Hij wenkt Azazel terzijde en begint een gesprekje met de
tiefling. Vanachter de bar ziet Chiara dat dat binnen de kortste keren
ontaardt: de drakenman grijpt zijn bijl en wil Azazel te lijf gaan. De gezant
van de Vost Miraj blijft er aanvankelijk kalm onder, maar slaat dan zijn mouwen
terug en onthult twee glanzende dolken. Chiara schiet naar het donkere hoekje
en grijpt ze allebei beet. Geen gedoe in haar herberg! De twee mannen negeren
haar tot haar grote woede echter en schudden haar zo van zich af. Varlock, die
zijn rustige drinkplekje in gevaar ziet komen, schraapt dreigend zijn keel en
reikt naar zijn hamer.
Alítih komt poolshoogte nemen, maar krijgt van Nazhaar niet
méér uitleg dan ‘hij is geen agent – vertrouw me’. Ook Fáelán merkt dat Nazhaar
weer eens voor herrie aan het zorgen is en komt toegesneld. De ridder is niet
genegen hem zondermeer een schijnbaar onschuldige man te laten neerhakken, maar
heeft anderzijds ook niet veel sympathie voor deze vertegenwoordiger van het keizerrijk.
Uiteindelijk is het een dreigement van Azazel dat de boel bekoelt. Hij sommeert
de drakenman hooghartig om onmiddellijk zijn wapen neer te leggen, tenzij hij
wil dat “Nozarks bescherming opgeheven wordt”. Nazhaar verstijft, laat zijn
bijl zakken en laat zich wegleiden, terwijl Azazel luchtig zijn kleren afklopt.
Chiara verzamelt iedereen op een rustig plekje en eist
uitleg over de stampij in haar herberg. Nazhaar vertelt wat onwillig dat hij
zelf een agent van de Vost Miraj is. Hij was gewaarschuwd dat één van de
agenten die zouden arriveren op de archipel, een valse agent zou zijn. Azazel
had hem verteld over de andere twee agenten – een tweede tiefling, zijn broer
Mordekai op Marzark, en een drakenman op Estaol, maar hem daarna ook een
opdracht gegeven die onmogelijk kon kloppen. Hieruit had Nazhaar geconcludeerd
dat Azazel de spion moest zijn. Zijn opdracht luidde om bij het minste of geringste
vermoeden daarvan de valse agent om het leven te brengen, en hem zéker geen
informatie in handen te spelen over de scheepsrampen.
De groep is wat sceptisch, maar gelooft uiteindelijk
Nazhaars verhaal wel. Alleen zien ze niet meteen een reden om zonder verder
bewijs maar meteen de tiefling om zeep te helpen.
Wanneer ze terugkeren in de herberg, worden ze opgewacht
door vrouwe Padraig: zij zal Azazel, die niet langer in de herberg wenst te
verblijven, onderdak bieden. Ze meldt dat het Tribuut enige dagen is
uitgesteld, maar dat Khesh een verontrustende wens heeft: ze wil Nazhaar en ‘de
eladrin tovenares’ spreken. Nazhaar zucht alleen maar, maar Alítih ziet er
meteen bezorgd uit – heeft de draak ontdekt dat ze haar een valse ketel hebben
gegeven? Vrouwe Padraig sommeert hen de volgende morgen uitleg te komen geven
en vertrekt met Azazel.
De groep bespreekt de situatie. Khesh is een groot probleem,
maar niet het meest directe: ook vrouwe Padraig heeft enige achterdocht gewekt.
Ze loopt wel heel vriendelijk met de wellicht valse agent te smoezen… en er is
nog steeds het raadsel van de geheimzinnige ‘meesteresse’ van de sekte die haar
stem vervormde om niet herkend te worden. Zijn deze twee één en dezelfde
persoon?
Chiara sluipt naar huize Padraig om te proberen de twee af
te luisteren en klautert tegen een klimplant op om haar oor bij verschillende
ramen te luisteren te leggen. Helaas hoort ze niet veel meer dan Padraig die
klaagt over vreselijke hoofdpijn en zijn vrouw die belooft een drankje voor hem
te bereiden. Uit de kamer van de tiefling hoort ze alleen wat gezang, waarna
het licht uitgaat en hij kennelijk gaat slapen.
