woensdag 3 augustus 2016

Hoofdstuk 16

De groep zet koers naar het volgende wrak: dat van de Keravsikor, een diplomatiek schip op weg naar het protectoraat dat zonk zonder enige overlevende.
Wanneer Fáelán en Chiara op verkenning gaan treffen ze soortgelijke omstandigheden als ze al eerder hebben gezien: de altaarachtige torentjes, die hier al verder begroeid zijn dan die rondom het wrak van ’t Zeepaard. Het schip is duidelijk helemaal kapot, maar zuursporen treffen ze hier niet aan.
Nader onderzoek met hulp van Varlocks nieuwe aanwinst de zeeslang, levert alleen een merkwaardige bevinding op: zowel de brokstukken als alles dat in het wrak wordt aangetroffen is zwart. Ook Chiara, die zich in een bewaard gedeelte waagde en een zwart geworden document meenam, komt boven als een negatief van zichzelf.
Terug in Waterzooi wordt de pikzwarte halfelf op hoongelach van de dorpskinderen onthaald: iets als de pikzwarte halfelf hebben ze nog nooit gezien. Ze steekt echter haar neus in de wind en rept zich naar de hoge toren van de tovenaar. Die knippert ook wel een paar keer met zijn ogen, maar belooft haar zijn best te doen om een remedie te vinden om het document weer leesbaar te maken en haar perzikhuidje weer terug te brengen.

