maandag 22 februari 2016

Hoofdstuk 7

Varlock worstelt zich naar Faélán toe, maar merkt dat hij amper een hand voor ogen ziet. Er hangt een stofwolk om hen heen waardoor hij niet kan zien waar hij is beland. Wanneer Fáelán weer op de been is, doet de ridder een beroep op de goddelijke Melora om Varlock te vervullen met genezende energie. Daarna gaan ze op de tast op zoek.
Hoe langer ze door het stof dwalen, hoe moeizamer het ademhalen gaat. Met hun verwondingen, die hen nog steeds parten spelen, zijn ze algauw de uitputting nabij. Dan hoort Fáelán een merkwaardig holle klank onder zijn voeten. Hij ontdekt dat hij op een valluik staat en hurkt opgelucht neer. Hij rukt het luik meteen open, zonder er goed bij na te denken.
Het stof in de kamer verzamelt zich onmiddellijk boven hun hoofd en stroomt als een werveling richting het luik. De ridder en de dwerg worden onweerstaanbaar meegesleurd door de beweging.

Intussen zijn Chiara, Alítih, Nazhaar en Halci in een andere onderaardse grot beland. Ze staan op een eilandje omringd door water, waarop zes sarcofagen zijn opgesteld in een cirkel rond een slangenpoort. Het geruis van een waterval klinkt en het duister wordt verbroken door een groen licht, dat aan de overkant van het water twaalf gangen in de wanden van de grot laat zien. Het is hen al snel duidelijk dat ze in de venomietmijn zijn beland.
Ze zijn nog maar amper tot die conclusie gekomen, of de stilte wordt verbroken door een donderend geraas, en midden in een stortvloed van stof, zien ze twee gestaltes uit een gat in het plafond in het water plonzen.
Nu de groep weer verenigd is en iedereen nog in relatief welzijn blijkt te verkeren, gaan ze gauw op onderzoek uit. Halci is dan wel gered van een dood als offer, maar ze moeten de mijn nog wel uit raken. De ringen die ze gebruikt hebben om te teleporteren, hebben hun magische aura verloren – daar kunnen ze dus niks meer mee.
Alítihs oog wordt getrokken door groene runen op de grond van het eiland. De tovenares begint ze te ontcijferen, maar Chiara heeft niet het geduld te wachten tot ze daarmee klaar is. Ze springt het water in, dat Varlock en Fáelán ook geen kwaad heeft gedaan, en gaat één van de tunnels inspecteren. Eén daarvan moet toch naar de uitgang leiden, zo redeneert ze.
Terwijl Alítih mompelend over het eiland loopt, besluit Varlock zijn expertise bij die van Chiara te gaan voegen. Hij heeft wel enig inzicht in de constructie van mijnen en wijst haar erop dat sommige van de gangen duidelijk ouder zijn dan de andere. Als er een gang naar de uitgang leidt, dan moet het één van de oudste gangen zijn.
Intusen is Alítih tot de conclusie gekomen dat de runen iets aan de slangenpoort op het eiland kunnen activeren. Ze legt haar kameraden het probleem voor: er zal wel iéts gebeuren, maar ze weet niet honderd procent zeker wat. Fáelán kan het alleen maar ontraden: rommelen met overblijfselen van kwaadaardige sektes kan hij niet goedkeuren. Nazhaar ziet er echter niet zoveel kwaad in. De ringen hebben hen ook goed geholpen.
Alítih doet een beroep op Halci’s wijsheid, maar de kruidenvrouw blijkt erg aangeslagen door haar avontuur. De tovenares ziet dat het hoog tijd wordt dat haar vriendin weer thuis raakt, en besluit de gok te nemen. Ze spreekt de groen opgloeiende runen uit.
Een vlaag energie springt uit de poort naar buiten, recht op Nazhaar af, die nieuwsgierig stond toe te kijken. Uit zijn mond komt ineens een stem die niet de zijne is: “Ik zal missssschien eventjes meeliften,” klinkt het tevreden.
Zijn makkers kijken verschrikt naar Nazhaar, die er al even verbijsterd uitziet: in zijn hoofd voelt hij een andere aanwezigheid, die zich daar comfortabel genesteld lijkt te hebben. De drakenman is niet zo makkelijk van zijn stuk te brengen en informeert simpelweg krachtdadig met wie hij het genoegen heeft. De stem verklaart in zijn hoofd dat hij de eer heeft Shiakantar te vervoeren, een Yuan-Ti-prins.
Alítih schrikt wanneer Nazhaar dit met hen deelt: het kan niets goeds voortbrengen om een wezen als dit in de wereld te brengen. Ze heeft echter geen idee hoe ze de aanwezigheid uit Nazhaar kan verdrijven en moet zich ertoe beperken te verklaren dat de poort hen geen weg naar buiten zal bieden.

