De groep verlaat de venomietmijn weer via het Portaal, om
het boek van vrouwe Padraig aan een nadere inspectie te gaan onderwerpen.
Wanneer ze bovenkomen, bij het prieel in de tuin van het landhuis van de
Padraigs, treffen ze echter een onverwachte bezoeker. Hij is net via het
Portaal gearriveerd, en staat wat gedesoriënteerd om zich heen te kijken.
Hij stelt zich voor als een professor aan de Magische
Academie, deskundig op het gebied van Ketels van Grauwe Oogst en aanverwanten.
Nadat Alítih met zo min mogelijk concrete antwoorden onder zijn vragen over
haar aanwezigheid in zijn lessen is uitgekronkeld, probeert ze informatie van
hem los te krijgen. Hij heeft echter amper de tijd om een paar gegevens te
bevestigen, voor hij door een gierend geluid overstemd wordt.
Een suizende pijl boort zich in de borst van de professor.
Tot hun afgrijzen kan de groep niets anders doen dan toezien hoe de man zijn
laatste adem gebruikt om de Ketel een vrijwillig offer te schenken: hij werpt
zichzelf uit eigen beweging in de Ketel, die daarna, zo belooft hij, jarenlang
rustig zal blijven.
De onmiddellijke crisis met betrekking tot de Ketel is
afgewend, maar de prijs die daarvoor is betaald, was niet bepaald voorzien. Wie
is de geheimzinnige schutter? Wie zal hij nog meer viseren? En wat moeten ze
met de Ketel, die nu wel rustig is, maar nog altijd liever niet in handen van
Khesh mag vallen?
Hun spoedoverleg wordt onderbroken door een woest gebrul.
Een razende Khesh landt in Waterzooi en brult haar ongenoegen uit. Nu ze ‘die
slappeling van een Estaol’ op zijn donder heeft gegeven, is ze van plan om de
eilanden compleet te vernietigen als ze haar zin niet krijgt.
Gerben Padraig stapt naar voor om met haar te onderhandelen,
en Chiara sluipt ijlings naderbij om het gesprek af te luisteren. Khesh eist
dat Nazhaar aan haar wordt overgedragen, anders verandert ze het hele eiland in
een puinhoop. Tot Chiara’s grote verbazing weigert Padraig om op de eisen van
Khesh in te gaan. De rosse ranger luistert geroerd hoe hij manmoedig verklaart
dat het dorp niet van plan is om zijn helden over te leveren. Ettelijke dorpsbewoners
halen de heldendaden van Nazhaar en zijn makkers aan: ze hebben een invasie van
orcs afgeslagen, een diepzeemonster bedwongen en wisten de lugubere bedoelingen
van een groep cultisten te verijdelen. Hun dankbaarheid is groot genoeg om hen
de moed te schenken zich te verzetten tegen een woedende groene draak.
Khesh is zo verbaasd dat ze de onwillige dorpsbewoners niet
eens meteen de kop afbijt. Ze sist hen uiteindelijk toe dat ze tot de volgende
middag de tijd hebben. Als ze dan nog niet bij zinnen zijn gekomen, zal ze
ervoor zorgen dat ze het eiland met de grond gelijk wordt gemaakt.
Terwijl Chiara het gesprek ging afluisteren, heeft de rest
van de groep een omtrekkende beweging gemaakt om de schutter in de kraag te
grijpen. Wanneer ze de plek waar de schoten vandaan kwamen, naderen, worden ze
echter door twee commando’s onder vuur genomen en moeten dekking zoeken.
Chiara komt net op tijd ter plekke aan om te zien hoe haar
makkers beschoten worden: vreemde ijzeren figuren hebben postgevat op een open
plek in het bos. Eén van hen volgt Chiara’s eigen uitverkoren tactiek en
klautert in een boom om zo een beter uitzichtpunt te hebben. De ander, die een
wiel heeft in plaats van een been, zwaait met een arm die in een ijsknots is
veranderd. “Dood de vijanden van Kara’vakasta!”, schreeuwt hij.