De volgende ochtend boent de tovenaar met groot genoegen elke zwarte centimeter van Chiara schoon en overhandigt haar het geredde document. Tot grote teleurstelling van de halfelf heeft ze haar bad in de inkt genomen om niets dan een embleem van het Dragovar-rijk te redden. De tovenaar kan haar echter wel vertellen dat het zwarte goedje zogenaamde ‘onleesbare inkt’ is. Wie ermee schrijft, kan er zijn schrijfsels zo mee beveiligen dat alleen de beoogde bestemmeling ze kan lezen.
Ze legt de bevindingen voor aan de rest van de groep. Onleesbare inkt lijkt geen vreemde vracht voor een diplomatiek schip, dus dit schijnbare spoor lijkt er bij nader inzien dan toch geen te zijn.
Intussen zit Varlock achter een ongebruikelijk onaangeroerde ochtendlijke kroes. Hij buigt zich over het document dat hijzelf terugvond in zijn kist. Hoe hij ook zijn geheugen probeert te pijnigen, hij kan zich niet herinneren wat er de bedoeling van was. Het enige dat nog leesbaar is, is het zegel, dat toebehoort aan een sociaal wat hogergeplaatste dwergenfamilie. Het kwelt hem dat hij niet meer weet wat de rest van de brief bevatte – een opdracht, een boodschap die hij moest overbrengen? Er is echter weinig dat hij er voorlopig aan kan doen, en hij voegt zich bij de rest van de groep wanneer die weer inscheept.
In wat woelig weer steken ze van wal en varen richting de Poseidon, het nog maar net vergane schip. De gebruikelijke ploeg van Chiara en Fáelán daalt weer met de klok af. Alítih bereidt zich voor op alweer een eindeloze dag op zee en heeft haar magische geschriften meegenomen om te studeren. Ook Nazhaar en Varlock lummelen wat rond met het vaatje vloeibaar goud dat de dwerg koestert.
Onder water is de situatie echter drastisch anders: zodra Chiara vanonder de klok uitzwemt, ziet ze kikkerachtige wezens die bezig zijn met het stapelen van stenen tot de haar inmiddels bekende torentjes. Ze weet niet snel genoeg terug weg te glippen en wordt op haar beurt gezien. Zo snel ze kan zwemt ze terug naar de klok en trekt heftig aan het touw om een noodsignaal te geven. Boven water schiet men niet al te gauw in actie en Chiara wordt achtervolgd door twee kikkerwezens die de klok inzwemmen en haar en Fáelán met een gifwolk bestoken.
Het schip wiebelt heftig wanneer drie kikkerwezens onder leiding van hun priester aan boord klimmen. De drie loungende leden van de groep springen in actie. Alítih duikt op het heftig op en neer bewegende touw af en probeert de klok omhoog te takelen, maar krijgt amper beweging in de boel voor ze door één van de kikkerwezens overboord wordt gesleurd.
Nazhaar en Varlock stormen op de klok af, maar worden verrast door een vurige kwaak van de kikkerpriester. Ze laten zich echter niet stuiten en beginnen zo snel mogelijk de loodzware klok omhoog te halen.
Het water bruist intussen van diverse gevechten. Alítih verrast haar aanvaller met een magische uitbarsting en teleporteert weg uit zijn greep. Ze kan zich echter maar net aan de scheepsrand vastklampen en voor ze het weet wordt ze door twee kikkerwezens opnieuw de zee ingekeild.
Onder de duikersklok kuchen Fáelán en Chiara tegen de verstikkende gifwolk die hun krachten aanvreet. Ze stellen zich echter geducht te weer. Fáelán hakt één van de wezens met één klap doormidden en terwijl zijn bloed door het water wervelt, trekt Chiara haar zwaard en doorsteekt de tweede. De resterende kikkerman blaast echter een nieuwe gifwolk de klok in, en ze voelen het gif hun lichaam binnendringen.
Chiara besluit geen derde wolk meer af te wachten en zwemt de klok uit. Dan ziet ze tot haar schrik dat boven haar hoofd andere kikkerwezens druk bezig zijn met het doorzagen van het touw aan de klok. Straks zinkt die op de bodem en zit Fáelán gevangen in een gifwolk! De snelle reflexen van de ranger zijn echter niet aangetast: ze schopt een wrakstuk onder de klok, net voor die neervalt, zodat er een kier vrij blijft voor de ridder. Fáelán hakt de derde kikker aan stukken en weet zich net door de kier te worstelen die Chiara heeft opengelaten.
Intussen op het schip houdt Nazhaar Varlock de kikkermannen van het lijf, terwijl de dwerg zo snel mogelijk de klok omhoog probeert te takelen. De wezens proberen ook Nazhaar in het water te keilen. De ex-kapitein is echter zijn zeebenen niet kwijt en staat pal, terwijl de kikkerpriester de elementen aanroept en er elektriciteit in de lucht knettert en op de drakenman inslaat.
Tot zijn grote verbazing haalt Varlock inmiddels niet de klok met zijn makkers… maar twee kikkerwezens op, die aan het doorgesneden touw hingen. Hij wordt meteen aangevallen. De dwerg heeft geen tijd om zijn wapens te trekken, maar zwaait onvervaard zijn gepantserde vuist en vermorzelt met een forse klap een kikkerschedel.
Nazhaar heeft zijn zwaard weten te trekken en stelt zich teweer tegen een overmacht. Hij doorsteekt een kikkerman en spuwt zijn giftige drakenadem op een tweede, maar wordt keihard tegen de reling gegooid en zakt bewusteloos neer. Intussen verzamelt de kikkerpriester andermaal zijn krachten.
Varlock ziet het gevaar en voert meteen een charge uit op de kikkerpriester. Die wacht de stevige dwergenknuisten maar liever niet af en springt het water in. Daar ziet hij Chiara, die omhoog aan het zwemmen is terwijl onder haar Fáelán met de glibberige laatste kikkerman worstelt, en zwemt op haar af. Chiara houdt het hoofd echter koel, trekt haar boog en legt er een giftige pijl op – klaar om de kikkermannen een koekje van eigen deeg te geven. Haar pijlen treffen doel. Nog even zwemt de doorzeefde priester als een zee-egel op haar af, maar dan begeeft hij het en zakt naar de bodem.
Intussen heeft Alitih met een van haar overvallers afgerekend en wordt door Varlock aan boord gehesen. De tweede kikkerman loopt te pletter tegen het ijzeren gemoed van de dwerg en wanneer ook Fáelán de oppervlakte bereikt, is de rust hersteld op het schip.
Wanneer Fáelán en Chiara wat op adem zijn gekomen, klimmen ze meteen weer op het spreekwoordelijke paard en dalen weer af in de klok, nadat Varlock het touw opnieuw bevestigd heeft.
Beneden zien ze dat de Poseidon in stukken is gebroken, alsof er een zware impact is geweest – een gelijkaardige situatie als bij de Keravsikor. Nieuw is dat de stukken bedekt zijn met een vreemdsoortig soort slijm. Chiara neemt een staal mee van het geheimzinnige goedje.

