Wanneer Fáelán en Chiara op verkenning gaan treffen ze
soortgelijke omstandigheden als ze al eerder hebben gezien: de altaarachtige
torentjes, die hier al verder begroeid zijn dan die rondom het wrak van ’t Zeepaard. Het schip is duidelijk
helemaal kapot, maar zuursporen treffen ze hier niet aan.
Nader onderzoek met hulp van Varlocks nieuwe aanwinst de
zeeslang, levert alleen een merkwaardige bevinding op: zowel de brokstukken als
alles dat in het wrak wordt aangetroffen is zwart. Ook Chiara, die zich in een
bewaard gedeelte waagde en een zwart geworden document meenam, komt boven als
een negatief van zichzelf.
Terug in Waterzooi wordt de pikzwarte halfelf op hoongelach
van de dorpskinderen onthaald: iets als de pikzwarte halfelf hebben ze nog
nooit gezien. Ze steekt echter haar neus in de wind en rept zich naar de hoge
toren van de tovenaar. Die knippert ook wel een paar keer met zijn ogen, maar
belooft haar zijn best te doen om een remedie te vinden om het document weer
leesbaar te maken en haar perzikhuidje weer terug te brengen.
De volgende ochtend boent de tovenaar met groot genoegen
elke zwarte centimeter van Chiara schoon en overhandigt haar het geredde
document. Tot grote teleurstelling van de halfelf heeft ze haar bad in de inkt
genomen om niets dan een embleem van het Dragovar-rijk te redden. De tovenaar
kan haar echter wel vertellen dat het zwarte goedje zogenaamde ‘onleesbare inkt’
is. Wie ermee schrijft, kan er zijn schrijfsels zo mee beveiligen dat alleen de
beoogde bestemmeling ze kan lezen.
Ze legt de bevindingen voor aan de rest van de groep.
Onleesbare inkt lijkt geen vreemde vracht voor een diplomatiek schip, dus dit
schijnbare spoor lijkt er bij nader inzien dan toch geen te zijn.
Intussen zit Varlock achter een ongebruikelijk onaangeroerde
ochtendlijke kroes. Hij buigt zich over het document dat hijzelf terugvond in
zijn kist. Hoe hij ook zijn geheugen probeert te pijnigen, hij kan zich niet
herinneren wat er de bedoeling van was. Het enige dat nog leesbaar is, is het
zegel, dat toebehoort aan een sociaal wat hogergeplaatste dwergenfamilie. Het
kwelt hem dat hij niet meer weet wat de rest van de brief bevatte – een opdracht,
een boodschap die hij moest overbrengen? Er is echter weinig dat hij er
voorlopig aan kan doen, en hij voegt zich bij de rest van de groep wanneer die
weer inscheept.
In wat woelig weer steken ze van wal en varen richting de
Poseidon, het nog maar net vergane schip. De gebruikelijke ploeg van Chiara en
Fáelán daalt weer met de klok af. Alítih bereidt zich voor op alweer een
eindeloze dag op zee en heeft haar magische geschriften meegenomen om te
studeren. Ook Nazhaar en Varlock lummelen wat rond met het vaatje vloeibaar
goud dat de dwerg koestert.
Onder water is de situatie echter drastisch anders: zodra
Chiara vanonder de klok uitzwemt, ziet ze kikkerachtige wezens die bezig zijn
met het stapelen van stenen tot de haar inmiddels bekende torentjes. Ze weet
niet snel genoeg terug weg te glippen en wordt op haar beurt gezien. Zo snel ze
kan zwemt ze terug naar de klok en trekt heftig aan het touw om een noodsignaal
te geven. Boven water schiet men niet al te gauw in actie en Chiara wordt
achtervolgd door twee kikkerwezens die de klok inzwemmen en haar en Fáelán met
een gifwolk bestoken.
Het schip wiebelt heftig wanneer drie kikkerwezens onder
leiding van hun priester aan boord klimmen. De drie loungende leden van de
groep springen in actie. Alítih duikt op het heftig op en neer bewegende touw
af en probeert de klok omhoog te takelen, maar krijgt amper beweging in de boel
voor ze door één van de kikkerwezens overboord wordt gesleurd.
