze weet haar redders ervan te overtuigen dat zij de weg naar buiten kent, en ze geven gehoor aan haar kreten.
Een woeste achtervolging eindigt bij gesloten deuren. De Ridders draaien zich om voor een laatste stellingname, in de hoop dat iemand de deuren tijdig openkrijgt. Chiara, die haar kwelgeesten ziet komen, voelt in haar binnenste een razend vuur opborrelen. Een steekvlam schiet uit haar tevoorschijn en verpulvert de toesnellende bewakers, samen met een Ridder die haar verdedigde.
Chiara ziet het niet eens. Ze luistert naar de vriendelijke stem van een vlam die de vorm van een omaatje heeft aangenomen. ‘Ik heb veel van je zielenvuur gebruikt, kind, maar ik blijf bij je. Geef mij vorm als je weer ontwaakt.’
De groep kijkt gefascineerd toe wanneer Chiara demonstreert wat al die jaren in haar lag te wachten, op het moment dat ze de herinnering zou hervinden, op het moment dat haar zielenvuur weer zou ontwaken. Ze roept een vlammetje tevoorschijn, dat naar haar wil de vorm van een draakje, of van een vriendelijk vrouwtje aanneemt.
Varlock besluit dat hij óók een huisdier wil, en doet een nieuwe poging om de beer, Murtabi, te bewegen om zijn vriendschap te aanvaarden. Hij komt echter van een kale reis thuis: beren temmen is geen sinecure. Toch is de kroonprins der dwergen vastbesloten het niet zo makkelijk op te geven.
Daarna vindt Alítih het welletjes geweest met zijpaden: naar de bibliotheek. Nu! De groep stemt in en al gauw staan ze voor de deur van ‘Ariana Karavakos – meesteresse van Kennis en Magie’. De groep doorzoekt de bibliotheek, maar komt tot een ontnuchterende vaststelling: een groot deel van de boeken is leeg. De kennisvretende wezens zijn hier duidelijk aan het werk geweest.
Berlinden en Varlock gooien de deuren open die leiden naar de vertrekken van Ariana Karavakos. Heeft zij er soms iets mee te maken?
De werkelijkheid blijkt verrassend anders. De groep komt door een kamer die bekroond wordt door een koepel waarin een sterrenhemel is geschilderd. ‘Een ring van sterren markeert de sleutel van kennis’ is als een spreuk daaronder aangebracht. Wanneer ze een volgende kamer instappen, treffen ze daar een verwarde oudere dame, die duidelijk in de greep van een kennisvreter verkeert, die luguber vriendelijk haar schouders masseert.
Nazhaar valt de kennisvreter aan, de rest van de groep probeert deze splinter van Kara’Vakasta uit te schakelen voor ze weer tot zichzelf is gekomen. Maar verzwakt of niet, Ariana Karavakos heeft nog steeds haar magie om haar te verdedigen.
Abrupt bevindt de groep zich weer in de bibliotheek. Tot hun verbijstering zien ze tegenover zich een identieke versie van zichzelf, een spiegelbeeld dat alles exact herhaalt. Varlock ondervindt meteen dat een aanval alleen maar tot gevolg heeft dat hij zelf ook schade oploopt, en bovendien ook weer aangevallen wordt. Chiara klimt op een kast en tracht zichzelf onbereikbaar te maken, maar wordt door haar spiegelbeeld achternagezeten. Nazhaar wil een spiegelbeeld van iemand anders aanvallen, maar weet ineens niet meer zeker wie echt is en wie niet.
Alítih probeert koortsachtig de magie van de spreuk te doorgronden. Ze ziet de rest van de groep diverse tactieken uitproberen en krijgt het vermoeden dat alleen Varlock intuïtief de juiste weg heeft gevonden – hij heeft zonet zichzelf een klap met zijn schild verkocht. De rest van de groep heeft het zwaar te verduren, en ze krijgt het sterke vermoeden dat deze magie een offer eist. Ze denkt er niet te lang over na, en richt haar destructieve magie op zichzelf.
De groep kijkt verrast op wanneer hun spiegelbeelden in rook opgaan. Alítih ligt schijnbaar levenloos op de grond. Terwijl Berlinden en Nazahaar hun uiterste best doen om haar van de rand van de dood terug te halen, komt Ariana naar buiten. Ze neemt de situatie in ogenschouw en slaakt een diepe, vermoeide zucht. Haar leven hier is een last geworden. Vrijwillig geeft ze de sleutel af, en verdwijnt.
Het scheelt niet veel of Alítih gaat haar achterna, maar tenslotte dringen de magisch gesterkte woorden van Nazhaar tot haar door. Ze slaat haar ogen op en ziet de tweede sleutel op de handpalm van Chiara liggen. Hun queeste begint vrucht af te werpen.
Een aswolk verspreidt zich door de hele kamer. Alweer mislukt! Of niet? Bij die kleine rosse lijkt er iéts te zijn gebeurd…
Zijn gedachten worden doorbroken wanneer een kleine, maar goedbewapende groep het laboratorium binnenvalt. Ridders van Ardeyn, onder leiding van Erano Stern, vallen de kamer binnen. In het tumult en de verwarring die ontstaan, slagen ze erin om drie kinderen los te maken.