Hierna wordt koers gezet naar de plek waar De Morgen zovele jaren geleden aan de grond liep. Weer zijn er de vertrouwde steenstapels te zien, die hier zwaar begroeid zijn en bijna verdwenen zijn onder de koraalriffen die eromheen zijn ontstaan. Chiara vindt tot haar plezier het anker van De Morgen terug. Een overgroeide inscriptie trekt haar aandacht en ze overtuigt de groep ervan het ding omhoog te hijsen en mee te nemen.
Het is op een zeer woelige zee dat de terugtocht aanvaard wordt. Tegen de avond zeilen ze Waterzooi weer binnen, waar de groep begroet wordt door een uiterst zenuwachtige burgemeester Padraig, vergezeld van de notaris. Ze brengen de groep snel op de hoogte van de aankomst van de vertegenwoordiger van de Vost Miraj die gearriveerd is.
Die komt in hun kielzog weldra zelf waardig aangeschreden. Azazel, een goedgeklede tiefling, meldt hen beschaafd dat hij het verloop van hun onderzoek afwacht.
’s Avonds legt de groep zijn oor te luisteren in de herberg. Er doen vage verhalen de ronde over orcs op het naburige eiland Estaol. Wanneer ze discreet informeren naar de nieuwe prefect op Marzark hoort Nazhaar tot zijn ergernis dat Taazhon zich kennelijk onderscheiden heeft in een schermutseling op zee en als dank deze positie heeft gekregen.

De volgende dag poetst Chiara ijverig het anker van De Morgen schoon tot de inscriptie weer leesbaar is geworden. “Ze moet een naam hebben” kan ze na enige moeite lezen. Chiara herkent het wachtwoord dat kapitein Erano de groep gaf om aan zijn stuurman te bewijzen dat ze uit zijn naam kwamen…
Malend over deze raadselachtige ontdekking trekt ze andermaal naar de tovenaar. Tot zijn teleurstelling mag hij de halfelf niet nogmaals in bad doen, maar hij is wel zo goed dat hij het slijm voor haar wil determineren: het is iets dat volgens hem afkomstig is van ondoden.
Bij haar terugkeer in Waterzooi is de lucht zwaar overtrokken. Het is duidelijk dat ze op zijn best een halve dag op onderzoek kunnen – de rest van de schepen zal moeten wachten. Na enig overleg laten ze zich door Nazhaar naar de plek gidsen waar de Jalan Vashir averij had opgelopen. Laverend door de naderende storm raken ze toch nog ter plekke, zij het dat niet iedereen met intacte maaginhoud arriveert.
Het onderzoek brengt meer van hetzelfde en slechts weinig nieuws aan het licht: torentjes, enkele kisten die aangevreten zijn door zuur en wat gelijkaardig slijm als ze de dag tevoren hebben gevonden. 

Dan is het hoog tijd om terug te keren naar de haven. Daar krijgen ze te horen dat de storm minstens twee dagen zal aanhouden. De zee zal onbevaarbaar zijn, en hun onderzoek ter plekke ligt dus stil. 
De groep beraadt zich over wat hen te doen staat en probeert de gegevens die ze hebben samen te puzzelen. 
Alleen Nazhaar is wat afgeleid en wrijft onrustig over zijn groene schub: de volgende morgen zal immers de dag voor de inning van het Tribuut zijn aangebroken. Hij hoopt vurig dat Khesh het niet nodig zal vinden om haar nieuwverworven onvrijwillige dienaar in te schakelen als extra assistent…

Hoofdstuk 15

Het probleem van de Ketel wordt in de daaropvolgende dagen niet meteen opgelost. Fáelán probeert meer informatie uit de Shadar-Kai los te peuteren, maar die hebben hem op dat vlak niets meer te bieden. Toch zien zijn makkers hem nog langdurig met hen converseren. Flarden van hun gesprekken lijken echter vooral religieus getint te zijn.

