zondag 18 september 2016

Hoofdstuk 18

De groep verliest niet al te veel tijd met de vraag hoé ze een ondode kraken precies onschadelijk gaan maken, maar besluit gewoon dat het moet gebeuren als ze Klifzij van de ondergang willen redden. Alítihs bezwering houdt nog stand en over het water rennen ze op het gewoel af.
Chiara spurt meteen richting een scheepswrak, waarachter ze dekking zoekt. Geen seconde te vroeg, want de rest wordt onder water gesleurd door de machtige tentakels die het water in beroering brengen. Alítih teleporteert zo snel mogelijk buiten bereik van de grijparmen, maar Fáelán en Nazhaar zijn minder gelukkig: ze worden gevangen en worstelend omhooggetild. Ze hakken wanhopig in op de samentrekkende kronkels om niet geplet of gewurgd te worden. Tevergeefs, de kraken laat niet los. Met krakende botten spuwt Nazhaar woedend zijn drakenzuuradem richting een paar reusachtige zuignappen, maar de kraken houdt zijn prooien koppig vast.
Chiara heeft een veilig plekje gevonden en heft haar boog. Ze vuurt een spervuur aan pijlen op de kraken af. Aan de andere kant van het beest bestookt Alítih hem met magie, in de hoop de geest van het monster voldoende te verwarren om haar makkers los te laten. De blauw oplichtende kraken aarzelt maar heel even, voor hij zijn greep weer begint te verstrakken. Maar een dwergencharge van formaat komt het tij keren. Fáelán, die wanhopig tot zijn godin bidt, krijgt geen antwoord, en ziet machteloos toe hoe alleen Varlock tussen de tentakels door schiet en met zijn hamer geduchte schade aanricht.
De kraken bespeurt deze nieuwe dreiging en laat Nazhaar en Fáelán vallen. Het beest grijpt Varlock en slingert hem naar de halfelf die met haar pijlen een speldenkussen van zijn kop probeert te maken.
Nazhaar heeft zijn ogen op de kop van de kraken gevestigd, waar de bliksem onophoudelijk blijft inslaan op een metalen staaf. Als de bliksem het beest kracht geeft, dan is het losrukken van die staaf wellicht de oplossing? De drakenman springt naar de kop van het beest en probeert de staaf tussen de inslagen door los te rukken.
Varlock, die gelukkig naast Chiara is geland in plaats van de halfelf te pletten, voert een nieuwe charge uit op de kraken. Die ploegt woedend door het water om de dwerg te vinden, wat Chiara de gelegenheid geeft om pijl na pijl aan te leggen. De kraken rekent met haar af door een wolk van inkt naar de ranger te spuiten… pikzwart en verblind staat ze te knipperen, terwijl het beest Varlock weer te pakken krijgt en probeert om met de dwerg de drakenman van zijn kop te vegen.
Een tentakel grijpt de drakenman, maar Nazhaar slaakt een kreet van triomf. De staaf laat los en hij weet een drietand uit de kop van de kraken los te rukken. Het beest blijft tekeergaan, maar de blikseminslagen houden op. De lucht wordt kalmer en een deel van de energie die het bezielde, lijkt verdwenen. Chiara weet met welgemikte pijlen de tentakels los te schieten die Fáelán en Nazhaar gevangenhouden, terwijl Varlock tussen de tentakels door schiet en her en der zijn hamer verwoestend laat neerkomen. De strijd is nog steeds zwaar, maar langzaam maar zeker krijgt de groep de overhand: pijlen en hamer, magische dreunen en bijl halen het van zuignappen en inkt. Een laatste pijl boort zich in een klein oogje en de kraken zakt levensloos het water in.