De Shan Cabal-bewakers stormen echter toe en verhinderen hen om ook de rest te bevrijden. De kleine halfelf bij wie het experiment iets teweeg heeft gebracht, is te kostbaar om op het spel te zetten. Terwijl een deel van de Ridders de aftocht dekt, grijpen Erano en een van zijn mannen de kinderen, en trachten met hen te ontkomen.
De gangen zijn echter een warboel. Hun achtervolgers halen hen in. Alleen Chiara ziet op een gegeven moment licht in het duister – letterlijk. Een klein vlammetje wenkt haar. Ze weet haar redders ervan te overtuigen dat zij de weg naar buiten kent, en ze geven gehoor aan haar kreten.
Een woeste achtervolging eindigt bij gesloten deuren. De Ridders draaien zich om voor een laatste stellingname, in de hoop dat iemand de deuren tijdig openkrijgt. Chiara, die haar kwelgeesten ziet komen, voelt in haar binnenste een razend vuur opborrelen. Een steekvlam schiet uit haar tevoorschijn en verpulvert de toesnellende bewakers, samen met een Ridder die haar verdedigde.
Chiara ziet het niet eens. Ze luistert naar de vriendelijke stem van een vlam die de vorm van een omaatje heeft aangenomen. ‘Ik heb veel van je zielenvuur gebruikt, kind, maar ik blijf bij je. Geef mij vorm als je weer ontwaakt.’
De groep kijkt gefascineerd toe wanneer Chiara demonstreert wat al die jaren in haar lag te wachten, op het moment dat ze de herinnering zou hervinden, op het moment dat haar zielenvuur weer zou ontwaken. Ze roept een vlammetje tevoorschijn, dat naar haar wil de vorm van een draakje, of van een vriendelijk vrouwtje aanneemt.
Varlock besluit dat hij óók een huisdier wil, en doet een nieuwe poging om de beer, Murtabi, te bewegen om zijn vriendschap te aanvaarden. Hij komt echter van een kale reis thuis: beren temmen is geen sinecure. Toch is de kroonprins der dwergen vastbesloten het niet zo makkelijk op te geven.
Daarna vindt Alítih het welletjes geweest met zijpaden: naar de bibliotheek. Nu! De groep stemt in en al gauw staan ze voor de deur van ‘Ariana Karavakos – meesteresse van Kennis en Magie’. De groep doorzoekt de bibliotheek, maar komt tot een ontnuchterende vaststelling: een groot deel van de boeken is leeg. De kennisvretende wezens zijn hier duidelijk aan het werk geweest.
Berlinden en Varlock gooien de deuren open die leiden naar de vertrekken van Ariana Karavakos. Heeft zij er soms iets mee te maken?
De werkelijkheid blijkt verrassend anders. De groep komt door een kamer die bekroond wordt door een koepel waarin een sterrenhemel is geschilderd. ‘Een ring van sterren markeert de sleutel van kennis’ is als een spreuk daaronder aangebracht. Wanneer ze een volgende kamer instappen, treffen ze daar een verwarde oudere dame, die duidelijk in de greep van een kennisvreter verkeert, die luguber vriendelijk haar schouders masseert.
Nazhaar valt de kennisvreter aan, de rest van de groep probeert deze splinter van Kara’Vakasta uit te schakelen voor ze weer tot zichzelf is gekomen. Maar verzwakt of niet, Ariana Karavakos heeft nog steeds haar magie om haar te verdedigen.
Abrupt bevindt de groep zich weer in de bibliotheek. Tot hun verbijstering zien ze tegenover zich een identieke versie van zichzelf, een spiegelbeeld dat alles exact herhaalt. Varlock ondervindt meteen dat een aanval alleen maar tot gevolg heeft dat hij zelf ook schade oploopt, en bovendien ook weer aangevallen wordt. Chiara klimt op een kast en tracht zichzelf onbereikbaar te maken, maar wordt door haar spiegelbeeld achternagezeten. Nazhaar wil een spiegelbeeld van iemand anders aanvallen, maar weet ineens niet meer zeker wie echt is en wie niet.
Alítih probeert koortsachtig de magie van de spreuk te doorgronden. Ze ziet de rest van de groep diverse tactieken uitproberen en krijgt het vermoeden dat alleen Varlock intuïtief de juiste weg heeft gevonden – hij heeft zonet zichzelf een klap met zijn schild verkocht. De rest van de groep heeft het zwaar te verduren, en ze krijgt het sterke vermoeden dat deze magie een offer eist. Ze denkt er niet te lang over na, en richt haar destructieve magie op zichzelf.
De groep kijkt verrast op wanneer hun spiegelbeelden in rook opgaan. Alítih ligt schijnbaar levenloos op de grond. Terwijl Berlinden en Nazahaar hun uiterste best doen om haar van de rand van de dood terug te halen, komt Ariana naar buiten. Ze neemt de situatie in ogenschouw en slaakt een diepe, vermoeide zucht. Haar leven hier is een last geworden. Vrijwillig geeft ze de sleutel af, en verdwijnt.
Het scheelt niet veel of Alítih gaat haar achterna, maar tenslotte dringen de magisch gesterkte woorden van Nazhaar tot haar door. Ze slaat haar ogen op en ziet de tweede sleutel op de handpalm van Chiara liggen. Hun queeste begint vrucht af te werpen.
Abonneren op:
Reacties (Atom)