Wanneer de aankondiging komt dat binnen de vier dagen Tribuut zal worden opgehaald voor Khesh begint de tijd te dringen: ze zullen een besluit moeten treffen – geven ze de Ketel van Grauwe Oogst aan Khesh, of niet? Nazhaar, die lijfelijk last begint te ondervinden van de groene schub op zijn borst, is geneigd om de draak haar zin te geven, zodat hij van het ding af is.
Alitih en Fáelán verzetten zich met hand en tand tegen die. De ridder vindt het maar niets om een toekomstige tegenstander zo’n machtig wapen te geven – zeker een draak. Alítih wil de Ketel eenvoudigweg niet uit handen geven: wie die ook bezit, bezit de mogelijkheid om de kracht van haar thuisdimensie – de feywild – te misbruiken. Ze weten uiteindelijk dit standpunt door te drukken. De Ketel wordt verborgen in de extradimensionale kamer in de herberg van Chiara en de deur wordt door Alítih met een magische verzegeling extra vergrendeld.
De groep komt uiteindelijk tot een plan: Varlock bestelt bij de dwergensmid in alle stilte een ketel die enigszins op de Ketel van Grauwe Oogst moet lijken. De nuchtere smid vindt het maar een bizar plan – waarom zou iemand twee ketels nodig hebben? Nazhaar, wiens groene ere-schub pijnlijk opgloeit, en kracht verliest elke dag die verstrijkt zonder dat hij Khesh heeft gebracht wat hij had beloofd, stopt de smid grommend een extra buidel goud toe. Hij hoeft het niet te snappen, als het maar opschiet.
Wanneer de ketel eindelijk af is, laat Alítih haar magie erop los. Ze hopen erop dat Khesh de ketel niet al te zorgvuldig zal bestuderen, maar als het ding helemaal geen magisch aura heeft, dan zal ze zéker onraad ruiken.
Het plan lijkt min of meer te werken: wanneer Nazhaar met de ketel bij Khesh komt, neemt ze die zonder veel plichtplegingen in ontvangst en gooit die tussen haar andere bezittingen… weliswaar met de zorgwekkende mededeling dat ze zich er binnenkort mee zal bezighouden. Nazhaar trekt zich niet al te veel aan van deze toekomstige dreiging: hij wil vooral nú van die schub af waarmee Khesh hem onder controle houdt. De draak verzekert hem er liefjes van dat de schub hem alleen maar voordeel kan opleveren, zolang hij haar trouw dient – iets anders was hij niet van plan, toch? De drakenman besluit wijselijk hier niet tegenin te gaan en belooft haar dat hij haar zeker nog waardevolle diensten zal verlenen. Khesh stelt hem meteen likkebaardend op de hoogte van haar voorkeur wat betreft gepaste geschenken en het is een grimmige Nazhaar die inclusief groene schub weer in Waterzooi arriveert.