Het werk is echter nog lang niet gedaan. Klifzij staat in vuur en vlam. Tegen de bloedrode achtergrond zijn de duistere schaduwen van plunderende orcs te zien. Vermoeid, met inkt besmeurd en overdekt met kneuzingen van de wurgende tentakels, zoekt de groep zich een weg naar boven. Chiara’s scherpe blik bespeurt versterkingen die onderweg zijn: het luiden van de klok heeft duidelijk effect gehad. Als ze het fort maar even kunnen houden, zullen ze ook deze dreiging wel de baas kunnen.
Alleen Fáelán gelooft er niet zo in. De ridder loopt wat versuft rond. Midden op zee, de plaats waar zijn godin het meest nabij had moeten voelen, was haar afwezigheid groot en koud. Zijn makkers moeten hem moed inspreken, en de ridder klemt zijn zwaard verbeten vast: wat er ook van zij, de mensen van Klifzij mogen niet ten prooi vallen aan deze moordzuchtige horde.
De groep haast zich naar boven, waar ze een aanvalsgroep zien huishouden. In de verte is er een golf aan orcs te zien. Ze beseffen al snel dat ze de orcs zullen moeten stoppen bij de smalle toegangsweg, als ze een kans willen hebben deze invasie te stoppen. Maar eerst moeten ze zich dwars door de troep plunderaars slaan.
“Het tij zal keren!”, roept Fáelán, maar erg zeker klinkt de uitgeputte ridder niet terwijl hij omringd wordt door orcs. Twee plunderaars duwen Nazhaar en Chiara naar de rand van het klif. Een orcsjamaan roept de macht van de hemel aan en laat donder en bliksem los op de groep. Chiara danst soepel weg, maar Nazhaar verliest zijn evenwicht en de drakenman valt met een woedende brul naar beneden. Zijn makkers horen gelukkig aan het gekletter van dakpannen dat zijn val gebroken is.
Het is met hun laatste krachten dat de groep zich teweerstelt. Chiara wordt overweldigd door twee orcs en stort bewusteloos ter aarde. Fáelán rept zich vertwijfeld richting Chiara en giet het restje van zijn magie in haar lichaam om de ergste wonden te sluiten. Met lede ogen ziet hij toe hoe Alítih naar de rand van het klif wordt gedreven, terwijl de orcsjamaan de donder en bliksem blijft beheersen om de groep te bestoken. Wordt dit gevecht de groep te veel? In de verte ziet hij een troep brullende orcs de stad naderen…
Alítih teleporteert weg, maar komt met haar uitdovende krachten niet ver. Orcs achtervolgen haar en ze kijkt vergeefs zoekend om zich heen naar een uitweg. Maar dan worden ze gestuit door de granieten muur van Varlocks schild. Intussen hijst een drakenman vol blutsen en builen zich langs de rand van het klif weer omhoog, en stort zich met zijn laatste krachten op de orcsjamaan. Met vereende krachten weten ze af te rekenen met de orcs, terwijl Alítih richting de doorgang rent waar zodadelijk de rest van de vijandelijke troepenmacht door zal komen.
Ze neemt de situatie in ogenschouw. De tijd is beperkt, maar het moet nog net mogelijk zijn voldoende maatregelen te treffen. Terwijl de rest van de groep een barricade opwerpt, en Nazhaar scherpe palen in de grond ramt, rent ze terug en haalt twee afgehakte orcenkoppen. Die wil ze op de palen spietsen bij wijze van afschrikking. Nazhaar stemt meteen in met dat plan en ramt ze vakkundig op de meest gruwelijke manier op de versperring.
Net op tijd… de razende horde wordt lang genoeg gestuit door de met orcbloed besmeurde barricade. Versterking komt de groep aflossen, die wankelend van uitputting maar al te graag de verantwoordelijkheid doorgeeft…

Nadat de aanval is afgeslagen, krijgen ze over de tot rust gebrachte zee een lift terug naar Khesh. Naar echte rust kunnen ze niet uitkijken. Over twee dagen hebben ze een afspraak met de draak Irindol. En over een paar uur moeten ze Padraig te woord staan over de kwestie van Khesh en haar plotse verlangen om Nazhaar en ‘een eladrin tovenares’ te spreken…