Ze zwemmen dan maar naar Varlock en Chiara die op het punt staan een kamer in te sluipen die ze in één van de gangen ontdekt hebben, waar een kobold vis staat te verhakken.
Fáelán, die het allesbehalve eens kan zijn met de methodieken van zijn kameraden, dringt zich naar voren om de leiding te nemen. Hij legt een zware hand op de schouder van de kobold. “Ik ben gek op vis,” spreekt hij de kok toe in diens taal.
Het wezen schrikt even op, maar gaat er dan vanuit dat hij met vrienden van zijn meesteresse te maken heeft, immers “ook een gladhuid, net als u.” Hij offreert hen een heerlijk maaltje vis en kwettert zenuwachtig dat ze allemaal hun best aan het doen zijn om goed op schema te blijven voor de meesteresse.
Fáelán probeert subtiel aan de weet te komen waar de uitgang is, maar de kobold-kok schijnt maar niet in te zien waarom ze niet kunnen terugkeren zoals ze gekomen zijn, immers de makkelijkste manier.
Uiteindelijk klinkt een hoge pijnkreet wanneer Nazhaars bijl op de teen van de kobold valt, en de drakenman buldert: “Komt er nog wat van?”
De kobold zet het op een gillen. Noodgedwongen wordt hij snel met represailles bedreigd als hij niet snel zijn mond dicht houdt en hen de uitgang wijst. Varlock bindt hem stevig vast en maakt het touw vast rond zijn middel, terwijl Fáelán en Nazhaar in de achtergrond ruziën over de vraag of de bijl al dan niet per ongeluk viel en hoe groot de kans was dat Fáelán de informatie op een vreedzame manier had kunnen bovenhalen.
Wanneer ze de gang uitkomen, zien ze echter dat ze de kok te laat het zwijgen hebben opgelegd: twee koboldmijnwerkers komen met getrokken houwelen op hen afgestormd, met in hun kielzog een reusachtige rat.
Fáelán trekt zijn zwaard, grommend over lompe drakenmannen, en hakt één van de aanvallers met één klap de kop af, terwijl Alítih haar magie op de rat richt.
Het strijdgewoel blijft niet onopgemerkt: uit een andere gang horen ze nog meer koboldenstemmen en algauw krijgen ze nog een ploegje mijnwerkers op hun nek. Ze slingeren hun houwelen naar Fáelán, die immers met bebloed zwaard boven het lichaam van de dode mijnwerker staat.
Intussen moet Varlock zijn uiterste best doen om op de been te blijven. De kobold-kok zet eerst zijn hakken in het zand, zodat de dwerg hem moet meeslepen, en werpt zich dan tegen hem aan, zodat hij zijn evenwicht verliest en zijn hamer onmogelijk kan hanteren. Uiteindelijk maakt hij het touw los, waarop de kok zich echter onmiddellijk op Chiara stort, die samen met Alítih de rat aan het beschieten was. De tovenares grijpt meteen in en haalt de kok met een magische uitbarsting neer. Nazhaar hakt inmiddels de rat de kop af.
Steeds meer mijnwerkers komen toesnellen. Vlakbij Nazhaar is de opening van een gang, en terwijl de rattenkop van zijn bijl wegvliegt, ziet de drakenman dat er alweer nieuwe troepen komen toegesneld. Geïrriteerd haalt hij diep adem en spuwt zijn zure drakenadem de gang in. De aanstormende kobolden vallen levenloos neer, maar de rat is van steviger materiaal gemaakt, die stort zich met zijn snijtanden op de drakenman.
Fáelán wordt inmiddels welhaast ingesloten door boze mijnwerkers en hun rat. Varlock stormt erop af om zijn makker bij te staan en mept met zijn hamer één van de aanvallers de lucht in. Fáelán worstelt met de rat die hem lelijk bijt, maar samen met Varlock en geholpen door een paar welgemikte pijlen van Chiara weet hij het beest uiteindelijk in de pan te hakken.
Alítih ziet intussen dat Nazhaar door een andere rat in het nauw is gedreven en verandert zichzelf in een mist, om even later bij de drakenman op te duiken, die nog net stand houdt in zijn eentje. Ze laat haar magie los op het beest, dat zich even laat afleiden door de nieuwkomer. Nazhaar maakt van de gelegenheid gebruik om een machtige klap met zijn bijl uit te delen, en wanneer de rat zich naar hem keert, weet de tovenares het met een stroom vuur te treffen. De drakenman aarzelt geen moment en hakt het verzengde beest in twee.
De resterende kobolden kiezen het hazenpad, en ook een overlevende rat probeert weg te zwemmen. Dat is buiten Chiara gerekend, wiens pijlen het knaagdier inhalen. Varlock stormt eveneens toe, en slingert zijn hamer met verpletterende kracht.