Chiara voelt er niets voor om dat lot te ondergaan en kiest
een eigen boom om de schutter van antwoord te dienen met het zoeven van haar
pijlen. Hij beschikt echter over een uitstekend gehoor en zodra ze een takje
laat kraken, wordt ze onder vuur genomen. De gierende pijl doet haar
trommelvliezen pijnlijk daveren en het is in doodse stilte dat ze een zo te
zien woedend brullende Nazhaar tevoorschijn ziet komen. De drakenman heeft de
reusachtige pijlen verzameld die op hem zijn afgeschoten en slingert ze richting
de ijzeren mannen. Hij mist keer op keer, tot hij vlakbij de man onder de boom
is gekomen en zijn laatste pijl in diens wiel ramt.
Alítih slingert haar magische vuur naar de wezens die ze
herkent als smedelingen, die hun herkomst vinden in het oude rijk Vhalt.
Berlinden en Varlock voeren een charge uit en bestoken de wielman, maar die
draait als een dolle in het rond, en tracht hen met zijn wiel omver te rijden. Hij
blijft uitdagingen schreeuwen: “Brand, met het vuur van de smidse! Het vuur zal
zwakkelingen verteren, zodat slechts de krachtigen blijven om Kara’vakasta te
dienen!”
Maar dan gebeurt er iets merkwaardigs. Wanneer de smedeling
met het wiel een aandachtige blik op Berlinden werpt, staakt hij abrupt zijn
aanvallen en spreekt hij schijnbaar vriendschappelijk aan. Berlinden reageert
afhoudend, maar schijnt ook niet genegen het gevecht voort te zetten. De smedelingen
wensen hem geamuseerd veel succes bij zijn verdere ondernemingen en willen vertrekken.
Varlock laat dat niet zomaar gebeuren en weerhoudt ze met de vraag wie in
vredesnaam die Kara’vakasta is. Hij krijgt de grinnikende raad om dát maar eens
aan Berlinden te vragen.
De smedelingen spurten er vandoor, in zo’n tempo dat alleen
de geoefende benen van Chiara hen kunnen bijhouden. Ze ziet dat ze een kamp
opslaan bij de bergen, en daar een tijdelijk onderkomen voor zichzelf maken.
Ontevreden moet ze constateren dat er niet veel anders op zit dan terug te
keren.
Berlinden kan op de vragen over zijn connectie met de
smedelingen niet veel informatie geven. Zijn tijd in de Ketel schijnt zijn
geheugen te hebben aangetast… of houdt de wilden dingen voor hen achter? De
groep weet er niet goed raad mee, maar ze hebben meer aan hun hoofd.
Wat is er toch met Fáelán gebeurd? De plek bij de ineens
verschenen boom wordt andermaal onderzocht en Berlinden wijst hen op iets merkwaardigs:
een knoest die een zwaardgevest vasthoudt. Het onheilspellende gevoel dat
Fáelán hier een duister lot getroffen heeft, wordt groter.
Vrouwe Padraig reageert meteen toeschietelijk op Alítihs
vraag naar het boek. Ze vraagt hen echter om hulp bij haar grote probleem: ze
heeft het gevoel dat er iets mis met haar is. Haar nachten zijn onrustig en
gevuld met duistere beelden. Vooral de laatste nachten is het steeds erger
geworden. De groep zegt toe bij haar te waken.
En inderdaad, de nacht is amper gevallen, en de slapende
vrouwe Padraig rijst van haar bed op en loopt als een slaapwandelaar naar de
bibliotheek. Tenminste… ze lijkt te lopen, maar in werkelijkheid blijkt ze
enige centimeters boven de grond te zweven.
De groep kijkt enige tijd verbijsterd toe bij haar acties:
ze grijpt het ene boek na het andere en gooit het dan terzijde. Wanneer Varlock
er één openslaat, blijken de bladzijden volledig leeg, alsof de woorden door
een onbekende kracht zijn opgezogen. Voorzichtig begint de groep zelf onderzoek
te doen in de bibiotheek. Vrouwe Padraig negeert hen, tot een verborgen hendel
wordt geraakt en een kast wegzwaait.
Vrouwe Padraig zweeft van een trap naar beneden, en de groep
volgt haar behoedzaam. Ze wordt onthaald door een stem die verklaart: “Zo, jouw
rol als Meesteresse is nu wel uitgespeeld.”
Berlinden voelt de dreiging in die woorden en stormt naar
voren. Hij is net op tijd om vrouwe Padraig achter zich te duwen en haar te
behoeden voor onthoofding.
