De twee slagen er niet geheel en al in om elke achterdocht
bij de prefect weg te nemen over het gebeuren bij het ‘spookschip’. Wanneer hij
vraagt naar de klauwsporen in de boot die de groep had geleend, verklaart
Nazhaar met stalen gezicht dat die aan een vis te wijten zijn, die kennelijk de
vreemde aandrang had hen te hulp te schieten. Zentorm klasseert het gebeuren
uiteindelijk onder ‘niet te verklaren voorvallen’. Hij heeft duidelijk andere
dingen aan zijn hoofd en heeft gelukkig geen flauw idee dat de twee de
tussenkomst van een draak voor hem geheim houden.
Wanneer een ambachtsman binnenkomt met een klein onyxen
beeldje barst de prefect in woede uit. Hij is niet te spreken over het hondje
dat de man heeft geproduceerd en de ambachtsman moet toegeven dat dit inderdaad
niet de bedoeling was: hij had een parel moeten maken, maar de onyx leek zich
tegen zijn beitel te verzetten. Hij kon niet anders dan een hond uithakken.
Nadat de man deemoedig verdwenen is, staart Zentorm even somber
naar het hondenbeeldje. Daarna begint hij met Varlock een gesprekje over het
schip waarmee de dwerg in de Drakenzee gearriveerd is. Althans: dat hem
regelrecht in de Drakenzee dumpte toen het verging. Varlock voelt zich ietwat
ongemakkelijk onder deze plotse warme belangstelling, maar bedenkt dat hij zijn
kist nog steeds niet terug heeft. Als Zentorm enig idee heeft waar het wrak van
het schip ligt, zou hij veel gerichter kunnen zoeken.
Het duurt niet lang voor de aap uit de mouw komt: Zentorm
laat het schip als aas voor de neus van de dwerg bungelen. Als hij Zentorm een
gunst verleent… dan zou Zentorm er wel voor kunnen zorgen dat Varlock zijn kist
terugvindt. Aanvankelijk klinkt het voorstel best interessant. Varlock stelt
voor dat hij in ruil op zoek kan gaan naar een parel van onyx, als Zentorm die
dan zo graag wil. De prefect geeft toe dat hij die dringend nodig heeft. Hij
wil zich namelijk inkopen in de Vost Miraj, de geheime inlichtingendienst van
het rijk, en daarvoor is een dergelijk kleinood een vereiste.
Zentorm is echter niet makkelijk tevreden gesteld. Naast een
onyx parel heeft hij ook een flink geldbedrag nodig. Hij vindt dat Nazhaar en
Varlock dat wel even voor hem kunnen gaan innen bij de plaatselijke bevolking,
in de vorm van een bijzondere belasting. Nazhaar voelt zich hoe langer hoe meer
tegen de schalen ingestreken en heeft helemaal geen zin om de bevelen van deze machtsbeluste
drakenman te gehoorzamen. Ook Varlock voelt er niet veel voor om
belastinggaarder te worden. Tot Zentorms grote woede weigeren de twee vierkant
hun medewerking.
Varlock en Nazhaar merken dat de situatie wel eens uit de
hand zou kunnen lopen en besluiten maar om dat niet af te wachten. Is de aanval
niet steeds de beste verdediging? Terwijl Varlock met getrokken hamer richting
Zentorm rent, grijpt Nazhaar het onyxen beeldje dat nog op het bureau staat.
Oude verhalen die hij ooit hoorde, blijken tot zijn plezier te kloppen. Zodra hij
een bevel uitspreekt, verschijnt er een levensechte hond bij zijn voeten die
hij op de prefect afstuurt.
Geen van beide had veel acht geslagen op het huisdier van
Zentorm dat in een mandje naast zijn bureau lag te slapen. Wanneer een klein
draakje boos opspringt, beseffen dat ze zich in een penibelere situatie hebben
gemanoeuvreerd dan voorzien. Zowel Zentorm als zijn huisdier braken vuur op hen
af. Aan de muur hangende kaarten vliegen in brand en de vlammen slaan snel over
op de wanden.
Zentorm grijpt een zak goud uit een la van zijn bureau en
springt er bovenop, weg van het vuur. Hij zwaait zijn wapen richting Nazhaar en
Varlock. Nazhaar heeft intussen de hond op het draakje afgestuurd. Dat heeft
als onvoorzien gevolg dat het beest woedend vuur blijft spuwen, zodat de
vlammen zich steeds verder uitbreiden.