Onverrichterzake keert ze terug naar de herberg. Het
noodweer is goed losgebroken en ze arriveert compleet doorweekt. Wanneer ze
zich heeft omgekleed deelt ze haar bevindingen met de groep. Ze bespreken wat
hen te doen staat, maar antwoorden liggen niet meteen voor het grijpen.
De bliksem wordt intussen steeds heftiger, en de groep
krijgt het gevoel dat er iets onnatuurlijks aan de hand is. Wanneer ze naar
buiten kijken, zien ze een noodsignaal van Marzark komen. Ze besluiten
poolshoogte te gaan nemen – alleen: hoe komen ze daar? De zee is immers
onbevaarbaar. Dan herinneren ze zich de geheime tunnel van de kobolden van
Marzark: wellicht kunnen ze die benutten?
Chiara, die net weer warm en droog was, neemt met enige
tegenzin de leiding en leidt de groep terug naar de plek waar ze enige weken
geleden een ballista onklaar hebben gemaakt. De tunnel blijkt er nog steeds te
zijn, en ze duiken erin. Ze komen echter niet ver voor ze stuiten op een bende
boze kobolden. Al het soebatten van de groep dat ze reageerden op een noodsignaal
levert niks op: Nazhaar wordt andermaal uitverkoren als de man die alles mag
gaan uitleggen. Marzark bekijkt de drakenman met zijn groene schub met
welgevallig oog. Ze offreert hem een rode schub als pendant en hij accepteert
die wijselijk. Met de mededeling dat hij zich maar bij haar moet vervoegen als
hij vijf verschillende kleuren heeft verzameld, laat Marzark de Kunstzinnige
hem weer gaan.
De groep ginnegapt wat over Nazhaars succes bij de
drakendames en zet de tocht dan verder. Varlock, voorop met getrokken hamer,
voelt ineens de grond onder zijn voeten beven. Hij schreeuwt de groep toe om op
een afstand te blijven – het is alsof de aardbeving door hem wordt
aangetrokken. Een ogenblik aarzeling en zijn makkers zijn te laat om hem weg te
trekken: de dwerg wordt bedolven onder een lawine.
Fáelán en Nazhaar snellen naderbij om hem te bevrijden
vanonder de steenbrokken. Chiara en Alítih richten zich inmiddels op de
beweging die ze zien op de steenhoop: aard-elementalen bewegen daar dreigend.
Langs de tunnel naar Marzark spoelt inmiddels snel zeewater binnen: als ze hier
al te lang blijven treuzelen, staan de tunnels straks helemaal onder water!
Chiara’s pijlen en Alítih’s magische uitbarstingen hebben
onverwacht resultaat: neergestorte aard-elementalen stromen in het water naar
elkaar toe en vormen nieuwe, nog dreigender wezens. Eén van hen werpt zich als
een modderstroom bovenop Fáelán en de ridder moet al zijn kracht gebruiken om
zich weer los te werken.
Intussen doet ook Varlock zelf verwoede pogingen om zichzelf
te bevrijden. Chiara weet zich al schietend een weg naar hem toe te banen, en
onderzoekt de steenhoop. Ze weet een kleine doorgang te vinden en geeft Varlock
dekking, terwijl hij zich erdoorheen worstelt.
De tunnel naar Marzark stort nu helemaal in. De groep beseft
dat ze de aard-elementalen met geen mogelijkheid kunnen verslaan als ze die
versmelt-truc blijven herhalen. Achtervolgd door woedende modderballen, haast
iedereen zich naar Varlock, die Neptulon bovenhaalt. De jaden slang komt tot
leven en voert de gehavende groep met zich mee door de laatste open gang.