Een krijger met een zwaard, geflankeerd door een van de
cultisten met verwoest gezicht, wacht de groep op in een ruimte die duidelijk
de grafcrypte van de Padraigs is: schedels prijken rondomrond op een verhoogde
rand, nissen met mummies kijken beschermend uit over sarcofagen waarin
langgestorven lichamen rusten.
Chiara heeft meer respect voor de levenden die hun leven
graag willen houden dan voor de doden, en springt op een sarcofaag om haar
pijlen te kunnen afvuren op de cultist, terwijl Varlock en Berlinden de zwaardvechter
in een hoek drijven. Een verwoed gevecht ontspint zich, tot Berlinden het hoofd
van de krijger op een grafzerk weet stuk te slaan en Chiara’s laatste pijl een
eind aan het leven van de cultist maakt.
Vrouwe Padraig staat er nog steeds als een
slaapwandelaarster bij. De dood van haar poppenspelers heeft er kennelijk niet
voor gezorgd dat ze bevrijd is. Nazhaar heeft echter een paars kristal
opgeraapt dat uit het gewaad van de cultist tevoorschijn is gerold. Wanneer de
helden beseffen dat ze dit moeten vernietigen om de betovering te verbreken,
slagen ze er snel in om vrouwe Padraig weer tot zichzelf te brengen.
De crypte blijkt nog andere geheimen te bevatten. Alítih
bespeurt een vreemde energie rond één van de opgestelde schedels. Door zich af
te stemmen op de magie die hier is bedreven, weet ze het spoor van recente
gebeurtenissen te volgen: in één van de sarcofagen rust geen Padraig, maar een vreemd
wezen, dat door de cultist en de krijger gedood is. Berlinden kijkt met
mededogen naar het schepsel dat lijkt te bestaan uit takken en bladeren, en
onthult dat het een arboreaan is. Onmiddellijk verkleurt echter een deel van
zijn houtachtige lichaam zwart, alsof hij gestraft wordt voor het verstrekken
van deze informatie. Machteloos schudt Berlinden zijn hoofd: hij kan hen niet
meer vertellen.
Op het altaar vindt Alítih het boek waar ze voor kwamen: het
bevat een afbeelding van de necrosmidse, omringd door de wezens die eruit
voortkwamen – de smedelingen, arboreanen en ondoden.
Vrouwe Padraig bedankt de groep, maar lijkt nog steeds
bezorgd. Ze kan niet verklaren wat haar is overkomen, maar wel dat er op een
gegeven moment een omslag plaatsvond in de macht die haar in zijn greep hield:
ineens werd die duisterder. Ze vreest dat er erge dingen te gebeuren staan. De groep
kan haar niet helemaal geruststellen, en heeft daar ook geen tijd voor: de
afspraak met Irindol wacht.
Na een nacht waarin ze amper slaap hebben gekregen, is het
met enige terughoudendheid dat ze het gesprek met Irindol aangaan. De koperen
draak die zich voorstelt als ‘de Ambitieuze’ vraagt hen om hun steun bij het
verslaan van Khesh. Hij weet de groep helden ervan te overtuigen dat zijn bedoelingen
met het eiland positief zijn: hij voelt er niets voor om heerser te zijn van
iets minder dan een welvarend eiland. In het licht van Khesh’ steeds
verregaandere gedrag stemt de groep ermee in om Irindol terzijde te staan. De draak
zal haar bekampen in de lucht, zij moeten zorgen voor grondsteun en afleiding.
Ze zijn zich er maar al te bewust van dat hun acties het lot
van het hele eiland ten goede of ten kwade kunnen keren. IJlings halen ze de
ballista, die weken eerder verborgen werd, tevoorschijn en zetten die in
elkaar. Het lijkt hun beste kans om een tegenstander van het formaat van Khesh
enige schade te kunnen toebrengen…
De ochtendzon glanst op de koperen huid van Irindol wanneer
die bezitterig over het eiland scheert. Zijn roep klinkt uitdagend, heinde en
ver verkondigend dat hij het eiland opeist als het zijne. Heel even is alles
onnatuurlijk stil. Dan klinken machtige vleugelslagen en wordt de hemel
verduisterd door groen. Khesh is gekomen om haar claim op het eiland te
verdedigen.