vrijdag 2 september 2016

Hoofdstuk 17

Nazhaar heeft de nodige kopzorgen. Naast het op handen zijnde Tribuut is er ook nog het gesprek dat hij heeft gevoerd met zijn voormalige bemanning: Taazhon zit stevig in het zadel. Hij heeft zijn positie verworven na een slag waarbij ze een grote overwinning op de Ridders van Ardeyn behaalde. Nazhaars schip – want zo ziet de drakenman het nog steeds – was daar via Io'Barat heen gevaren. Waar het nu is, wisten ze niet, waarmee het dus steeds verder buiten zijn bereik lijkt te raken.
 Hij wenkt Azazel terzijde en begint een gesprekje met de tiefling. Vanachter de bar ziet Chiara dat dat binnen de kortste keren ontaardt: de drakenman grijpt zijn bijl en wil Azazel te lijf gaan. De gezant van de Vost Miraj blijft er aanvankelijk kalm onder, maar slaat dan zijn mouwen terug en onthult twee glanzende dolken. Chiara schiet naar het donkere hoekje en grijpt ze allebei beet. Geen gedoe in haar herberg! De twee mannen negeren haar tot haar grote woede echter en schudden haar zo van zich af. Varlock, die zijn rustige drinkplekje in gevaar ziet komen, schraapt dreigend zijn keel en reikt naar zijn hamer.
Alítih komt poolshoogte nemen, maar krijgt van Nazhaar niet méér uitleg dan ‘hij is geen agent – vertrouw me’. Ook Fáelán merkt dat Nazhaar weer eens voor herrie aan het zorgen is en komt toegesneld. De ridder is niet genegen hem zondermeer een schijnbaar onschuldige man te laten neerhakken, maar heeft anderzijds ook niet veel sympathie voor deze vertegenwoordiger van het keizerrijk. Uiteindelijk is het een dreigement van Azazel dat de boel bekoelt. Hij sommeert de drakenman hooghartig om onmiddellijk zijn wapen neer te leggen, tenzij hij wil dat “Nozarks bescherming opgeheven wordt”. Nazhaar verstijft, laat zijn bijl zakken en laat zich wegleiden, terwijl Azazel luchtig zijn kleren afklopt.

Chiara verzamelt iedereen op een rustig plekje en eist uitleg over de stampij in haar herberg. Nazhaar vertelt wat onwillig dat hij zelf een agent van de Vost Miraj is. Hij was gewaarschuwd dat één van de agenten die zouden arriveren op de archipel, een valse agent zou zijn. Azazel had hem verteld over de andere twee agenten – een tweede tiefling, zijn broer Mordekai op Marzark, en een drakenman op Estaol, maar hem daarna ook een opdracht gegeven die onmogelijk kon kloppen. Hieruit had Nazhaar geconcludeerd dat Azazel de spion moest zijn. Zijn opdracht luidde om bij het minste of geringste vermoeden daarvan de valse agent om het leven te brengen, en hem zéker geen informatie in handen te spelen over de scheepsrampen.
De groep is wat sceptisch, maar gelooft uiteindelijk Nazhaars verhaal wel. Alleen zien ze niet meteen een reden om zonder verder bewijs maar meteen de tiefling om zeep te helpen.
Wanneer ze terugkeren in de herberg, worden ze opgewacht door vrouwe Padraig: zij zal Azazel, die niet langer in de herberg wenst te verblijven, onderdak bieden. Ze meldt dat het Tribuut enige dagen is uitgesteld, maar dat Khesh een verontrustende wens heeft: ze wil Nazhaar en ‘de eladrin tovenares’ spreken. Nazhaar zucht alleen maar, maar Alítih ziet er meteen bezorgd uit – heeft de draak ontdekt dat ze haar een valse ketel hebben gegeven? Vrouwe Padraig sommeert hen de volgende morgen uitleg te komen geven en vertrekt met Azazel.
De groep bespreekt de situatie. Khesh is een groot probleem, maar niet het meest directe: ook vrouwe Padraig heeft enige achterdocht gewekt. Ze loopt wel heel vriendelijk met de wellicht valse agent te smoezen… en er is nog steeds het raadsel van de geheimzinnige ‘meesteresse’ van de sekte die haar stem vervormde om niet herkend te worden. Zijn deze twee één en dezelfde persoon?
Chiara sluipt naar huize Padraig om te proberen de twee af te luisteren en klautert tegen een klimplant op om haar oor bij verschillende ramen te luisteren te leggen. Helaas hoort ze niet veel meer dan Padraig die klaagt over vreselijke hoofdpijn en zijn vrouw die belooft een drankje voor hem te bereiden. Uit de kamer van de tiefling hoort ze alleen wat gezang, waarna het licht uitgaat en hij kennelijk gaat slapen.

