woensdag 11 mei 2016

Hoofdstuk 11

De groep krijgt de steun van Padraig bij hun plan om de venomietmijn verder te gaan uitkammen. Vrouwe Padraig stopt hen nog enkele genezende brouwsels toe die hen dienstig kunnen zijn bij de gevaarlijke expeditie. De sfeer is gespannen: het is iedereen duidelijk dat er een groot gevaar in de mijn schuilt en dat de vijf die zich opmaken om af te dalen misschien wel nooit meer boven zullen komen.
Vlak voor ze vertrekken, worden ze benaderd door een ernstig kijkende notaris. Hij stelt hen discreet voor dat hij uit respect voor de diensten die zij het dorp betuigen, voor hen een testament of brief wil versturen. In aanvang krijgt hij niet veel reactie, maar tussen de voorbereidingen door glippen toch enkele groepsleden weg om hem een envelop of smoezelig briefje toe te steken.

Wanneer Alítih de teleportatiecirkel activeert, voelt ze meteen dat eraan gemorreld is. Het kost haar meer moeite dan nodig zou moeten zijn, maar ze slaagt erin om het te openen en de hele groep erdoor te laten stappen.
Ze begeven zich voorzichtig richting één van de ruimtes die ze bij hun vorige bezoek hebben overgeslagen: de gang waaruit een zure geur wasemde. Chiara gaat voorop om het terrein te verkennen en komt terecht in een donkere, moerassige ruimte. Grote planten en struiken rijzen op uit de vochtige bodem en zorgen ervoor dat ze amper een paar meter ver kan zien.
Na enkele meters botst Chiara op een spore-achtig wezen dat vanachter een struik dreigend op haar afzweeft. Ze waarschuwt de groep, die haar vanop een afstandje volgde, dat ze beter een andere kant op kunnen gaan. 
Fáelán waarschuwt meteen dat ze beter niet uit elkaar kunnen gaan op dit onbekende terrein, maar Nazhaar trekt zich daar niets van aan. Hij laat Chiara onbekommerd achter en trekt langs de andere kant om de dichte struik heen. Alítih en Varlock volgen hem, terwijl Chiara zich voorzichtig probeert terug te trekken van bij het spore-wezen. Nazhaar botst echter na enkele stappen op eenzelfde wezen gestuit. De groep trekt andermaal terug… dit wordt een klusje van lange adem.
Dan schieten er uit de struikenwirwar ineens levende ranken tevoorschijn die zich om de indringers heen slingeren. Alítih activeert meteen haar magie en teleporteert uit de greep van de rank. Andere groepsleden zijn niet zo fortuinlijk en raken verstrikt. Nazhaar, die te veraf stond, wordt intussen aangevallen door het spore-wezen.
Terwijl Fáelán wanhopig probeert om de groep samen te houden, wordt de chaos alleen maar groter. Nazhaar stelt zich teweer tegen het spore-wezen en trekt zich daarna nog verder terug van de struik met de verraderlijke ranken, richting het water. Ook Varlock, die zich van de ranken heeft weten te bevrijden, trekt die kant op. Chiara ligt inmiddels hulpeloos te kronkelen in de verstikkende greep van de takken. Terwijl Fáelán een schijnbaar hopeloos gevecht levert, weet Alítih haar los te trekken. Chiara vuurt een paar pijlen op de ranken af, maar die missen alle doel. Ze neemt tenslotte de wijk en rent tot grote ergernis van Fáelán achter Nazhaar en Varlock aan richting het water.
De ridder merkt dat de ranken maar blijven komen en zich razendsnel herstellen van elke aanval die hij en Alítih erop uitvoeren. Hij besluit tenslotte knarsetandend dat er niets anders opzit dan deze vijand achter te laten, in de hoop dat die hen niet later in de rug komt aanvallen.
Varlock en Nazhaar zijn inmiddels langs enkele andere spore-wezens richting het water geslalomd. Wanneer ze er nog één moeten neerslaan, laat die een wolk gif op hen los, maar de twee zijn van stevig materiaal gemaakt en rennen er dwars doorheen.
Bij het water gekomen, gaat Nazhaar nieuwsgierig met een stok rondporren. Varlock gaat wat verderop op verkenning – Fáelán is toch niet in de buurt – en kan nog net op tijd opzij springen, wanneer zich een gat in de bodem opent. Nazhaar ziet in de verte een grote vorm in het water en besluit dat het misschien toch veiliger is om de gelederen wat samen te houden. Hij springt over het gat heen, waar op de bodem vuur rookt, en weet ternauwernood aan de overkant te geraken. Varlock biedt hem echter een helpende hand en trekt de drakenman van bij de rand op veilige grond.
