Vlak voor ze vertrekken, worden ze benaderd door een ernstig
kijkende notaris. Hij stelt hen discreet voor dat hij uit respect voor de
diensten die zij het dorp betuigen, voor hen een testament of brief wil
versturen. In aanvang krijgt hij niet veel reactie, maar tussen de
voorbereidingen door glippen toch enkele groepsleden weg om hem een envelop of
smoezelig briefje toe te steken.
Wanneer Alítih de teleportatiecirkel activeert, voelt ze
meteen dat eraan gemorreld is. Het kost haar meer moeite dan nodig zou moeten
zijn, maar ze slaagt erin om het te openen en de hele groep erdoor te laten
stappen.
Ze begeven zich voorzichtig richting één van de ruimtes die
ze bij hun vorige bezoek hebben overgeslagen: de gang waaruit een zure geur
wasemde. Chiara gaat voorop om het terrein te verkennen en komt terecht in een
donkere, moerassige ruimte. Grote planten en struiken rijzen op uit de vochtige
bodem en zorgen ervoor dat ze amper een paar meter ver kan zien.
Na enkele meters botst Chiara op een spore-achtig wezen dat
vanachter een struik dreigend op haar afzweeft. Ze waarschuwt de groep, die
haar vanop een afstandje volgde, dat ze beter een andere kant op kunnen gaan.
Fáelán waarschuwt meteen dat ze beter niet uit elkaar kunnen
gaan op dit onbekende terrein, maar Nazhaar trekt zich daar niets van aan. Hij
laat Chiara onbekommerd achter en trekt langs de andere kant om de dichte
struik heen. Alítih en Varlock volgen hem, terwijl Chiara zich voorzichtig
probeert terug te trekken van bij het spore-wezen. Nazhaar botst echter na
enkele stappen op eenzelfde wezen gestuit. De groep trekt andermaal terug… dit
wordt een klusje van lange adem.
Dan schieten er uit de struikenwirwar ineens levende ranken
tevoorschijn die zich om de indringers heen slingeren. Alítih activeert meteen
haar magie en teleporteert uit de greep van de rank. Andere groepsleden zijn
niet zo fortuinlijk en raken verstrikt. Nazhaar, die te veraf stond, wordt
intussen aangevallen door het spore-wezen.
Terwijl Fáelán wanhopig probeert om de groep samen te
houden, wordt de chaos alleen maar groter. Nazhaar stelt zich teweer tegen het
spore-wezen en trekt zich daarna nog verder terug van de struik met de
verraderlijke ranken, richting het water. Ook Varlock, die zich van de ranken
heeft weten te bevrijden, trekt die kant op. Chiara ligt inmiddels hulpeloos te
kronkelen in de verstikkende greep van de takken. Terwijl Fáelán een schijnbaar
hopeloos gevecht levert, weet Alítih haar los te trekken. Chiara vuurt een paar
pijlen op de ranken af, maar die missen alle doel. Ze neemt tenslotte de wijk
en rent tot grote ergernis van Fáelán achter Nazhaar en Varlock aan richting
het water.
De ridder merkt dat de ranken maar blijven komen en zich
razendsnel herstellen van elke aanval die hij en Alítih erop uitvoeren. Hij
besluit tenslotte knarsetandend dat er niets anders opzit dan deze vijand
achter te laten, in de hoop dat die hen niet later in de rug komt aanvallen.
Varlock en Nazhaar zijn inmiddels langs enkele andere
spore-wezens richting het water geslalomd. Wanneer ze er nog één moeten
neerslaan, laat die een wolk gif op hen los, maar de twee zijn van stevig
materiaal gemaakt en rennen er dwars doorheen.
Bij het water gekomen, gaat Nazhaar nieuwsgierig met een
stok rondporren. Varlock gaat wat verderop op verkenning – Fáelán is toch niet
in de buurt – en kan nog net op tijd opzij springen, wanneer zich een gat in de
bodem opent. Nazhaar ziet in de verte een grote vorm in het water en besluit
dat het misschien toch veiliger is om de gelederen wat samen te houden. Hij
springt over het gat heen, waar op de bodem vuur rookt, en weet ternauwernood
aan de overkant te geraken. Varlock biedt hem echter een helpende hand en trekt
de drakenman van bij de rand op veilige grond.
Die veiligheid is echter maar zeer relatief, wanneer
duidelijk wordt dat het grote wezen in het water een zwarte draak is die uit de
diepten oprijst en zich woedend op de indringers stort. Hij brult Nazhaar en
Varlock toe terwijl hij met zijn klauwen naar hen uithaalt. Ze struikelen
achteruit, richting een nieuwe gifwolk die zich achter hen heeft opgebouwd.