Nazhaar en Varlock stormen op de klok af, maar worden
verrast door een vurige kwaak van de kikkerpriester. Ze laten zich echter niet
stuiten en beginnen zo snel mogelijk de loodzware klok omhoog te halen.
Het water bruist intussen van diverse gevechten. Alítih
verrast haar aanvaller met een magische uitbarsting en teleporteert weg uit
zijn greep. Ze kan zich echter maar net aan de scheepsrand vastklampen en voor
ze het weet wordt ze door twee kikkerwezens opnieuw de zee ingekeild.
Onder de duikersklok kuchen Fáelán en Chiara tegen de
verstikkende gifwolk die hun krachten aanvreet. Ze stellen zich echter geducht
te weer. Fáelán hakt één van de wezens met één klap doormidden en terwijl zijn
bloed door het water wervelt, trekt Chiara haar zwaard en doorsteekt de tweede.
De resterende kikkerman blaast echter een nieuwe gifwolk de klok in, en ze
voelen het gif hun lichaam binnendringen.
Chiara besluit geen derde wolk meer af te wachten en zwemt
de klok uit. Dan ziet ze tot haar schrik dat boven haar hoofd andere
kikkerwezens druk bezig zijn met het doorzagen van het touw aan de klok. Straks
zinkt die op de bodem en zit Fáelán gevangen in een gifwolk! De snelle reflexen
van de ranger zijn echter niet aangetast: ze schopt een wrakstuk onder de klok,
net voor die neervalt, zodat er een kier vrij blijft voor de ridder. Fáelán
hakt de derde kikker aan stukken en weet zich net door de kier te worstelen die
Chiara heeft opengelaten.
Intussen op het schip houdt Nazhaar Varlock de kikkermannen
van het lijf, terwijl de dwerg zo snel mogelijk de klok omhoog probeert te
takelen. De wezens proberen ook Nazhaar in het water te keilen. De ex-kapitein
is echter zijn zeebenen niet kwijt en staat pal, terwijl de kikkerpriester de
elementen aanroept en er elektriciteit in de lucht knettert en op de drakenman
inslaat.
Tot zijn grote verbazing haalt Varlock inmiddels niet de
klok met zijn makkers… maar twee kikkerwezens op, die aan het doorgesneden touw
hingen. Hij wordt meteen aangevallen. De dwerg heeft geen tijd om zijn wapens
te trekken, maar zwaait onvervaard zijn gepantserde vuist en vermorzelt met een
forse klap een kikkerschedel.
Nazhaar heeft zijn zwaard weten te trekken en stelt zich
teweer tegen een overmacht. Hij doorsteekt een kikkerman en spuwt zijn giftige
drakenadem op een tweede, maar wordt keihard tegen de reling gegooid en zakt
bewusteloos neer. Intussen verzamelt de kikkerpriester andermaal zijn krachten.
Varlock ziet het gevaar en voert meteen een charge uit op de
kikkerpriester. Die wacht de stevige dwergenknuisten maar liever niet af en
springt het water in. Daar ziet hij Chiara, die omhoog aan het zwemmen is
terwijl onder haar Fáelán met de glibberige laatste kikkerman worstelt, en zwemt
op haar af. Chiara houdt het hoofd echter koel, trekt haar boog en legt er een
giftige pijl op – klaar om de kikkermannen een koekje van eigen deeg te geven. Haar
pijlen treffen doel. Nog even zwemt de doorzeefde priester als een zee-egel op
haar af, maar dan begeeft hij het en zakt naar de bodem.
Intussen heeft Alitih met een van haar overvallers
afgerekend en wordt door Varlock aan boord gehesen. De tweede kikkerman loopt
te pletter tegen het ijzeren gemoed van de dwerg en wanneer ook Fáelán de
oppervlakte bereikt, is de rust hersteld op het schip.
