maandag 30 januari 2017

Hoofdstuk 22

De groep verlaat de venomietmijn weer via het Portaal, om het boek van vrouwe Padraig aan een nadere inspectie te gaan onderwerpen. Wanneer ze bovenkomen, bij het prieel in de tuin van het landhuis van de Padraigs, treffen ze echter een onverwachte bezoeker. Hij is net via het Portaal gearriveerd, en staat wat gedesoriënteerd om zich heen te kijken.
Hij stelt zich voor als een professor aan de Magische Academie, deskundig op het gebied van Ketels van Grauwe Oogst en aanverwanten. Nadat Alítih met zo min mogelijk concrete antwoorden onder zijn vragen over haar aanwezigheid in zijn lessen is uitgekronkeld, probeert ze informatie van hem los te krijgen. Hij heeft echter amper de tijd om een paar gegevens te bevestigen, voor hij door een gierend geluid overstemd wordt.
Een suizende pijl boort zich in de borst van de professor. Tot hun afgrijzen kan de groep niets anders doen dan toezien hoe de man zijn laatste adem gebruikt om de Ketel een vrijwillig offer te schenken: hij werpt zichzelf uit eigen beweging in de Ketel, die daarna, zo belooft hij, jarenlang rustig zal blijven.
De onmiddellijke crisis met betrekking tot de Ketel is afgewend, maar de prijs die daarvoor is betaald, was niet bepaald voorzien. Wie is de geheimzinnige schutter? Wie zal hij nog meer viseren? En wat moeten ze met de Ketel, die nu wel rustig is, maar nog altijd liever niet in handen van Khesh mag vallen?
Hun spoedoverleg wordt onderbroken door een woest gebrul. Een razende Khesh landt in Waterzooi en brult haar ongenoegen uit. Nu ze ‘die slappeling van een Estaol’ op zijn donder heeft gegeven, is ze van plan om de eilanden compleet te vernietigen als ze haar zin niet krijgt.
Gerben Padraig stapt naar voor om met haar te onderhandelen, en Chiara sluipt ijlings naderbij om het gesprek af te luisteren. Khesh eist dat Nazhaar aan haar wordt overgedragen, anders verandert ze het hele eiland in een puinhoop. Tot Chiara’s grote verbazing weigert Padraig om op de eisen van Khesh in te gaan. De rosse ranger luistert geroerd hoe hij manmoedig verklaart dat het dorp niet van plan is om zijn helden over te leveren. Ettelijke dorpsbewoners halen de heldendaden van Nazhaar en zijn makkers aan: ze hebben een invasie van orcs afgeslagen, een diepzeemonster bedwongen en wisten de lugubere bedoelingen van een groep cultisten te verijdelen. Hun dankbaarheid is groot genoeg om hen de moed te schenken zich te verzetten tegen een woedende groene draak.
Khesh is zo verbaasd dat ze de onwillige dorpsbewoners niet eens meteen de kop afbijt. Ze sist hen uiteindelijk toe dat ze tot de volgende middag de tijd hebben. Als ze dan nog niet bij zinnen zijn gekomen, zal ze ervoor zorgen dat ze het eiland met de grond gelijk wordt gemaakt.