Die veiligheid is echter maar zeer relatief, wanneer duidelijk wordt dat het grote wezen in het water een zwarte draak is die uit de diepten oprijst en zich woedend op de indringers stort. Hij brult Nazhaar en Varlock toe terwijl hij met zijn klauwen naar hen uithaalt. Ze struikelen achteruit, richting een nieuwe gifwolk die zich achter hen heeft opgebouwd.
Chiara duikt echter op en spant meteen haar boog. Haar pijlen zoeven richting de wolk, die ontploft en desintegreert, en de draak, die er niet van onder de indruk lijkt. Ze ziet in de verte dat op eilandjes in het water nog meer giftige wolken opstijgen en hun kant opkomen. Als dit gevecht niet snel een andere kant opgaat, kan de situatie nog penibel worden.
De draak doet verwoede uitvallen naar Varlock, die er kennelijk uitziet als een uitgelezen hapje, en buldert tevreden dat hij hen “mocht opeten van de meesteresse”. De dwerg lijdt zwaar onder de geconcentreerde aanvallen en dreigt inderdaad in de keel van de draak te verdwijnen. Nazhaar, die hem daarvan probeert te weerhouden, krijgt het zwaar te verduren en is al gauw bedekt met diepe wonden. Fáelán ziet de benarde situatie en rept zich naderbij om hulp te bieden. Nadat hij de drakenman met één hand genezing heeft toegediend, voert hij een charge uit op de zwarte draak.
Ook de draak is niet meer onbeschadigd: de pijlen van Chiara en Nazhaars bijl hebben hem al stevig verwond. Uit de sneeën in zijn zwarte lijf drupt bloed dat sist wanneer het neerkomt. De strijders moeten nu ook wegspringen voor de druppels die branden als zuur. De draak ziet Fáelán als bron van ellende en zet zijn tanden in hem. Zijn speeksel vliegt in het rond en smelt een struik waarachter Alítih en Chiara zich verdekt hadden opgesteld. Ze springen net te traag weg en Alítih vuurt woedend een zware bezwering op de draak af. Die duikt echter net op tijd onder water om de grootste impact te vermijden en lijkt te verdwijnen.
De groep lapt hijgend snel enkele wonden op, maar dan wijst Nazhaar naar het water, waar een donkere vorm komt aangeschoten. Varlock, die nog amper bij kennis is, moet tot zijn grote frustratie terugtrekken, terwijl Chiara een spervuur aan pijlen op de draak loslaat, zodra die weer boven water komt. Nazhaar, die manmoedig met zijn zwaard naar het zwarte monster uithaalt, moet algauw eveneens terugtrekken, wanneer zijn verwondingen hem te zeer verzwakken om nog voor het brandende speeksel te kunnen wegspringen.
De draak identificeert Chiara als zijn grootste bedreiging en wil zich op haar storten. De halfelf verbleekt, maar blijft pijlen afschieten, terwijl ze achteruit deinst. Fáelán ziet echter het gevaar en werpt zich tussen haar en de draak in. Met een indrukwekkende charge weet hij zijn zwaard in de keel van de draak te rammen, die stervend neerzijgt, en nog mompelt: “Ik leef en sterf voor de meesteresse…”
Wanneer duidelijk is dat de draak echt dood is, worden de zwaargewonden verzorgd en gaat Chiara de klauwen van de draak inspecteren. Is dit wellicht het wezen dat verantwoordelijk was voor de dood van kapitein Erano Stern? Maar de klauwen noch tanden komen overeen met de wonden die hem waren toegebracht… Toch neemt de ranger enkele drakentanden mee.

De groep begeeft zich wijselijk terug naar het portaal. Ze zijn in geen conditie om het onderzoek van de mijn verder te zetten. Eerst moeten ze wat op krachten komen. Alítih begint vermoeid met de bezwering die het portaal opent en voelt dat haar magische kracht snel afneemt. Te snel. Er is echt iets mis met het portaal…
Wanneer ze weer bij het landhuis van de Padraigs arriveren, begint Fáelán net aan een strenge toespraak met als onderwerp ‘en volgende keer blijven we samen’, wanneer er iets tot de groep doordringt: Alítih is niet met hen meegekomen.