Varlock voert een charge uit op Zentorm, die ervoor kiest om
de vlucht te nemen. Hij probeert over Nazhaar heen te springen, maar wordt door
een zware dwergenhamer tegen het bureau gesmakt. De prefect is er slecht aan
toe en het vuur rukt op als een hongerige muur. Op het moment dat de vlammen de
prefect verzwelgen, rukt Nazhaar, geholpen door Varlock die hen het draakje van
het lijf houdt, nog net de zak goud uit de handen van Zentorm. Daarna kiezen de
twee wijselijk het hazenpad.
Zo nonchalant mogelijk verlaten ze het gebouw, al vragen
twee wachters achterdochtig wat er allemaal gaande is in het kantoor van de
prefect. Varlock zet zijn eerlijkste ‘ik ben een dwerg die nog nooit van zijn
leven een onwaarheid heeft verteld’-gezicht op en dist een verhaal op over een
woedende prefect, een schaapachtige ambachtsman, een mislukt beeldje en een
vuurspuwend draakje. De wachters vinden dit kennelijk een verhaal dat wel past
bij het temperament van hun chef en stellen de motieven van de twee niet in
vraag. Ze weten het eiland dan ook met behoud van lijf en leden te verlaten.
Op Khesh werd Chiara inmiddels benaderd door een ietwat
vermoeide Radam. Hij fungeert nog steeds als vervanging voor haar bediende, die
enkele dagen geleden de benen heeft genomen. Vrouwe Serusa heeft uitgevogeld
dat er een stuk van het schip dat is omgebouwd tot herberg ontbreekt: de
kapiteinshut. Ze vermoedt dat Erano Stern het heeft geïntegreerd in zijn huis
en wil dat per se bezoeken. Chiara ziet daar niet veel kwaads in en geeft haar
toestemming. Radam vraagt haar ook nog naar de verrekijker die deel van de
erfenis van de kapitein was. Ze belooft dat ze hem die zal geven, maar wordt
dan afgeleid door een elf.
De elf, Turnwell, wil bij haar in dienst treden: hij komt
zich presenteren als nieuwe herbergier. Zijn voorstel lijkt te goed om waar te
zijn: niet alleen is hij klaar om meteen aan het werk te gaan en haar alles uit
handen te nemen, hij hoeft ook nog eens geen loon, alleen kost en inwoning.
Chiara besluit dat ze vanzelf wel zal merken wat zijn verhaal is en aanvaardt
gretig deze vrijwel gratis hulp. Ze ondervraagt hem wel nieuwsgierig over het
embleem dat hij draagt: een blad gehuld in sneeuw. De elf vertelt haar dat dit
het symbool is van een handelsorganisatie waar hij lid van is. Hij zet het
gesprek losjes verder en daarna duurt het niet lang voor hij nonchalant opmerkt
dat het hem toch wel opvalt dat de kapiteinshut van het schip ontbreekt… waar
is die gebleven?
Alítih en Fáelán, die beide conversaties gevolgd hebben,
ruiken onraad. Waar komt die belangstelling voor de kapiteinshut ineens
vandaan? Ze besluiten zelf op zoek te gaan naar de hut. Er is immers nog veel
raadselachtigs dat wijlen Erano Stern omgeeft: waarvoor was hij op de vlucht
toen hij naar Khesh kwam? Wie of wat heeft hem gedood?
In het dorp gaan ze hun licht opsteken bij één van de
matrozen die indertijd samen met Erano op Khesh gestrand is. Die kan hen alleen
vertellen dat de kapitein de hut wellicht op magische wijze verborgen heeft.
Bij het huis van de kapitein horen ze al van verre de stem van vrouwe Serusa,
die luidkeels klaagt over het ontbreken van de hut en de povere kwaliteit van
de diensten van Radam. Ze mist haar dienaar deerlijk. Hier moeten ze duidelijk
niet zijn.
Zodra Turnwell even uit het zicht verdwenen is, stellen ze
Chiara van de vorderingen op de hoogte. Zij besluit om de gelagkamer zelf eens
grondig te onderzoeken. Het luik achter de tapkast levert aanvankelijk niet
veel op… tot ze besluit aan de hendel te prutsen die het valluik opent. Ineens
klapt het luik open richting een heel andere kamer. Samen met Alítih glipt ze
naar binnen, terwijl Fáelán op wacht blijft staan.