Eens de strijd geluwd is, doet Halci haar best om haar redders bij te staan. Ze brengt een zwaar gewonde Fáelán weer op de been met haar versterkende kruidenmengsels, terwijl Nazhaar iedereen moed inspreekt: die miezerige kobolden zijn heus niet tegen hen opgewassen.
Het is echter wel duidelijk dat de groep aan het eind van zijn krachten is. Ze zoeken een lege mijngang op en verschansen zich daar om enige rust op te doen. Het groen oplichtende gesteente fascineert Alítih. De tovenares is ervan overtuigd dat ze de giftige eigenschappen ten bate van de groep moet kunnen inzetten. Terwijl de rest slaapt, brengt ze de nacht door met een magische bezwering die de eigenschappen van het venomiet op Chiara’s boog moeten overbrengen.
De volgende ochtend wordt iedereen verkwikt wakker, behalve de vermoeide tovenares, wier pogingen helaas nog geen succes hebben opgeleverd. Ze verzamelt echter een paar brokken venomiet voor later gebruik.
Wanneer ze hun kamer verlaten, horen ze luid geruzie van een hoop kobolden, met als teneur “we moéten voort met het werk!”
Ze weten de kobolden te ontwijken, en sluipen de laatste onverkende gang in. Die blijkt uit te lopen op een nieuw standbeeld van Zehir. Fáelán weigert part noch deel te hebben aan alles dat met deze cultus te maken heeft, waarop Chiara van de gelegenheid gebruik maakt om de edelstenen uit het – immers niet te respecteren – beeld te peuteren.
Nazhaar vindt inmiddels uit dat het standbeeld kan draaien. In zijn hoofd hoort hij zijn ongewenste passagier: ‘Ah, ideaal…” mompelen. Hij besluit er maar op te vertrouwen dat zijn lifter ook naar buiten wil, en draait het standbeeld. Er blijkt een poortje open te gaan waarachter een gang ligt.
De gang kronkelt richting een kamertje met drie gangen. Wanneer Chiara haar gevoelige oren te luisteren legt, kan ze bepalen dat één van de gangen naar de grote groep kobolden leidt. Uit een andere gang komt een zurige geur die niet bepaald uitnodigend is.
Ze kiezen dus maar de derde gang, die hen naar een nieuwe runencirkel brengt. Dit keer kan Alítih met zekerheid vaststellen dat het om een teleportatiecirkel gaat. De groep verzamelt zich vlug rondom haar wanneer ze de runen begint te declameren – niemand heeft zin om knusjes met de kobolds achter te blijven.
Tot hun grote verrassing landen ze op een grasveldje dat hen maar al te bekend is: ze zijn nabij een prieeltje terechtgekomen, achter het landhuis van de Padraigs. Die moeten duidelijk dringend van een en ander op de hoogte gesteld worden.
Hun verslag zorgt voor heel wat gefrons bij de burgemeester. Zijn eiland heeft niet alleen te lijden van orcs en verdwijningen, maar nu ook nog van kwaadaardige culten, en er is ook nog een teleportatiecirkel vlakbij zijn eigen huis?
Nazhaar voelt inmiddels in zijn hoofd een geïnteresseerd gesis. De slangenprins heeft vastgesteld dat hij hier een individu voorheeft met meer macht dan zijn huidige gastheer. Nazhaars hoofd voelt even merkwaardig leeg wanneer de Yuan-Ti naar Padraig springt.
De burgemeester weet niet wat er gebeurt, en luistert ontzet naar de verklaring van Nazhaar. De groep laat een ontredderde Padraig achter, die druk zoekt naar de juiste maatregelen in dit soort omstandigheden.