Wanneer ze de uitgang bereiken, worden ze begroet door het
geluid van de branding en de knetterende inslagen van de bliksem. Ze blijken te
zijn beland op een klein rotsig eilandje voor de kust van Estaol, dat bekend
staat als ‘het Slakkenhuis’. Het ligt vlak tegenover de stad Klifzij op Estaol:
deels in de rots gebouwd, deels bestaand uit een heel flottielje van woonboten.
De groep besluit omhoog te klimmen om meer zicht te krijgen op wat er gaande
is.
Chiara waarschuwt hen al snel om voorzichtig te zijn: ze
hoort orcse stemmen. Wanneer iedereen zijn wapens paraat heeft, stormt de
ranger naar voor, en steekt haar zwaard blind de hoek om. Een onfortuinlijke
orc tuimelt naar beneden de zee in. Alítih leunt over haar heen en velt een
tweede orc, waarna Varlock en Fáelán een charge uitvoeren en op hun beurt een
paar orcs omver maaien. Nazhaar ziet dat de resterende orcs de benen nemen en
langs de spiralende weg naar boven snellen. De drakenman laat ze niet wegkomen
en springt tegen de berg op om er één te grazen te nemen. Chiara volgt meteen
zijn voorbeeld en rekent met de overlevende af.
Op de top van het eilandje aangekomen, treffen ze een
noodklok, waarbij twee levenloze mensenlichamen liggen. Een lamp is leeggegooid
en een touwbrug leidt naar de schepenflottielje in de baai. Het woelige
noodweer maakt het lastig om veel te zien, maar Varlock ontwaart twee schepen
die zich losmaken uit het geheel, alsof ze zware klappen krijgen. Intussen
blijven de bliksems maar naar beneden donderen en staan de rotswoningen
kennelijk in brand. Wat is daar gaande? Alítih stelt voor de noodklok te
luiden: dat is duidelijk wat de orcs wilden vermijden. Chiara en Nazhaar zijn
daar vierkant op tegen: hier wilden de orcs ook naartoe, wat als zij net de bel
wilden luiden? Varlock mengt zich niet in het gesprek, maar grijpt het
klokkentouw en luidt krachtdadig de bel.
Het is duidelijk dat de mensen beneden in grote nood
verkeren. Nazhaar en Varlock willen zich via de touwbrug naar de
schepenflottielje laten glijden. Alítih, die er een bedenkelijk oog op werpt,
lost het anders op. Ze reciteert een bezwering waardoor de rest van groep over
het water heen kan lopen. Op deze manier kunnen ze het gevaar wat rustiger
naderen, in plaats van er middenin te vallen.
Naarmate ze naderen wordt steeds duidelijker dat hier iets
heel vreemds gaande is. Deze storm is niet natuurlijk. Alítih kan echter voelen
dat ze evenmin magisch is. Hier moet een goddelijk ingrijpen in het spel zijn.
Fáelán tuurt bezorgd omhoog naar de bliksemschichten. Heeft de blauwe draak
Estaol hier de hand in? Hij bidt tot Melora om antwoorden, maar de godin lijkt
hem niet te willen verhoren, al krijgt hij het sterke gevoel dat zij hier
inderdaad de hand in heeft en buitengewoon boos is. Heeft haar gunst hem
verlaten, als hij die al ooit heeft bezeten? Met somber gemoed haast hij zich
verder: Klifzij is duidelijk in nood, de schaduwen van plunderende orcs worden
flakkerend afgetekend op de rotswand.
Over de woelige zee is de tocht moeizaam, en het is uiterst
vermoeid dat de groep het centrum van alle ellende dicht genoeg weet te naderen
om te zien wat er gaande is: een gigantische ondode kraken lijkt zich te voeden
met de inslaande bliksem, zijn ectoplastische vorm gloeit elke keer sterker op,
terwijl hij inktzwarte wolken in het rond spuwt die alles om hem heen kleuren.
De tentakels van het wezen gooien scheepjes in het rond en zaaien chaos en
vernietiging… de oorzaak van de schipbreuken in de archipel is eindelijk
gevonden. Maar wat kunnen de helden hieraan doen?
Geen opmerkingen:
Een reactie posten