Terwijl Chiara het gesprek ging afluisteren, heeft de rest van de groep een omtrekkende beweging gemaakt om de schutter in de kraag te grijpen. Wanneer ze de plek waar de schoten vandaan kwamen, naderen, worden ze echter door twee commando’s onder vuur genomen en moeten dekking zoeken.
Chiara komt net op tijd ter plekke aan om te zien hoe haar makkers beschoten worden: vreemde ijzeren figuren hebben postgevat op een open plek in het bos. Eén van hen volgt Chiara’s eigen uitverkoren tactiek en klautert in een boom om zo een beter uitzichtpunt te hebben. De ander, die een wiel heeft in plaats van een been, zwaait met een arm die in een ijsknots is veranderd. “Dood de vijanden van Kara’vakasta!”, schreeuwt hij.
Chiara voelt er niets voor om dat lot te ondergaan en kiest een eigen boom om de schutter van antwoord te dienen met het zoeven van haar pijlen. Hij beschikt echter over een uitstekend gehoor en zodra ze een takje laat kraken, wordt ze onder vuur genomen. De gierende pijl doet haar trommelvliezen pijnlijk daveren en het is in doodse stilte dat ze een zo te zien woedend brullende Nazhaar tevoorschijn ziet komen. De drakenman heeft de reusachtige pijlen verzameld die op hem zijn afgeschoten en slingert ze richting de ijzeren mannen. Hij mist keer op keer, tot hij vlakbij de man onder de boom is gekomen en zijn laatste pijl in diens wiel ramt.
Alítih slingert haar magische vuur naar de wezens die ze herkent als smedelingen, die hun herkomst vinden in het oude rijk Vhalt. Berlinden en Varlock voeren een charge uit en bestoken de wielman, maar die draait als een dolle in het rond, en tracht hen met zijn wiel omver te rijden. Hij blijft uitdagingen schreeuwen: “Brand, met het vuur van de smidse! Het vuur zal zwakkelingen verteren, zodat slechts de krachtigen blijven om Kara’vakasta te dienen!”
Maar dan gebeurt er iets merkwaardigs. Wanneer de smedeling met het wiel een aandachtige blik op Berlinden werpt, staakt hij abrupt zijn aanvallen en spreekt hij schijnbaar vriendschappelijk aan. Berlinden reageert afhoudend, maar schijnt ook niet genegen het gevecht voort te zetten. De smedelingen wensen hem geamuseerd veel succes bij zijn verdere ondernemingen en willen vertrekken. Varlock laat dat niet zomaar gebeuren en weerhoudt ze met de vraag wie in vredesnaam die Kara’vakasta is. Hij krijgt de grinnikende raad om dát maar eens aan Berlinden te vragen.
De smedelingen spurten er vandoor, in zo’n tempo dat alleen de geoefende benen van Chiara hen kunnen bijhouden. Ze ziet dat ze een kamp opslaan bij de bergen, en daar een tijdelijk onderkomen voor zichzelf maken. Ontevreden moet ze constateren dat er niet veel anders op zit dan terug te keren.

Berlinden kan op de vragen over zijn connectie met de smedelingen niet veel informatie geven. Zijn tijd in de Ketel schijnt zijn geheugen te hebben aangetast… of houdt de wilden dingen voor hen achter? De groep weet er niet goed raad mee, maar ze hebben meer aan hun hoofd.
Wat is er toch met Fáelán gebeurd? De plek bij de ineens verschenen boom wordt andermaal onderzocht en Berlinden wijst hen op iets merkwaardigs: een knoest die een zwaardgevest vasthoudt. Het onheilspellende gevoel dat Fáelán hier een duister lot getroffen heeft, wordt groter.