Wanneer Halci veilig is thuisgebracht, begeven ze zich naar de Morgenstond, waar edelvrouwe Serusa zich beminnelijk onder het gepeupel komt mengen. Zodra ze hoort dat Chiara de eigenaresse van de herberg is, entert ze de ranger om haar uit te horen over de geschiedenis van haar herberg en het eiland. De halfelf is helemaal niet voorbereid op dit soort small talk en ontsnapt maar al te graag wanneer een vermoeide Radam haar aandacht trekt.
Wanneer Chiara in de bezorgde ogen van haar mede-halfelf kijkt, wenst ze dat ze maar bij Serusa was gebleven. Hij vraagt hoopvol of ze al een spoor van Sofaya heeft gevonden. Vol schuldgevoel gaat ze haar vrienden verzamelen en overhaalt hen om meteen met haar mee op zoek te gaan naar Sofaya.
Met het magische kompas als richtingaanwijzer begeeft de groep zich het bos in. Chiara gaat behoedzaam voorop – als Sofaya hier verdwenen is, dan moeten zich hier zaken afspelen die niet pluis zijn.
Haar voorzichtigheid wordt beloond wanneer ze luide stemmen hoort en de rook van een kampvuurtje opvangt. Ze laat de rest achter en sluipt voorzichtig naderbij. Even later kan ze twee orcs afluisteren, die voor een grot zitten te praten. Ze blijken hier te zijn om een bondgenootschap te sluiten met ‘iemand’, die zich kennelijk bevindt in de grot, die door een plantengordijn is afgesloten…

donderdag 4 februari 2016

Hoofdstuk 6

Behoedzaam trekt de groep verder richting het omineuze gesis. 