Chiara duikt echter op en spant meteen haar boog. Haar
pijlen zoeven richting de wolk, die ontploft en desintegreert, en de draak, die
er niet van onder de indruk lijkt. Ze ziet in de verte dat op eilandjes in het
water nog meer giftige wolken opstijgen en hun kant opkomen. Als dit gevecht
niet snel een andere kant opgaat, kan de situatie nog penibel worden.
De draak doet verwoede uitvallen naar Varlock, die er
kennelijk uitziet als een uitgelezen hapje, en buldert tevreden dat hij hen “mocht
opeten van de meesteresse”. De dwerg lijdt zwaar onder de geconcentreerde
aanvallen en dreigt inderdaad in de keel van de draak te verdwijnen. Nazhaar,
die hem daarvan probeert te weerhouden, krijgt het zwaar te verduren en is al
gauw bedekt met diepe wonden. Fáelán ziet de benarde situatie en rept zich
naderbij om hulp te bieden. Nadat hij de drakenman met één hand genezing heeft
toegediend, voert hij een charge uit op de zwarte draak.
Ook de draak is niet meer onbeschadigd: de pijlen van Chiara
en Nazhaars bijl hebben hem al stevig verwond. Uit de sneeën in zijn zwarte
lijf drupt bloed dat sist wanneer het neerkomt. De strijders moeten nu ook
wegspringen voor de druppels die branden als zuur. De draak ziet Fáelán als bron
van ellende en zet zijn tanden in hem. Zijn speeksel vliegt in het rond en
smelt een struik waarachter Alítih en Chiara zich verdekt hadden opgesteld. Ze
springen net te traag weg en Alítih vuurt woedend een zware bezwering op de
draak af. Die duikt echter net op tijd onder water om de grootste impact te vermijden en lijkt te verdwijnen.
De groep lapt hijgend snel enkele wonden op, maar dan wijst
Nazhaar naar het water, waar een donkere vorm komt aangeschoten. Varlock, die
nog amper bij kennis is, moet tot zijn grote frustratie terugtrekken, terwijl
Chiara een spervuur aan pijlen op de draak loslaat, zodra die weer boven water
komt. Nazhaar, die manmoedig met zijn zwaard naar het zwarte monster uithaalt,
moet algauw eveneens terugtrekken, wanneer zijn verwondingen hem te zeer
verzwakken om nog voor het brandende speeksel te kunnen wegspringen.
De draak identificeert Chiara als zijn grootste bedreiging
en wil zich op haar storten. De halfelf verbleekt, maar blijft pijlen
afschieten, terwijl ze achteruit deinst. Fáelán ziet echter het gevaar en werpt
zich tussen haar en de draak in. Met een indrukwekkende charge weet hij zijn
zwaard in de keel van de draak te rammen, die stervend neerzijgt, en nog
mompelt: “Ik leef en sterf voor de meesteresse…”
Wanneer duidelijk is dat de draak echt dood is, worden de
zwaargewonden verzorgd en gaat Chiara de klauwen van de draak inspecteren. Is
dit wellicht het wezen dat verantwoordelijk was voor de dood van kapitein Erano
Stern? Maar de klauwen noch tanden komen overeen met de wonden die hem waren
toegebracht… Toch neemt de ranger enkele drakentanden mee.
De groep begeeft zich wijselijk terug naar het portaal. Ze
zijn in geen conditie om het onderzoek van de mijn verder te zetten. Eerst
moeten ze wat op krachten komen. Alítih begint vermoeid met de bezwering die
het portaal opent en voelt dat haar magische kracht snel afneemt. Te snel. Er
is echt iets mis met het portaal…
Wanneer ze weer bij het landhuis van de Padraigs arriveren,
begint Fáelán net aan een strenge toespraak met als onderwerp ‘en volgende keer
blijven we samen’, wanneer er iets tot de groep doordringt: Alítih is niet met
hen meegekomen.
In de venomietmijn is Alitih uitgeput van haar inspanning om
het portaal open te houden voor de hele groep. Net op het moment dat ze wil
proberen om er toch nog zelf door te glippen, wordt ze door onzichtbare handen
gegrepen en ondanks haar verzet stevig vastgebonden. Ze doet een beroep op haar
magische krachten om uit de greep van haar onbekende overvaller weg te kunnen
teleporteren, maar dan glijdt er een blinddoek over haar ogen – verblind en
gedesoriënteerd kan de tovenares geen kant op…