Vrouwe Padraig reageert meteen toeschietelijk op Alítihs vraag naar het boek. Ze vraagt hen echter om hulp bij haar grote probleem: ze heeft het gevoel dat er iets mis met haar is. Haar nachten zijn onrustig en gevuld met duistere beelden. Vooral de laatste nachten is het steeds erger geworden. De groep zegt toe bij haar te waken.
En inderdaad, de nacht is amper gevallen, en de slapende vrouwe Padraig rijst van haar bed op en loopt als een slaapwandelaar naar de bibliotheek. Tenminste… ze lijkt te lopen, maar in werkelijkheid blijkt ze enige centimeters boven de grond te zweven.
De groep kijkt enige tijd verbijsterd toe bij haar acties: ze grijpt het ene boek na het andere en gooit het dan terzijde. Wanneer Varlock er één openslaat, blijken de bladzijden volledig leeg, alsof de woorden door een onbekende kracht zijn opgezogen. Voorzichtig begint de groep zelf onderzoek te doen in de bibiotheek. Vrouwe Padraig negeert hen, tot een verborgen hendel wordt geraakt en een kast wegzwaait.
Vrouwe Padraig zweeft van een trap naar beneden, en de groep volgt haar behoedzaam. Ze wordt onthaald door een stem die verklaart: “Zo, jouw rol als Meesteresse is nu wel uitgespeeld.”
Berlinden voelt de dreiging in die woorden en stormt naar voren. Hij is net op tijd om vrouwe Padraig achter zich te duwen en haar te behoeden voor onthoofding.
Een krijger met een zwaard, geflankeerd door een van de cultisten met verwoest gezicht, wacht de groep op in een ruimte die duidelijk de grafcrypte van de Padraigs is: schedels prijken rondomrond op een verhoogde rand, nissen met mummies kijken beschermend uit over sarcofagen waarin langgestorven lichamen rusten.
Chiara heeft meer respect voor de levenden die hun leven graag willen houden dan voor de doden, en springt op een sarcofaag om haar pijlen te kunnen afvuren op de cultist, terwijl Varlock en Berlinden de zwaardvechter in een hoek drijven. Een verwoed gevecht ontspint zich, tot Berlinden het hoofd van de krijger op een grafzerk weet stuk te slaan en Chiara’s laatste pijl een eind aan het leven van de cultist maakt.
Vrouwe Padraig staat er nog steeds als een slaapwandelaarster bij. De dood van haar poppenspelers heeft er kennelijk niet voor gezorgd dat ze bevrijd is. Nazhaar heeft echter een paars kristal opgeraapt dat uit het gewaad van de cultist tevoorschijn is gerold. Wanneer de helden beseffen dat ze dit moeten vernietigen om de betovering te verbreken, slagen ze er snel in om vrouwe Padraig weer tot zichzelf te brengen.
De crypte blijkt nog andere geheimen te bevatten. Alítih bespeurt een vreemde energie rond één van de opgestelde schedels. Door zich af te stemmen op de magie die hier is bedreven, weet ze het spoor van recente gebeurtenissen te volgen: in één van de sarcofagen rust geen Padraig, maar een vreemd wezen, dat door de cultist en de krijger gedood is. Berlinden kijkt met mededogen naar het schepsel dat lijkt te bestaan uit takken en bladeren, en onthult dat het een arboreaan is. Onmiddellijk verkleurt echter een deel van zijn houtachtige lichaam zwart, alsof hij gestraft wordt voor het verstrekken van deze informatie. Machteloos schudt Berlinden zijn hoofd: hij kan hen niet meer vertellen.
Op het altaar vindt Alítih het boek waar ze voor kwamen: het bevat een afbeelding van de necrosmidse, omringd door de wezens die eruit voortkwamen – de smedelingen, arboreanen en ondoden.
Vrouwe Padraig bedankt de groep, maar lijkt nog steeds bezorgd. Ze kan niet verklaren wat haar is overkomen, maar wel dat er op een gegeven moment een omslag plaatsvond in de macht die haar in zijn greep hield: ineens werd die duisterder. Ze vreest dat er erge dingen te gebeuren staan. De groep kan haar niet helemaal geruststellen, en heeft daar ook geen tijd voor: de afspraak met Irindol wacht.