Ze komen terecht bij een grote, langgerekte kamer, die bestaat uit kuilen vol slangen, afgewisseld met smalle overloopjes. Aan de andere kant zien ze twee cultisten met hun slangen, die prevelend zitten te bidden bij een grote poort. Erg verwelkomend is het niet bepaald, maar de naald van het kompas wijst onverbiddelijk naar de overkant: als ze Halci willen vinden, zullen ze de oversteek moeten wagen.
Sommigen in de groep hebben er een hard hoofd in of ze wel over die kuilen heen zullen raken. Varlock ziet er echter geen problemen in wanneer Chiara en Nazhaar suggereren dat ze hem wel een zetje zullen geven. De dwerg wordt gelanceerd en landt stevig op zijn voeten op het eerste overloopje. Nazhaar neemt een aanloopje en volgt met een forse sprong zijn voorbeeld. Wanneer Chiara hun voorbeeld wil volgen, laat ze zich afleiden door de sissende serpenten en landt middenin de slangenkuil. Ook Alítih weet de overkant niet te halen, en de twee moeten zich een weg banen door de happende slangen. Fáelán lost het handiger op: Nazhaar en Varlock houden een touw strak dat hij aan zijn kant heeft vastgebonden, en hand over hand klimt hij langs het touw langzaam maar zeker naar de overkant.
De cultisten hebben intussen in de gaten gekregen dat er iets gaande is, en nemen hun maatregelen. Ze grijpen in de geopende muilen van gebeeldhouwde slangen op de poort en een grote kop bovenaan de poort opent zich om gigantische pijlen op de groep af te schieten. Varlock duikt ineen achter zijn schild en trekt Alítih met zekere greep snel omhoog. Chiara staat intussen ongeduldig te springen omdat Nazhaar niet snel genoeg naar haar zin is. “Moment schatje, ik sta hier niet te niksen met dat touw,” gromt de grote drakenman, terwijl hij een pijl ontwijkt, het touw met een zeemansknoop vastmaakt en vervolgens eindelijk de belaagde halfelf uit de slangenkuil trekt.
Bestookt door aanvliegende pijlen moeten de avonturiers de volgende slangenkuil oversteken. Varlock en Nazhaar zijn weer de voorhoede en nemen meteen een nieuw touw met zich mee, zodat de rest hopelijk vlot kan oversteken. Fáelán probeert nogmaals naar de overkant te klimmen, maar zijn handen glijden weg. Hij kan nog net op tijd opzij tasten naar een ijzeren ring in het plafond en blijft in een penibele positie achter, bungelend boven de kuil vol krioelende beesten.
Chiara neemt de situatie in ogenschouw en besluit de sprong toch maar te wagen. Ze landt soepel aan de overkant en neemt het touw over van Nazhaar en Varlock, die aan weerskanten van het overloopje twee hendels ontdekt hebben. Ze trekken eraan, ondanks de giftige invloed die het giftige gesteente bij de eerste aanraking op hen uitoefent. Hun hoop, dat er een soort brug naar de overkant zal verschijnen, wordt helaas niet bewaarheid – er gaan alleen twee nieuwe koppen open op de grote poort.
Alítih vreest dat dit niet veel goeds voorspelt en teleporteert zichzelf naar de overkant. Haar magische vermogen reikt echter net niet ver genoeg en ze weet maar net de rand van de brug vast te grijpen. Nazhaar snelt toe, maar glijdt uit terwijl hij haar omhoog wil trekken, en dondert achteruit de volgende slangenkuil in.
Chiara kan alleen maar zuchten over zoveel incompetentie en zwiept kordaat het touw Fáeláns richting uit, die het gelukkig weer te pakken weet te krijgen. Hij klimt naar de overkant, terwijl Nazhaar omhoog wordt getrokken.
Het randje waarop ze nu staan is ontzettend smal. Er is geen enkele ruimte om een aanloop te nemen… het schijnt onmogelijk de overkant te halen. Ze worden echter nog steeds door de balista bestookt, en Chiara begrijpt dat er niet veel tijd is om erover na te denken. Ze lanceert zichzelf met alle kracht die ze in zichzelf kan vinden en weet met een onmogelijk lijkende sprong net de overkant te halen – zij het dat ze maar net de rand te pakken kan krijgen en nu boven de slangen bungelt. De cultisten bestoken haar vingers onmiddellijk met messen, maar missen hun kleine doelwitten. Chiara hijst zichzelf met een lenige buiteling op de rand en trekt in één vloeiende beweging haar boog en pijlen tevoorschijn. Met een welgemikt schot legt ze meteen één van de cultisten neer.
Haar kameraden doen inmiddels hun best om haar te komen bijstaan. Nazhaar en Varlock springen zonder aarzelen de kuil in en ploegen door de slangen tot bij haar. Fáelán probeert het nog een keer langs het touw dat Chiara heeft meegenomen, maar springt uiteindelijk ook maar de kuil in, bang dat het gevecht anders afgelopen zal zijn voor hij er is.
Chiara wisselt inmiddels af tussen pijlen afvuren en het touw strak houden voor Alítih. De tovenares lijkt nogal nerveus in deze situatie en slaagt er maar niet in de klim goed aan te vangen. Chiara schiet met twee razendsnel opeenvolgende pijlen de tweede cultist en één van de slangen neer. Nu ze gerust is dat er geen pijlen meer haar kant zullen opkomen, wendt ze zich tot Alítih om haar krachtig uiteen te zetten hoe men het best langs een touw voortbeweegt. De coaching heeft het gewenste resultaat en al gauw staat de tovenares naast haar.
Nazhaar is inmiddels naar de poort toe gesprongen. Hij krijgt meteen een wolk gif in zijn gezicht geblazen die hem verblindt, maar de drakenman haalt niettemin trefzeker uit en hakt de overblijvende slang zonder verpinken de kop af.