Onverrichterzake keert ze terug naar de herberg. Het noodweer is goed losgebroken en ze arriveert compleet doorweekt. Wanneer ze zich heeft omgekleed deelt ze haar bevindingen met de groep. Ze bespreken wat hen te doen staat, maar antwoorden liggen niet meteen voor het grijpen.
De bliksem wordt intussen steeds heftiger, en de groep krijgt het gevoel dat er iets onnatuurlijks aan de hand is. Wanneer ze naar buiten kijken, zien ze een noodsignaal van Marzark komen. Ze besluiten poolshoogte te gaan nemen – alleen: hoe komen ze daar? De zee is immers onbevaarbaar. Dan herinneren ze zich de geheime tunnel van de kobolden van Marzark: wellicht kunnen ze die benutten?
Chiara, die net weer warm en droog was, neemt met enige tegenzin de leiding en leidt de groep terug naar de plek waar ze enige weken geleden een ballista onklaar hebben gemaakt. De tunnel blijkt er nog steeds te zijn, en ze duiken erin. Ze komen echter niet ver voor ze stuiten op een bende boze kobolden. Al het soebatten van de groep dat ze reageerden op een noodsignaal levert niks op: Nazhaar wordt andermaal uitverkoren als de man die alles mag gaan uitleggen. Marzark bekijkt de drakenman met zijn groene schub met welgevallig oog. Ze offreert hem een rode schub als pendant en hij accepteert die wijselijk. Met de mededeling dat hij zich maar bij haar moet vervoegen als hij vijf verschillende kleuren heeft verzameld, laat Marzark de Kunstzinnige hem weer gaan.
De groep ginnegapt wat over Nazhaars succes bij de drakendames en zet de tocht dan verder. Varlock, voorop met getrokken hamer, voelt ineens de grond onder zijn voeten beven. Hij schreeuwt de groep toe om op een afstand te blijven – het is alsof de aardbeving door hem wordt aangetrokken. Een ogenblik aarzeling en zijn makkers zijn te laat om hem weg te trekken: de dwerg wordt bedolven onder een lawine.
Fáelán en Nazhaar snellen naderbij om hem te bevrijden vanonder de steenbrokken. Chiara en Alítih richten zich inmiddels op de beweging die ze zien op de steenhoop: aard-elementalen bewegen daar dreigend. Langs de tunnel naar Marzark spoelt inmiddels snel zeewater binnen: als ze hier al te lang blijven treuzelen, staan de tunnels straks helemaal onder water!
Chiara’s pijlen en Alítih’s magische uitbarstingen hebben onverwacht resultaat: neergestorte aard-elementalen stromen in het water naar elkaar toe en vormen nieuwe, nog dreigender wezens. Eén van hen werpt zich als een modderstroom bovenop Fáelán en de ridder moet al zijn kracht gebruiken om zich weer los te werken.
Intussen doet ook Varlock zelf verwoede pogingen om zichzelf te bevrijden. Chiara weet zich al schietend een weg naar hem toe te banen, en onderzoekt de steenhoop. Ze weet een kleine doorgang te vinden en geeft Varlock dekking, terwijl hij zich erdoorheen worstelt.
De tunnel naar Marzark stort nu helemaal in. De groep beseft dat ze de aard-elementalen met geen mogelijkheid kunnen verslaan als ze die versmelt-truc blijven herhalen. Achtervolgd door woedende modderballen, haast iedereen zich naar Varlock, die Neptulon bovenhaalt. De jaden slang komt tot leven en voert de gehavende groep met zich mee door de laatste open gang.