Vanop de grond kijkt de groep bezorgd toe: de groene draak
gloeit gewoonweg. Ze ziet er niet bepaald gezond uit, maar een giftige energie
gaat van haar uit. Het is alsof ze zichzelf heeft gedrenkt in venomiet: klaar
om zelf ten onder te gaan als het moet, om de overwinning maar niet aan een
ander te laten.
Varlock en Berlinden beginnen meteen met het laden en vuren
van de ballista. Het is het enige wat de groep kan doen om Irindol bij te
staan, die hoog in de lucht door een krijsende Khesh is besprongen. Of niet? Chiara
bespeurt groepjes kobolden die katapulten aan het opzetten zijn, duidelijk van
plan om Khesh bij te staan. Gevolgd door Alítih rent ze erop af om af te
rekenen met deze grondtroepen.
Intussen neemt het gevecht in de lucht in hevigheid toe.
Irindol weet Khesh met een krachtige aanval naar beneden te duwen, steeds
verder, en het ziet ernaar uit dat de groene draak zal neerstorten. Maar de
sluwe groene draak weet hen net op tijd om te wentelen en boven te komen. Ze
smakt Irindol tegen de grond en begint hem stevig toe te takelen.
Nazhaar heeft echter precies op zo’n moment gewacht. Hij trekt
schreeuwend de aandacht van Khesh en laat haar het ei zien dat hij haar
ontstolen had. Met een snel gebaar laadt hij het op een katapult en slingert
het de lucht in. Khesh heeft niet eens oog voor de drakenman die ze al zolang
in haar klauwen probeert te krijgen. Ze springt de lucht in en probeert haar ei
te pakken te krijgen, maar gilt het uit van frustratie wanneer dat niet lukt.
Irindol neemt de gelegenheid te baat om zich te herpakken en
zet de aanval opnieuw in. Alítih en Chiara houden met pijlen en magische
schichten huis onder de kobolden, die niet zijn opgewassen tegen dat geweld.
Varlock en Berlinden laden en vuren zo snel ze kunnen. Maar het lijkt niet
genoeg… Irindol dreigt het onderspit te delven tegen de door venomiet
versterkte Khesh. Ze verheft zich hoog in de lucht en schreeuwt woest: “Je zult
heersen over niéts!” Haar longen vullen zich en met een vreselijke ademstoot
brengt ze een gifwolk uit die zich langzaam maar zeker over het hele eiland
begint te verspreiden. Irindol probeert die te verspreiden door met zijn
vleugels te pompen, maar dat maakt het kwetsbaar voor Khesh, die haar kans
schoon ziet.
Varlock bespeurt het gevaar en besluit tot een moedige actie.
Hij klimt op de ballista en schreeuwt Berlinden toe om hem af te schieten met
pijl en al. De wilden discussieert niet met hem, maar erkent zijn
offervaardigheid en vuurt de ballisat af. De dwergenprins suist door de lucht,
zijn bijl geheven. Alle kracht en hoop van de dwergen lijken zijn arm te
versterken wanneer hij Khesh raakt met een verpletterende, reusachtige klap,
die diep op haar inhakt. De weerslag doet hem echter naar beneden tuimelen, een
zekere dood tegemoet.
Een koperen waas schiet voorbij en schept Varlock in de
lucht. Irindol heeft de heldhaftige dwerg gegrepen en raast met hem voorbij
Khesh, zodat hij nogmaals zijn bijl kan zwaaien en haar verderfelijke vlees
doorklieven. Irindol heeft amper tijd om Varlock weer aan de grond te zetten,
voor hij andermaal door Khesh wordt besprongen.
Het is Nazhaars beurt om zich met ware doodsverachting in de
strijd te werpen. Onverschrokken trekt hij de aandacht van de draak. “Hier ben
ik, zocht je mij niet? En deze?” Hij haalt de Ketel tevoorschijn en zwaait hem
uitdagend boven zijn hoofd.
Getergd tot het uiterste stort Khesh zich op hem maar
Nazhaar weet zich met een snelle beweging onder haar te rollen. Ze is al
dodelijk gewond, maar doet een ultieme poging om de drakenman met haar mee de
dood in te nemen. Hij is echter sneller: zijn bijl vindt haar onbeschermde buik
en de groene draak stort levensloos ter aarde, haar paranoia eindelijk
bewaarheid.
Grote koperen vleugels blijven werken, tot de groene wolk
verdwenen is. Het eiland Irindol haalt verlicht adem.