Wanneer iedereen hem vervoegd heeft, gaan ze nader op onderzoek uit. De twee nieuw geopende slangenkoppen blijken weer groen glanzende hendels te bevatten. 
Wanneer na enige aarzeling Nazhaar en Fáelán zichzelf aanbieden om de giftige instrumenten te bedienen, opent zich bovenaan de poort een slangenmuil. Die spuwt een langgerekt metalen koord, dat zich als een metalen hangbrug naar de overkant slingert, doorheen de ijzeren ringen aan het plafond.
De weg terug is een stuk makkelijker geworden… maar ze hebben nog steeds hun doel niet bereikt. Waar is Halci?

De poort blijkt makkelijk open te gaan en geeft toegang tot een kronkelende gang. Chiara gaat bij een bocht op voorverkenning uit, en komt algauw terug met de melding dat ze hun doel bereikt hebben: in de volgende kamer bevindt zich kruidenvrouw Halci, die ze kwamen zoeken. Ze is echter een gevangene, vastgebonden tussen twee hopen krioelende slangen.
Dat is nog niet alles: aan weerszijden van de kamer zijn gemummificeerde gestalten op sarcofagen opgesteld. Ze zijn momenteel bewegingloos, maar Chiara vertrouwt het niet helemaal. De wezens zijn immers duidelijk geen mensen, te zien aan hun slangenkoppen.
De groep gaat voorzichtig verder en ziet een bewusteloze Halci in een dreigend stille kamer. Achter Halci is echter een onaards licht te zien: een grote ketel, die ze herkennen uit Halci’s tekening, zweeft boven een kuil in de grond. De mummies wijzen gebiedend naar de grond, met een gouden ring om hun wijsvinger. Alítih herkent hen als Yuan-Ti: wezens die lang geleden een groots, kwaadaardig keizerrijk beheersten en nu nog door medusa’s aanbeden worden.
Dan klinkt er ineens een mysterieuze stem van bij de zwevende ketel: “De Ketel van Grauwe Oogst eist een levend offer…”
Alítih besluit om haar vriendin te gaan bevrijden. De rest houdt inmiddels de mummies nauwkeurig in de gaten. Terwijl ze hakt en zaagt in het touw, kronkelen de slangen naar haar toe en slaan hun tanden in haar benen. Nazhaar snelt toe en hakt op de hoop in, maar de reptielen zijn met zoveel dat ze als water van zijn bijl lijken te glijden. Zowel hij als Alítih worden een ogenblik later door een donderende explosie achteruit geworpen: uit de slangenhopen zijn twee cultisten vol tatoeages opgedoken die hun vernietigende magie op hen loslaten. Ook Chiara en Fáelán worden bestookt, met bliksemschichten die de ridder echter wendbaar ontwijkt.
Uit de ketel lijkt een gulp magie te springen en de hele kamer begint te beven. 
Alítih weet struikelend overeind te blijven en laat een stroom van vuur op één van de cultisten los, terwijl Varlock hem verwoed aanvalt voor hij van de verrassing is bekomen. “Laten we de ketel een offer geven om de boel te kalmeren!”, oppert hij, duidelijk doelend op de cultist die hij met zijn hamer aan het bewerken is.
Nazhaar volgt meteen Varlocks suggestie en probeert de cultist te grijpen om hem in de ketel te slingeren, in de hoop die zo tot bedaren te brengen. De cultist kronkelt echter weg uit zijn greep en lacht sinister terwijl het hele complex schudt en davert. “Jullie worden hier begraven!”, belooft hij, voor hij Nazhaar met een nieuwe donderklap naar achteren gooit. Daarna trekt hij een toverstafje en bestookt Fáelán met magische projectielen. Chiara geeft hem meteen een koekje van eigen deeg en laat het pijlen op hem regenen.
Varlock heeft zich inmiddels op de tweede cultist gestort, die hij met zijn schild op de grond smakt, vastbesloten iémand in de ketel te zwieren. Alítih herinnert zich op dat moment met bijna bovennatuurlijke helderheid de beschrijving van de dorpspriester… “een ketel die gebruikt wordt om fey-magie te kanaliseren zodat er ondoden geschapen kunnen worden” en wordt bevangen door angst als ze beseft wat er bijna was gebeurd. Ze schreeuwt meteen een waarschuwing naar haar makkers: door de ketel te geven wat die vraagt, zou hun situatie alleen maar erger worden!
Fáelán stort zich op de neergevallen cultist, maar wordt meteen door een energieklap geraakt. De kamer is steeds harder gaan trillen en er komt nu ook gesteente naar beneden – vallend puin treft de ridder en hij moet dekking zoeken. Overal in de kamer regent het gesteente… behalve in de gloeiende cirkel om de ketel.
Alítih en Varlock weten de twee cultisten fatale klappen toe te brengen, maar beseffen dat de situatie bijzonder penibel is geworden: de weg waarlangs ze in deze kamer zijn gekomen, is afgesloten. Nazhaar heeft inmiddels Halci losgemaakt. Die prevelt enkel zwakjes: “Zijn er nog ringen…?”
Het is meteen duidelijk dat ze op de ringen aan de handen van de mummies doelt. De groep is nog altijd een beetje huiverachtig om de mummies te verstoren, maar wanneer Chiara door een volgend stuk puin wordt geraakt, is duidelijk dat er niet veel tijd meer is om te aarzelen. Alítih besluit haar vriendin te vertrouwen, springt naar een mummie, grijpt een ring, steekt die aan haar vinger… en verdwijnt zonder een spoor na te laten.
Nazhaar volgt zonder aarzelen haar voorbeeld, maar draalt even met de ring in zijn vinger. Zal Halci achterblijven wanneer hij die aan zijn eigen vinger steekt? Even lijkt de drakenman met zichzelf te strijden, dan steekt hij de ring aan de vinger van de bewusteloze vrouw over zijn schouder… een tel later staat alleen Nazhaar nog in de trillende grot.
Fáelán heeft inmiddels de rekensom al gemaakt: er zijn nog vier personen en nog twee ringen. “Grijp de ringen!”, roept hij moedig. “Gaan jullie maar.” Chiara laat het zich geen twee keer zeggen, grist een ring van een gemummificeerde vinger en verdwijnt, hopelijk richting een veiliger locatie. 
Fáelán blijft niet dralen, maar stormt richting zijn enige mogelijke redding. Hij neemt een sprong en werpt zichzelf in de kuil, terwijl een vage fluistering over zijn zenuwen spoelt: “… dood achtervolgt je…” Varlock lijkt meer vertrouwen te hebben in de wapenmakker die hem van zijn kater verloste, dan in de overblijvende ring. De dwerg rent de ridder achterna en springt in het gat terwijl een vaag gelach in zijn oren klinkt.
Nazhaar is als enige overgebleven en weet dat hij snel een keuze moet maken, wil hij niet begraven worden onder het puin. In een halve seconde neemt hij zijn beslissing, springt naar de overblijvende mummie en grijpt de laatste ring. Een ogenblik later wordt de kamer gevuld met puin… maar de drakenman is al verdwenen, richting een onzekere bestemming.