Na een nacht waarin ze amper slaap hebben gekregen, is het met enige terughoudendheid dat ze het gesprek met Irindol aangaan. De koperen draak die zich voorstelt als ‘de Ambitieuze’ vraagt hen om hun steun bij het verslaan van Khesh. Hij weet de groep helden ervan te overtuigen dat zijn bedoelingen met het eiland positief zijn: hij voelt er niets voor om heerser te zijn van iets minder dan een welvarend eiland. In het licht van Khesh’ steeds verregaandere gedrag stemt de groep ermee in om Irindol terzijde te staan. De draak zal haar bekampen in de lucht, zij moeten zorgen voor grondsteun en afleiding.
Ze zijn zich er maar al te bewust van dat hun acties het lot van het hele eiland ten goede of ten kwade kunnen keren. IJlings halen ze de ballista, die weken eerder verborgen werd, tevoorschijn en zetten die in elkaar. Het lijkt hun beste kans om een tegenstander van het formaat van Khesh enige schade te kunnen toebrengen…
De ochtendzon glanst op de koperen huid van Irindol wanneer die bezitterig over het eiland scheert. Zijn roep klinkt uitdagend, heinde en ver verkondigend dat hij het eiland opeist als het zijne. Heel even is alles onnatuurlijk stil. Dan klinken machtige vleugelslagen en wordt de hemel verduisterd door groen. Khesh is gekomen om haar claim op het eiland te verdedigen.
Vanop de grond kijkt de groep bezorgd toe: de groene draak gloeit gewoonweg. Ze ziet er niet bepaald gezond uit, maar een giftige energie gaat van haar uit. Het is alsof ze zichzelf heeft gedrenkt in venomiet: klaar om zelf ten onder te gaan als het moet, om de overwinning maar niet aan een ander te laten.
Varlock en Berlinden beginnen meteen met het laden en vuren van de ballista. Het is het enige wat de groep kan doen om Irindol bij te staan, die hoog in de lucht door een krijsende Khesh is besprongen. Of niet? Chiara bespeurt groepjes kobolden die katapulten aan het opzetten zijn, duidelijk van plan om Khesh bij te staan. Gevolgd door Alítih rent ze erop af om af te rekenen met deze grondtroepen.
Intussen neemt het gevecht in de lucht in hevigheid toe. Irindol weet Khesh met een krachtige aanval naar beneden te duwen, steeds verder, en het ziet ernaar uit dat de groene draak zal neerstorten. Maar de sluwe groene draak weet hen net op tijd om te wentelen en boven te komen. Ze smakt Irindol tegen de grond en begint hem stevig toe te takelen.
Nazhaar heeft echter precies op zo’n moment gewacht. Hij trekt schreeuwend de aandacht van Khesh en laat haar het ei zien dat hij haar ontstolen had. Met een snel gebaar laadt hij het op een katapult en slingert het de lucht in. Khesh heeft niet eens oog voor de drakenman die ze al zolang in haar klauwen probeert te krijgen. Ze springt de lucht in en probeert haar ei te pakken te krijgen, maar gilt het uit van frustratie wanneer dat niet lukt.
Irindol neemt de gelegenheid te baat om zich te herpakken en zet de aanval opnieuw in. Alítih en Chiara houden met pijlen en magische schichten huis onder de kobolden, die niet zijn opgewassen tegen dat geweld. Varlock en Berlinden laden en vuren zo snel ze kunnen. Maar het lijkt niet genoeg… Irindol dreigt het onderspit te delven tegen de door venomiet versterkte Khesh. Ze verheft zich hoog in de lucht en schreeuwt woest: “Je zult heersen over niéts!” Haar longen vullen zich en met een vreselijke ademstoot brengt ze een gifwolk uit die zich langzaam maar zeker over het hele eiland begint te verspreiden. Irindol probeert die te verspreiden door met zijn vleugels te pompen, maar dat maakt het kwetsbaar voor Khesh, die haar kans schoon ziet.
Varlock bespeurt het gevaar en besluit tot een moedige actie. Hij klimt op de ballista en schreeuwt Berlinden toe om hem af te schieten met pijl en al. De wilden discussieert niet met hem, maar erkent zijn offervaardigheid en vuurt de ballisat af. De dwergenprins suist door de lucht, zijn bijl geheven. Alle kracht en hoop van de dwergen lijken zijn arm te versterken wanneer hij Khesh raakt met een verpletterende, reusachtige klap, die diep op haar inhakt. De weerslag doet hem echter naar beneden tuimelen, een zekere dood tegemoet.
Een koperen waas schiet voorbij en schept Varlock in de lucht. Irindol heeft de heldhaftige dwerg gegrepen en raast met hem voorbij Khesh, zodat hij nogmaals zijn bijl kan zwaaien en haar verderfelijke vlees doorklieven. Irindol heeft amper tijd om Varlock weer aan de grond te zetten, voor hij andermaal door Khesh wordt besprongen.
Het is Nazhaars beurt om zich met ware doodsverachting in de strijd te werpen. Onverschrokken trekt hij de aandacht van de draak. “Hier ben ik, zocht je mij niet? En deze?” Hij haalt de Ketel tevoorschijn en zwaait hem uitdagend boven zijn hoofd.
Getergd tot het uiterste stort Khesh zich op hem maar Nazhaar weet zich met een snelle beweging onder haar te rollen. Ze is al dodelijk gewond, maar doet een ultieme poging om de drakenman met haar mee de dood in te nemen. Hij is echter sneller: zijn bijl vindt haar onbeschermde buik en de groene draak stort levensloos ter aarde, haar paranoia eindelijk bewaarheid.
Grote koperen vleugels blijven werken, tot de groene wolk verdwenen is. Het eiland Irindol haalt verlicht adem.