Wanneer Fáelán en Chiara wat op adem zijn gekomen, klimmen
ze meteen weer op het spreekwoordelijke paard en dalen weer af in de klok,
nadat Varlock het touw opnieuw bevestigd heeft.
Beneden zien ze dat de Poseidon
in stukken is gebroken, alsof er een zware impact is geweest – een gelijkaardige
situatie als bij de Keravsikor. Nieuw
is dat de stukken bedekt zijn met een vreemdsoortig soort slijm. Chiara neemt
een staal mee van het geheimzinnige goedje.
Hierna wordt koers gezet naar de plek waar De Morgen zovele jaren geleden aan de
grond liep. Weer zijn er de vertrouwde steenstapels te zien, die hier zwaar
begroeid zijn en bijna verdwenen zijn onder de koraalriffen die eromheen zijn
ontstaan. Chiara vindt tot haar plezier het anker van De Morgen terug. Een overgroeide inscriptie trekt haar aandacht en
ze overtuigt de groep ervan het ding omhoog te hijsen en mee te nemen.
Het is op een zeer woelige zee dat de terugtocht aanvaard
wordt. Tegen de avond zeilen ze Waterzooi weer binnen, waar de groep begroet
wordt door een uiterst zenuwachtige burgemeester Padraig, vergezeld van de
notaris. Ze brengen de groep snel op de hoogte van de aankomst van de
vertegenwoordiger van de Vost Miraj die gearriveerd is.
Die komt in hun kielzog weldra zelf waardig aangeschreden.
Azazel, een goedgeklede tiefling, meldt hen beschaafd dat hij het verloop van
hun onderzoek afwacht.
’s Avonds legt de groep zijn oor te luisteren in de herberg.
Er doen vage verhalen de ronde over orcs op het naburige eiland Estaol. Wanneer
ze discreet informeren naar de nieuwe prefect op Marzark hoort Nazhaar tot zijn
ergernis dat Taazhon zich kennelijk onderscheiden heeft in een schermutseling
op zee en als dank deze positie heeft gekregen.
De volgende dag poetst Chiara ijverig het anker van De Morgen schoon tot de inscriptie weer
leesbaar is geworden. “Ze moet een naam hebben” kan ze na enige moeite lezen. Chiara
herkent het wachtwoord dat kapitein Erano de groep gaf om aan zijn stuurman te
bewijzen dat ze uit zijn naam kwamen…
Malend over deze raadselachtige ontdekking trekt ze
andermaal naar de tovenaar. Tot zijn teleurstelling mag hij de halfelf niet nogmaals
in bad doen, maar hij is wel zo goed dat hij het slijm voor haar wil
determineren: het is iets dat volgens hem afkomstig is van ondoden.
Bij haar terugkeer in Waterzooi is de lucht zwaar
overtrokken. Het is duidelijk dat ze op zijn best een halve dag op onderzoek
kunnen – de rest van de schepen zal moeten wachten. Na enig overleg laten ze
zich door Nazhaar naar de plek gidsen waar de Jalan Vashir averij had opgelopen. Laverend door de naderende storm
raken ze toch nog ter plekke, zij het dat niet iedereen met intacte maaginhoud
arriveert.
Het onderzoek brengt meer van hetzelfde en slechts weinig
nieuws aan het licht: torentjes, enkele kisten die aangevreten zijn door zuur en
wat gelijkaardig slijm als ze de dag tevoren hebben gevonden.
Dan is het hoog tijd om terug te keren naar de haven. Daar krijgen
ze te horen dat de storm minstens twee dagen zal aanhouden. De zee zal
onbevaarbaar zijn, en hun onderzoek ter plekke ligt dus stil.
De groep beraadt
zich over wat hen te doen staat en probeert de gegevens die ze hebben samen te
puzzelen.
Alleen Nazhaar is wat afgeleid en wrijft onrustig over zijn groene
schub: de volgende morgen zal immers de dag voor de inning van het Tribuut zijn
aangebroken. Hij hoopt vurig dat Khesh het niet nodig zal vinden om haar nieuwverworven
onvrijwillige dienaar in te schakelen als extra assistent…