In de venomietmijn is Alitih uitgeput van haar inspanning om het portaal open te houden voor de hele groep. Net op het moment dat ze wil proberen om er toch nog zelf door te glippen, wordt ze door onzichtbare handen gegrepen en ondanks haar verzet stevig vastgebonden. Ze doet een beroep op haar magische krachten om uit de greep van haar onbekende overvaller weg te kunnen teleporteren, maar dan glijdt er een blinddoek over haar ogen – verblind en gedesoriënteerd kan de tovenares geen kant op…

Hoofdstuk 10

Op eiland Marzark worden Varlock en Nazhaar meegenomen naar de kantoren van Zentorm de Alziende. Door volgepakte stapelkamers worden ze naar een chique bureau geleid, waar de prefect gewichtig begint aan zijn ondervraging.
De twee slagen er niet geheel en al in om elke achterdocht bij de prefect weg te nemen over het gebeuren bij het ‘spookschip’. Wanneer hij vraagt naar de klauwsporen in de boot die de groep had geleend, verklaart Nazhaar met stalen gezicht dat die aan een vis te wijten zijn, die kennelijk de vreemde aandrang had hen te hulp te schieten. Zentorm klasseert het gebeuren uiteindelijk onder ‘niet te verklaren voorvallen’. Hij heeft duidelijk andere dingen aan zijn hoofd en heeft gelukkig geen flauw idee dat de twee de tussenkomst van een draak voor hem geheim houden.
Wanneer een ambachtsman binnenkomt met een klein onyxen beeldje barst de prefect in woede uit. Hij is niet te spreken over het hondje dat de man heeft geproduceerd en de ambachtsman moet toegeven dat dit inderdaad niet de bedoeling was: hij had een parel moeten maken, maar de onyx leek zich tegen zijn beitel te verzetten. Hij kon niet anders dan een hond uithakken.
Nadat de man deemoedig verdwenen is, staart Zentorm even somber naar het hondenbeeldje. Daarna begint hij met Varlock een gesprekje over het schip waarmee de dwerg in de Drakenzee gearriveerd is. Althans: dat hem regelrecht in de Drakenzee dumpte toen het verging. Varlock voelt zich ietwat ongemakkelijk onder deze plotse warme belangstelling, maar bedenkt dat hij zijn kist nog steeds niet terug heeft. Als Zentorm enig idee heeft waar het wrak van het schip ligt, zou hij veel gerichter kunnen zoeken.
Het duurt niet lang voor de aap uit de mouw komt: Zentorm laat het schip als aas voor de neus van de dwerg bungelen. Als hij Zentorm een gunst verleent… dan zou Zentorm er wel voor kunnen zorgen dat Varlock zijn kist terugvindt. Aanvankelijk klinkt het voorstel best interessant. Varlock stelt voor dat hij in ruil op zoek kan gaan naar een parel van onyx, als Zentorm die dan zo graag wil. De prefect geeft toe dat hij die dringend nodig heeft. Hij wil zich namelijk inkopen in de Vost Miraj, de geheime inlichtingendienst van het rijk, en daarvoor is een dergelijk kleinood een vereiste.
Zentorm is echter niet makkelijk tevreden gesteld. Naast een onyx parel heeft hij ook een flink geldbedrag nodig. Hij vindt dat Nazhaar en Varlock dat wel even voor hem kunnen gaan innen bij de plaatselijke bevolking, in de vorm van een bijzondere belasting. Nazhaar voelt zich hoe langer hoe meer tegen de schalen ingestreken en heeft helemaal geen zin om de bevelen van deze machtsbeluste drakenman te gehoorzamen. Ook Varlock voelt er niet veel voor om belastinggaarder te worden. Tot Zentorms grote woede weigeren de twee vierkant hun medewerking.
Varlock en Nazhaar merken dat de situatie wel eens uit de hand zou kunnen lopen en besluiten maar om dat niet af te wachten. Is de aanval niet steeds de beste verdediging? Terwijl Varlock met getrokken hamer richting Zentorm rent, grijpt Nazhaar het onyxen beeldje dat nog op het bureau staat. Oude verhalen die hij ooit hoorde, blijken tot zijn plezier te kloppen. Zodra hij een bevel uitspreekt, verschijnt er een levensechte hond bij zijn voeten die hij op de prefect afstuurt.
Geen van beide had veel acht geslagen op het huisdier van Zentorm dat in een mandje naast zijn bureau lag te slapen. Wanneer een klein draakje boos opspringt, beseffen dat ze zich in een penibelere situatie hebben gemanoeuvreerd dan voorzien. Zowel Zentorm als zijn huisdier braken vuur op hen af. Aan de muur hangende kaarten vliegen in brand en de vlammen slaan snel over op de wanden.
Zentorm grijpt een zak goud uit een la van zijn bureau en springt er bovenop, weg van het vuur. Hij zwaait zijn wapen richting Nazhaar en Varlock. Nazhaar heeft intussen de hond op het draakje afgestuurd. Dat heeft als onvoorzien gevolg dat het beest woedend vuur blijft spuwen, zodat de vlammen zich steeds verder uitbreiden.
Varlock voert een charge uit op Zentorm, die ervoor kiest om de vlucht te nemen. Hij probeert over Nazhaar heen te springen, maar wordt door een zware dwergenhamer tegen het bureau gesmakt. De prefect is er slecht aan toe en het vuur rukt op als een hongerige muur. Op het moment dat de vlammen de prefect verzwelgen, rukt Nazhaar, geholpen door Varlock die hen het draakje van het lijf houdt, nog net de zak goud uit de handen van Zentorm. Daarna kiezen de twee wijselijk het hazenpad.
Zo nonchalant mogelijk verlaten ze het gebouw, al vragen twee wachters achterdochtig wat er allemaal gaande is in het kantoor van de prefect. Varlock zet zijn eerlijkste ‘ik ben een dwerg die nog nooit van zijn leven een onwaarheid heeft verteld’-gezicht op en dist een verhaal op over een woedende prefect, een schaapachtige ambachtsman, een mislukt beeldje en een vuurspuwend draakje. De wachters vinden dit kennelijk een verhaal dat wel past bij het temperament van hun chef en stellen de motieven van de twee niet in vraag. Ze weten het eiland dan ook met behoud van lijf en leden te verlaten.