maandag 16 januari 2017

Hoofdstuk 21

Alítih doordringt de rest ervan dat ze snel moeten handelen. De Thura die Fáelán zogenaamd welwillend onder haar hoede heeft genomen, is niemand anders dan de beruchte Meesteresse van de cultisten die hen al zolang ontglipt. Wanneer ze het spoor van de ridder en de geest volgen, is er echter niets te bekennen: de voetsporen eindigen bij een eenzame boom. Chiara fronst haar wenkbrauwen: ze kent het eiland als haar broekzak en deze boom stond er eerder niet.
Veel tijd om over de implicaties daarvan na te denken, is er niet. De woedende kreten van een groene draak schallen over het eiland. De groep laat het mysterie van de boom noodgedwongen achter en rent naar Waterzooi om zich te verschansen. Hun passen zijn echter niets in vergelijking met de vleugelslagen van Khesh, die hen passeert zonder hen zelfs maar op te merken en alom vernietiging spuwt.
Alítih passeert tot haar ontzetting het ingestorte huisje van kruidenvrouw Halci, wiens ontzielde lichaam onder de brokstukken ligt. In Waterzooi is de ravage nog groter: een deel van de herberg is ingestort, de gevangenis is vernield en de dokken zijn volledig in puin. De groep beseft dat er iets moet gebeuren, maar wat? Chiara probeert Nazhaar vergeefs van zijn roekeloze plan te weerhouden: hij wil met de woedende draak gaan praten. De drakenman schudt haar bezorgde hand minachtend van zich af en stapt naar voren, Khesh’ naam bulderend.
De draak is even van haar à propos bij deze onbeschaamde daad. Net lang genoeg voor Nazhaar om het idee in haar hoofd te planten dat de Ketel gestolen is door Estaol, die snode plannen tegen haar beraamt. Handig inspelend op de paranoia van de groene draak weet hij Khesh zowaar te overtuigen van zijn toewijding aan haar, en Estaols verraderlijke acties. Khesh verheft zich in de lucht en spoedt zich naar Estaols eiland.
Even respijt, maar voor hoe lang?

Nazhaar is nu helemaal niet meer te houden. Hij heeft bedacht dat de beste manier om Khesh in bedwang te houden een van haar eieren is. En wat is een beter moment om er een te gaan stelen dan nu, nu ze zelf in elk geval niet in haar nest zit? De rest van de groep staart hem verbijsterd aan en wil part noch deel aan dit plan hebben. Ook Chiara is er niet voor te porren: ze heeft zelf aan den lijve ondervonden dat een draak het al ruikt wanneer je zelfs maar even een ei aanraakt!

Terwijl Nazhaar onverschrokken alleen op pad gaat, gaan Chiara en Varlock op zoek naar de gevangenen: vrouwe Serusa heeft van de vernielingen gebruik gemaakt om snel de vlucht te nemen. Alítih bekommert zich intussen over het lichaam van haar vriendin Halci, voor wie ze helaas niets kan doen. Wanneer die droeve taak achter de rug is, gaat ze bladeren tussen de boeken van Halci. Ze heeft een gevoel dat er iets vreemds is met de boom die op de klif stond waar Fáelán is verdwenen. Haar ongerichte zoeken levert helaas niets op tegen de tijd dat Varlock en Chiara haar komen halen. Ze hebben de sporen van de gevluchte gevangenen gevolgd en die leidden naar de herberg. De tovenares laat met spijt de boeken achter en komt hen bijstaan. 