Wanneer ze de uitgang bereiken, worden ze begroet door het geluid van de branding en de knetterende inslagen van de bliksem. Ze blijken te zijn beland op een klein rotsig eilandje voor de kust van Estaol, dat bekend staat als ‘het Slakkenhuis’. Het ligt vlak tegenover de stad Klifzij op Estaol: deels in de rots gebouwd, deels bestaand uit een heel flottielje van woonboten. De groep besluit omhoog te klimmen om meer zicht te krijgen op wat er gaande is.
Chiara waarschuwt hen al snel om voorzichtig te zijn: ze hoort orcse stemmen. Wanneer iedereen zijn wapens paraat heeft, stormt de ranger naar voor, en steekt haar zwaard blind de hoek om. Een onfortuinlijke orc tuimelt naar beneden de zee in. Alítih leunt over haar heen en velt een tweede orc, waarna Varlock en Fáelán een charge uitvoeren en op hun beurt een paar orcs omver maaien. Nazhaar ziet dat de resterende orcs de benen nemen en langs de spiralende weg naar boven snellen. De drakenman laat ze niet wegkomen en springt tegen de berg op om er één te grazen te nemen. Chiara volgt meteen zijn voorbeeld en rekent met de overlevende af.
Op de top van het eilandje aangekomen, treffen ze een noodklok, waarbij twee levenloze mensenlichamen liggen. Een lamp is leeggegooid en een touwbrug leidt naar de schepenflottielje in de baai. Het woelige noodweer maakt het lastig om veel te zien, maar Varlock ontwaart twee schepen die zich losmaken uit het geheel, alsof ze zware klappen krijgen. Intussen blijven de bliksems maar naar beneden donderen en staan de rotswoningen kennelijk in brand. Wat is daar gaande? Alítih stelt voor de noodklok te luiden: dat is duidelijk wat de orcs wilden vermijden. Chiara en Nazhaar zijn daar vierkant op tegen: hier wilden de orcs ook naartoe, wat als zij net de bel wilden luiden? Varlock mengt zich niet in het gesprek, maar grijpt het klokkentouw en luidt krachtdadig de bel.
Het is duidelijk dat de mensen beneden in grote nood verkeren. Nazhaar en Varlock willen zich via de touwbrug naar de schepenflottielje laten glijden. Alítih, die er een bedenkelijk oog op werpt, lost het anders op. Ze reciteert een bezwering waardoor de rest van groep over het water heen kan lopen. Op deze manier kunnen ze het gevaar wat rustiger naderen, in plaats van er middenin te vallen.
Naarmate ze naderen wordt steeds duidelijker dat hier iets heel vreemds gaande is. Deze storm is niet natuurlijk. Alítih kan echter voelen dat ze evenmin magisch is. Hier moet een goddelijk ingrijpen in het spel zijn. Fáelán tuurt bezorgd omhoog naar de bliksemschichten. Heeft de blauwe draak Estaol hier de hand in? Hij bidt tot Melora om antwoorden, maar de godin lijkt hem niet te willen verhoren, al krijgt hij het sterke gevoel dat zij hier inderdaad de hand in heeft en buitengewoon boos is. Heeft haar gunst hem verlaten, als hij die al ooit heeft bezeten? Met somber gemoed haast hij zich verder: Klifzij is duidelijk in nood, de schaduwen van plunderende orcs worden flakkerend afgetekend op de rotswand.
Over de woelige zee is de tocht moeizaam, en het is uiterst vermoeid dat de groep het centrum van alle ellende dicht genoeg weet te naderen om te zien wat er gaande is: een gigantische ondode kraken lijkt zich te voeden met de inslaande bliksem, zijn ectoplastische vorm gloeit elke keer sterker op, terwijl hij inktzwarte wolken in het rond spuwt die alles om hem heen kleuren. De tentakels van het wezen gooien scheepjes in het rond en zaaien chaos en vernietiging… de oorzaak van de schipbreuken in de archipel is eindelijk gevonden. Maar wat kunnen de helden hieraan doen?