Intussen heeft Varlock de taak aangevat om de stranden van het eiland eens grondig uit te kammen. De kist die hij met zich mee had toen hij vlakbij Khesh schipbreuk leed, is nog altijd niet boven water gekomen… ergens moet die toch zijn? Het geheugen van de dwerg heeft nog steeds enkele lacunes, maar één ding weet hij zeker: zijn kist terugvinden is van het grootste belang!
Varlock is al een dag onderweg wanneer hij in de verte op zee brokstukken ziet drijven, waarop een drenkeling zich vastklampt. Hij staat nog te overwegen of zijn baard wel klaar is voor een nieuwe onderdompeling in zout water wanneer hij ziet dat ze zich aan iets vastklampt – zijn kist? Moedig stort de dwerg zich in de branding en ploegt zich een weg naar het drijvende wrakhout toe. Na een korte aarzeling brengt hij eerst de drenkeling bij en sleept haar naar het strand. Terwijl de jonge vrouw nog water zit op te hoesten, is Varlock alweer verdwenen en zwemt zo snel hij kan richting het dobberende hout waaraan ze zich vasthield. Tot zijn grote teleurstelling blijkt het een vaatje te zijn, dat kennelijk van het gezonken schip afkomstig is. Hij neemt het zo filosofisch mogelijk op – er is immers niks verloren – en gaat de drenkeling bij Padraig afleveren.

Wanneer hij weer terug in Waterzooi komt om de teleurstelling weg te spoelen met een stevige kroes bier, treft hij de notaris die brieven aan het uitdelen is.
Nazhaar zit met ernstig gezicht een bericht van zijn broer te lezen, terwijl Alítih boos van kleur verschiet terwijl ze het antwoord op haar eerder verstuurde brief leest. De tovenares wijdt niet al te zeer uit over wat ze ‘verder persoonlijk’ noemt, maar drukt de groep wel op het hart dat ze juist hebben gehandeld door de Ketel uit handen van de draak te houden. Haar tante Meliaraeitirista, een tovenares die doceert aan de Keizerlijke Academie, heeft haar gewaarschuwd dat dat een van de slechtst mogelijke scenario’s zou zijn. Bovendien herinnerde ze Alitih er in niet al te vriendelijke termen aan dat deze Ketel er slechts één is. Meer informatie zou nog volgen.
Korte tijd daarna komt Padraig met een brief in de hand de hulp van de groep inroepen. Nadat Varlock zelf recent schipbreuk heeft geleden, is dit het zoveelste schip dat in korte tijd is vergaan. Uit het verslag van de drenkeling heeft hij kunnen opmaken dat er zuurschade aan het schip was voor het verging. Nazhaar kijkt meteen scherp op: ook zijn eigen schip, de Jalan Vashir die hij zo node mist, was door zuur aangetast. Padraig knikt bevestigend: het is duidelijk dat er een probleem is in de wateren rond het eiland. Hij is niet de enige die tot die vaststelling is gekomen: het keizerrijk maakt zich zorgen over deze vaarroute en heeft een soort beloning uitgeloofd. Het eiland dat het eerst met een antwoord op de proppen komt, zal hiervan profiteren bij het komende Tribuut.

De groep neemt de opdracht aan om uit te zoeken wat hier gaande is, en krijgt als ondersteuning een lijst met gezonken schepen mee. Initieel onderzoek op de kade levert niet veel op: er is niemand die echt veel weet van wat er met de schepen gebeurd is. Wel zien ze vanuit de verte een bootje vanop Marzark vertrekken, waarop een duikersklok is geladen.
Hier dient zich een probleem aan: om te weten te komen wat er met de schepen gebeurd is, zouden ze ook moeten kunnen duiken naar de wrakken, maar hoe komen ze aan zo’n klok? Nazhaar wint meteen fluks informatie in, maar de resultaten zijn teleurstellend: het zal dágen duren voor zo’n constructie klaar is. Meteen formuleert hij een driest nieuw plan: waarom onderscheppen ze niet gewoon het bootje van Marzark en pikken die duikersklok in?
Varlock is wel voor dat plan gewonnen: alles om bij het wrak van ’t Zeepaard op zoek te kunnen gaan naar zijn verloren kist! Ook Alítih ziet wel wat in het plan – misschien kunnen ze de mannen van Marzark wel tot medewerking bewegen, sust ze een lichtjes rood aanlopende Fáelán. De ridder briest woedend dat hij niets met zo’n oneervol plan te maken wil hebben en ook Chiara staat maar wat bedenkelijk te fronsen. De twee besluiten echter mee te gaan op expeditie, in de hoop de rest van de groep wat te kunnen intomen. Er wordt een boot opgesnord en de groep vertrekt.