In de herberg is een nood-ziekenboog ingeruimd. Vrouwe Padraig en haar man proberen orde te creëren en staan de gewonden bij waar ze kunnen. Van vrouwe Serusa is geen spoor, al is aan haar voormalige vertrekken te zien dat die doorzocht zijn.
Een nieuwe zorg dient zich aan. Hebben de vernielingen van de herberg de kapiteinshut beschadigd waar ze de Ketel hebben opgeborgen? Chiara posteert Alítih en Varlock elk aan een kant van de bar en probeert zelf zo onopvallend mogelijk het geheime luik te openen. Die moeite is tevergeefs: zodra ze het op een kiertje opent, wordt ze naar achteren geblazen en slaat het luik helemaal open. Een stroom van zombies, een wraith, en een man die gemaakt lijkt uit bast en schors stormen naar boven.
Chiara schudt haar verrassing van zich af en landt met een lenige sprong bovenop de bar, terwijl ze in een moeite door haar zwaard trekt. Ze hakt op de basthuid van de vreemde man in, die haar slag niet pareert. Hij raspt alleen ‘wij zijn jullie vijand niet’ en achtervolgt de wraith die de kamer met gewonden in zweeft. Chiara glijdt over de bar naar de plek waar herbergier Turnwell zit te beven en doorsteekt de zombies die hem proberen te grijpen. Intussen schreeuwt ze Varlock toe dat hij het luik weer dicht moet klappen.
Varlock, kroonprins der dwergen, is dit plan niet ongenegen, maar het is makkelijker gezegd dan gedaan, aangezien het luik uit zijn hengsels is geblazen. Het lijkt hem echter verstandig om de stroom wezens zo goed mogelijk in te dammen. Hij stormt op de opening toe en probeert de zombies te bedwingen. Met zijn zware schild bonkt hij een van hen krakend de schedel in en duwt hem terug tussen zijn kameraden. Zijn bijl velt een tweede, maar het wezen hijst zich kreunend weer overeind en herschikt zijn botten. In de diepte onder het luik ziet Varlock een afschrikwekkende werkelijkheid: de Ketel van Grauwe Oogst spuwt steeds meer zombies uit, sommigen van hen gewapend met vreemde klodders groen die ze naar de groep toe slingeren.
Alítih ziet de wraith naar de gewonden zweven, waar hij de levenskracht uit één van hen slurpt en een kleinere versie van zichzelf creëert. Ze maakt zich klaar om het wezen met haar spreuken te lijf te gaan, maar ziet dan tot haar verrassing dat de boomachtige man, die ze herkent als een ‘wilden’, zich op de wraith heeft gestort. Ze vertrouwt instinctief dit wezen dat haar herinnert aan de feywild-dimensie waar ze mee verbonden is. Wanneer hij door twee grote zombies aangevallen wordt, bundelt de tovenares haar krachten met die van de wilden en laat haar tovenaarsvuur op de ondoden los.
Ondanks de onverwachte steun blijft het een ongelijke strijd. De Ketel blijft maar nieuwe aanvallers spuwen. Varlocks bijl vliegt keer op keer terug naar de hand van zijn meester, onderweg zombiebotten doorklievend, maar het is niet genoeg. Chiara glijdt heen en weer over de bar en vuurt haar pijlen af, maar de stroom is niet te stuiten. Zombies komen uit het luik naar boven, kruipen over de bar en dreigen de groep te overweldigen. De wraith onttrekt zich aan aanvallen door onzichtbaar te worden en weer op te duiken, zodat de wilden de grootste moeite heeft om hem vast te pinnen. Intussen krijgt hij zware klappen te verwerken van de zombies, en hoewel die hem in aanvang amper lijken te deren, beginnen uiteindelijk zelfs zijn krachten te tanen. Hij roept een klein elfachtig wezentje tevoorschijn dat zich op de kleinere wraith richt, maar meer dan dat wezen bezighouden, kan het niet doen.
De deur van de herberg klapt open en Nazhaar stapt binnen te midden van de chaos. Net op tijd om de wraith te zien verschijnen en dreigend naar een gewonde zweven. De drakenman aarzelt niet, en voert meteen een charge uit. Zijn drakenadem spuwt vernietiging, maar andermaal verdwijnt het wezen. Nazhaar laat zich echter niet uit het lood slaan, hij grijpt zijn drietand stevig beet en wacht af tot hij er weer een glimp van opvangt. Achter zich hoort hij voetstappen, iemand die naar de deur komt. Een aanval in de rug? De voormalige kapitein slaat twee vliegen in één klap wanneer hij erin slaagt de wraith naar buiten te jagen. Een hoge, geaffecteerde stem klinkt boos op, maar wordt dan in een gil gesmoord.
Intussen is de wilden terug naar het luik gerend. Hij slingert zich over de bar en stort zich naar beneden, de Kapiteinshut in. Daar staat de Ketel te midden van de ravage te spuwen. De wilden aarzelt niet en grijpt de Ketel met beide handen vast. In tegenstelling tot de desastreuze gevolgen die zo’n actie eerder bij Nazhaar had, gebeurt er nu iets heel anders: “Het offer biedt zichzelf aan”, zingt de Ketel monotoon. Na een paar ogenblikken stilte sluit de Ketel zichzelf af en houdt de stroom zombies op.
De groep weet met de rest van de zombies af te rekenen, terwijl Chiara, een rood waas voor haar ogen, naar buiten stormt. Ze hoorde de stem van haar kwelgeest Serusa, ze weet het zeker! Vóór de herberg wacht haar een bizar zicht: Serusa, met ogen die zwart zijn geworden, bezeten door de wraith. Chiara heft met een gevoel van onvermijdelijkheid en genoegen haar boog en vuurt pijlen af tot zowel de adellijke drakenvrouw als de wraith haar niet langer zullen kunnen kwellen.