Inmiddels storten Varlock en Fáelán richting een onzekere diepte. Varlock hoort Faélán onder zich schreeuwen en steekt meteen armen en benen uit om zijn val te vertragen. De dwerg ziet schachten en tunnels niet voor het eerst, dus weet al gauw de structuur van de schacht te benutten om zichzelf in een wat meer gecontroleerde valbeweging te brengen.
Fáelán daarentegen valt in zijn harnas als een baksteen naar beneden. Terwijl zijn vingers vruchteloos naar greep zoeken, richt hij een vurig gebed tot Melora om hulp in deze uiterst precaire situatie. Het volgende moment voelt hij een magische trilling om zich heen. Schaduwachtige raven fladderen op en hij voelt zich gesterkt en verhelderd. Terwijl hij de bodem op zich af ziet schieten, kan hij zich nog net aan enkele uitsteeksels vastgrijpen en zo zijn val voldoende afremmen om zich nog in een net iets gunstiger positie te kunnen draaien. Maar de schacht was nog steeds bijzonder diep… Met een keiharde klap landt de ridder op de bodem van de kuil.
Twee tellen later landt Varlock, deerlijk gewond maar nog net in leven, naast hem. Hij strekt een bebloede hand naar zijn kameraad uit, en constateert opgelucht dat die nog ademhaalt. Nét. Hij probeert de kracht te verzamelen om de ridder enige zorg toe te dienen, maar slaagt er ternauwernood in zichzelf overeind te hijsen…