Bij het wrak van 't Zeepaard gekomen, treffen ze het bootje van Marzark. De bemanning verzoekt hen meteen vijandig om afstand te houden. Nazhaar herkent echter tot zijn verrassing twee van zijn voormalige matrozen. Hij buldert hen toe dat ze beter mee kunnen werken onder zijn kundige leiding, samen kunnen ze een nieuwe crew vormen en vroeg of laat vinden ze wel weer een passend schip. De twee zijn niet van zin daarop in te gaan: ze zijn hier om het raadsel op te lossen op bevel van de nieuwe prefect van Marzark: Taazhon.
Wanneer die naam valt, verdwijnen alle bekommernissen bij Chiara en Fáelán. De ridder trekt bij het horen van de naam van zijn nemesis met een rood waas voor de ogen zijn zwaard. Chiara spant haar boog, en neemt dan een sprong richting de reling van het andere bootje. Nazhaar springt inmiddels, woedend om deze nieuwe aanvechting van zijn gezag als kapitein, regelrecht richting de duikersklok en begint die los te snijden. Daarna duikt hij, het touw in de hand, het schip op, en slaat dat met een snelle beweging om de nek van een matroos. Ze worden meteen omringd door toesnellende matrozen, maar die zijn geen partij voor de vastberaden groep: Taazhons mannen worden compleet overrompeld en gevangengenomen.
Chiara en Varlock dalen met de klok naar beneden af en gaan op onderzoek. Chiara treft er een uiterst vreemd landschap aan: onderwatervulkanen rondom het wrak, benevens steenhopen die geordend lijken als een soort altaartjes, en de restanten van verbrand vlees. Wanneer ze Varlock daar attent op wil maken, ziet er dat de dwerg niet aanspreekbaar is: hij heeft tot zijn overgrote vreugde eindelijk teruggevonden waar hij al tijden naar zoekt – zijn kist!
In de kist vindt de dwerg een oud document, dat op de wassen zegel na vergaan lijkt. Maar er is ook nog een klein, versierd kistje, dat hij met een tevreden glimlach openklapt. Een jaden beeldje van een zeeserpent fonkelt hem tegemoet. Nazhaar bespeurt een gelijkaardige energie als bij het beeldje van een hond dat hij Zentorm afhandig heeft gemaakt. Varlock kan hem vertellen dat dat klopt, alleen is de omvang van dit tot leven gekomen beeldje een stuk groter – een gigantisch zeedier dat hem en de groep kan vervoeren bij hun verdere speurtocht naar de oorzaak van de gezonken schepen.

-


Addendum: de brief die Padraig noopte om de hulp van de groep in te roepen


Aan Prefect Gerben Padraig, toegewezen aan Khesh 

Het zal keizer Azunkhan de Standvastige, glorierijk zijn bloed, behagen om u deze opdracht te geven. 

Zijne grootsheid verwacht een gedetailleerd rapport over het grote aantal scheepvaartincidenten in de buurt van de eilandenarchipel. Te veel schepen vergaan of lopen averij op. 

Indien een oplossing zich aanbiedt vergeeft het Keizerrijk de autoriteit om adequate maatregelen te nemen, het motto van Dragovar indachtig. De vaarroute naar het protectoraat moet gevrijwaard blijven. 

Een agent van de Vost Miraj zal u dra vervoegen. Hij zal de aangevoerde bewijzen aanschouwen en controleren, tot tevredenheid en voldoening. In dit opzicht is hij uw superieur. 

Een gelijkaardige brief werd gestuurd naar de Prefecten van uw nabuureilanden Marzark en Esthaol. Er wordt voorzien in keizerlijke assistentie bij de tribuut, toegekend aan de Prefect wiens daden blijk geven van de meeste ambitie. 

U aanmanend tot gepaste spoed, 
Met achting, 

Grootvizier Turazad