De kamer blijkt inderdaad de vermiste kapiteinshut te zijn.
Hij hangt vol met zeekaarten en op een tafel ligt een logboek dat is
volgeschreven in het handschrift van de kapitein. Wanneer ze er snel doorheen
bladeren, krijgen ze bevestiging van de informatie die al bleek uit de
afscheidsbrief van de kapitein: hij is gevlucht voor een organisatie en
ondergedoken op Khesh. Op de muur is een vergulde tekst aangebracht: “Waar de
morgen vaart, zal de zon weer opkomen.”
Fáelán schrikt op wanneer een hijgende bode de herberg komt
binnengestormd. Die verzoekt om de onmiddellijke aanwezigheid van de groep bij
het huis van de burgemeester: er is een lijk gevonden bij het prieeltje in
diens tuin. Verontrust werkt de ridder de bode de herberg uit en roept Alítih
en Chiara terug. Het kan geen toeval zijn dat het lijk precies daar is gevonden
waar zij niet zo lang geleden uit de venomietmijn zijn gekomen, via het
magische portaal.
Ze spoeden zich naar het huis van de Padraigs, waar de
burgemeester met onkarakteristieke arrogantie bevelen staat uit te delen. In de
zijlinie werpt vrouwe Padraig af en toe een bewonderende en verliefde blik op
haar ineens zo imposante echtgenoot.
Wanneer de groep zich buigt over het gevonden lijk worden ze
geconfronteerd met een misselijkmakende aanblik. Het menselijke lijk is gevild
en in stukken gehakt. Wanneer ze wat meer onderzoek doen, beseffen ze dat er
één arm ontbreekt. Volgens Fáelán hebben ze hier te maken met een moordenaar
die de aandacht wil trekken: anders zou hij niet zo’n beestachtig verminkt lijk
op deze publieke plek achterlaten. Chiara probeert na te gaan of het
slachtoffer op dezelfde manier aan zijn eind is gekomen als de kapitein.
Ondanks het feit dat er niet veel op te maken is uit de overblijfselen, ziet ze
toch wel enkele wonden die gelijkaardig lijken. Ze hebben geen idee over de identiteit
van het slachtoffer en Alítih wijst op een andere mogelijke motivatie voor de
behandeling van het lijk: villen is een uitstekende manier om een slachtoffer
onherkenbaar te maken.
Fáelán stelt voor om het hele dorp te verzamelen op het
marktplein. Zo kan op een snelle manier vastgesteld worden wie er ontbreekt
onder de bevolking. Padraig keurt het voorstel goed en verzamelt iedereen om
hen van de droeve vondst op de hoogte te stellen. Wanneer hij informeert of er
families zijn waar iemand ontbreekt, is het even stil. Daarna klinkt een
geaffecteerde stem over het plein, die met de volle kracht van gerechtvaardigde
verontwaardiging schalt: “Mijn dienaar!”
Nazhaar en Varlock die op dit moment roetbevlekt arriveren
in Waterzooi worden niet veel later op de hoogte gesteld van de situatie.
Chiara heeft de magisch verborgen kapiteinshut tot geheime
overlegplek gebombardeerd en daar komt de groep bijeen. Met het nodige
scepticisme wordt het verhaal over het verscheiden van Zentorm aangehoord, maar
aangezien niemand bijzonder op de prefect was gesteld, richten ze hun aandacht
op de kwestie van het lijk van Serusa’s dienaar.
Achteraf lag de link tussen het ontbreken van een arm en
Serusa’s eenarmige dienaar natuurlijk voor de hand, maar belangrijker is de
vraag: hoe is hij aan zijn einde gekomen? Het besluit wordt getroffen om de
venomietmijn opnieuw te gaan onderzoeken. Daar moet nog een gevaar huizen
waarmee nog niet is afgerekend.
Nadat dit voornemen is gemaakt, snuffelt Nazhaar
nieuwsgierig rond in de kapiteinshut. Met enige weemoed staart de drakenman
naar de kaarten aan de muur en de andere parafernalia die bij zijn ruw
afgebroken carrière hoorden. Wanneer hij het magische kompas oppakt dat Chiara
bij de andere bezittingen van haar stiefvader had neergelegd, gloeit het
zachtjes op. De ex-kapitein voelt dat het voorwerp weer een heel klein beetje
kracht heeft opgedaan…
Geen opmerkingen:
Een reactie posten