Wanneer de rust wat is weergekeerd, trekt de groep zich mét de Ketel en de wilden terug om overleg te plegen. De wilden stelt zich voor als Berlinden, en laat zich dan op een knie voor Alítih zakken, een bladerenmantel om hem heen. Hij biedt de eladrin tovenares zijn diensten, alsof het voor hem de natuurlijkste zaak ter wereld is. Alítih aarzelt even, maar aanvaardt dan zijn dienstbaarheid.
Zodra Berlinden zijn handen van de Ketel van Grauwe Oogst afhaalt, begint die weer eisend te trillen. Hij kan de Ketel niet voor eeuwig blijven vasthouden, dus op de een of andere manier moeten ze het kunststukje herhalen dat ze eerder samen met de Shadar-Qai wisten te volbrengen en de Ketel opnieuw verzegelen. Alítih beseft dat ze dat in haar eentje niet voor elkaar zal krijgen en de groep trekt naar de toren van de tovenaar. Die bekijkt de groep met onwelgevallig oog en heeft alleen voor Chiara een paar vriendelijke woorden over. Hij laat zich weliswaar overhalen om een poging te doen om de Ketel te bedwingen, maar het mag niet baten: zijn krachten reiken niet zo ver.
Een nieuw plan wordt gesmeed: de Ketel mag onder geen beding in handen van een draak vallen… de enige zekere manier om daarvoor te zorgen, zoveel is duidelijk, is niet om de Ketel te verbergen, maar om hem te vernietigen. De Ketel moet naar een necrosmidse van Vhalt. Wanneer iedereen de stukjes en beetjes kennis samenvoegt die ze inmiddels al over deze mysterieuze plek hebben opgedaan, komen ze tot één conclusie: er zou zich weleens een necrosmidse kunnen bevinden onder de venomietmijn. 

Het Portaal brengt hen snel naar de plaats waar ze willen zijn, maar ter plekke is minder te vinden dan ze hadden gehoopt. Het zwarte gordijn waar de groep doorheen viel toen ze Alítih kwamen redden van de cultisten hangt er nog, maar gescheurd. Verder is er geen spoor van de plek die ze zoeken. Na enig gefrustreerd speuren dat niets oplevert, herinnert Alítih zich een boek dat vrouwe Padraig haar een keer liet zien: een verslag van de plek die hier ooit gevestigd was, de werkplaats van een machtige eladrin tovenares die hier ooit ondoden, smedelingen en arboreanen schiep. Misschien dat in dat boekwerk wel méér te vinden is…