Op Khesh werd Chiara inmiddels benaderd door een ietwat vermoeide Radam. Hij fungeert nog steeds als vervanging voor haar bediende, die enkele dagen geleden de benen heeft genomen. Vrouwe Serusa heeft uitgevogeld dat er een stuk van het schip dat is omgebouwd tot herberg ontbreekt: de kapiteinshut. Ze vermoedt dat Erano Stern het heeft geïntegreerd in zijn huis en wil dat per se bezoeken. Chiara ziet daar niet veel kwaads in en geeft haar toestemming. Radam vraagt haar ook nog naar de verrekijker die deel van de erfenis van de kapitein was. Ze belooft dat ze hem die zal geven, maar wordt dan afgeleid door een elf.
De elf, Turnwell, wil bij haar in dienst treden: hij komt zich presenteren als nieuwe herbergier. Zijn voorstel lijkt te goed om waar te zijn: niet alleen is hij klaar om meteen aan het werk te gaan en haar alles uit handen te nemen, hij hoeft ook nog eens geen loon, alleen kost en inwoning. Chiara besluit dat ze vanzelf wel zal merken wat zijn verhaal is en aanvaardt gretig deze vrijwel gratis hulp. Ze ondervraagt hem wel nieuwsgierig over het embleem dat hij draagt: een blad gehuld in sneeuw. De elf vertelt haar dat dit het symbool is van een handelsorganisatie waar hij lid van is. Hij zet het gesprek losjes verder en daarna duurt het niet lang voor hij nonchalant opmerkt dat het hem toch wel opvalt dat de kapiteinshut van het schip ontbreekt… waar is die gebleven?
Alítih en Fáelán, die beide conversaties gevolgd hebben, ruiken onraad. Waar komt die belangstelling voor de kapiteinshut ineens vandaan? Ze besluiten zelf op zoek te gaan naar de hut. Er is immers nog veel raadselachtigs dat wijlen Erano Stern omgeeft: waarvoor was hij op de vlucht toen hij naar Khesh kwam? Wie of wat heeft hem gedood?
In het dorp gaan ze hun licht opsteken bij één van de matrozen die indertijd samen met Erano op Khesh gestrand is. Die kan hen alleen vertellen dat de kapitein de hut wellicht op magische wijze verborgen heeft. Bij het huis van de kapitein horen ze al van verre de stem van vrouwe Serusa, die luidkeels klaagt over het ontbreken van de hut en de povere kwaliteit van de diensten van Radam. Ze mist haar dienaar deerlijk. Hier moeten ze duidelijk niet zijn.
Zodra Turnwell even uit het zicht verdwenen is, stellen ze Chiara van de vorderingen op de hoogte. Zij besluit om de gelagkamer zelf eens grondig te onderzoeken. Het luik achter de tapkast levert aanvankelijk niet veel op… tot ze besluit aan de hendel te prutsen die het valluik opent. Ineens klapt het luik open richting een heel andere kamer. Samen met Alítih glipt ze naar binnen, terwijl Fáelán op wacht blijft staan.
De kamer blijkt inderdaad de vermiste kapiteinshut te zijn. Hij hangt vol met zeekaarten en op een tafel ligt een logboek dat is volgeschreven in het handschrift van de kapitein. Wanneer ze er snel doorheen bladeren, krijgen ze bevestiging van de informatie die al bleek uit de afscheidsbrief van de kapitein: hij is gevlucht voor een organisatie en ondergedoken op Khesh. Op de muur is een vergulde tekst aangebracht: “Waar de morgen vaart, zal de zon weer opkomen.”
Fáelán schrikt op wanneer een hijgende bode de herberg komt binnengestormd. Die verzoekt om de onmiddellijke aanwezigheid van de groep bij het huis van de burgemeester: er is een lijk gevonden bij het prieeltje in diens tuin. Verontrust werkt de ridder de bode de herberg uit en roept Alítih en Chiara terug. Het kan geen toeval zijn dat het lijk precies daar is gevonden waar zij niet zo lang geleden uit de venomietmijn zijn gekomen, via het magische portaal.
Ze spoeden zich naar het huis van de Padraigs, waar de burgemeester met onkarakteristieke arrogantie bevelen staat uit te delen. In de zijlinie werpt vrouwe Padraig af en toe een bewonderende en verliefde blik op haar ineens zo imposante echtgenoot.
Wanneer de groep zich buigt over het gevonden lijk worden ze geconfronteerd met een misselijkmakende aanblik. Het menselijke lijk is gevild en in stukken gehakt. Wanneer ze wat meer onderzoek doen, beseffen ze dat er één arm ontbreekt. Volgens Fáelán hebben ze hier te maken met een moordenaar die de aandacht wil trekken: anders zou hij niet zo’n beestachtig verminkt lijk op deze publieke plek achterlaten. Chiara probeert na te gaan of het slachtoffer op dezelfde manier aan zijn eind is gekomen als de kapitein. Ondanks het feit dat er niet veel op te maken is uit de overblijfselen, ziet ze toch wel enkele wonden die gelijkaardig lijken. Ze hebben geen idee over de identiteit van het slachtoffer en Alítih wijst op een andere mogelijke motivatie voor de behandeling van het lijk: villen is een uitstekende manier om een slachtoffer onherkenbaar te maken.
Fáelán stelt voor om het hele dorp te verzamelen op het marktplein. Zo kan op een snelle manier vastgesteld worden wie er ontbreekt onder de bevolking. Padraig keurt het voorstel goed en verzamelt iedereen om hen van de droeve vondst op de hoogte te stellen. Wanneer hij informeert of er families zijn waar iemand ontbreekt, is het even stil. Daarna klinkt een geaffecteerde stem over het plein, die met de volle kracht van gerechtvaardigde verontwaardiging schalt: “Mijn dienaar!”

Nazhaar en Varlock die op dit moment roetbevlekt arriveren in Waterzooi worden niet veel later op de hoogte gesteld van de situatie.
Chiara heeft de magisch verborgen kapiteinshut tot geheime overlegplek gebombardeerd en daar komt de groep bijeen. Met het nodige scepticisme wordt het verhaal over het verscheiden van Zentorm aangehoord, maar aangezien niemand bijzonder op de prefect was gesteld, richten ze hun aandacht op de kwestie van het lijk van Serusa’s dienaar.
Achteraf lag de link tussen het ontbreken van een arm en Serusa’s eenarmige dienaar natuurlijk voor de hand, maar belangrijker is de vraag: hoe is hij aan zijn einde gekomen? Het besluit wordt getroffen om de venomietmijn opnieuw te gaan onderzoeken. Daar moet nog een gevaar huizen waarmee nog niet is afgerekend.
Nadat dit voornemen is gemaakt, snuffelt Nazhaar nieuwsgierig rond in de kapiteinshut. Met enige weemoed staart de drakenman naar de kaarten aan de muur en de andere parafernalia die bij zijn ruw afgebroken carrière hoorden. Wanneer hij het magische kompas oppakt dat Chiara bij de andere bezittingen van haar stiefvader had neergelegd, gloeit het zachtjes op. De ex-kapitein voelt dat het voorwerp weer een heel klein beetje kracht heeft opgedaan…