woensdag 28 juni 2017

Hoofdstuk 30

Terwijl de groep de grot verder verkent en mogelijke uitgangen inventariseert, begint de temperatuur aanmerkelijk te stijgen: de vriestemperatuur begint te normaliseren. Ook het portaal, stelt Alítih vast, krijgt weer zijn normale uitstraling. Wat de draak er ook mee gedaan had, het is niet langer verwrongen.
Nazhaar vindt het echter het belachelijk idee om gewoon terug te keren door het portaal, als er ook een onverkende deur is. Alítih probeert hem ervan te overtuigen dat ze geen idee hebben waar ze zullen belanden, omdat het niet terugleidt naar de plek waar ze vandaan kwamen, maar daar heeft hij geen oren naar. Chiara vindt het allemaal best, zolang iedereen maar door dezelfde uitgang vertrekt. Ze heeft geen zin om weer alleen op Nazhaar aangewezen te zijn om haar lijf en leden te beschermen. De meesmuilende groep neemt haar niet al te serieus en vertrekt door de deur, maar het duurt niet lang voor de zenuwachtige ranger opmerkt dat Varlock ontbreekt.
De rest maakt rechtsomkeert, maar de dwerg is nergens te bekennen. Is hij dan toch door het portaal gegaan? Foeterend marcheert Nazhaar ernaartoe en springt zonder veel overleg het portaal door. 

Ze komen terecht in een ruimte die een industriële uitstraling heeft. Door ramen in de gang waarin ze staan, zien ze een ongelooflijke berg scherven en brokken, waar af en toe beweging in komt. Wanneer ze omhoogklimmen op een trap en door de deur bovenaan gluren, zien ze dat het een werkruimte is, waar een rij dwergen aan een lopende band zit te werken. Helaas is ‘hun’ dwerg nergens te bekennen, maar het voelt toch alsof ze in de juiste buurt zijn.
De groep stapt binnen in de kamer en komt terecht op een loopbrug. Nu ze wat meer van de ruimte zien, beseffen ze al gauw dat er met de dwergen iets vreemds aan de hand is: ze werken alsof ze in een soort trance verkeren en reageren op geen enkele manier op hun binnenkomst. Aan het eind van de loopbrug zijn deuropeningen naar een andere ruimte. Is Varlock daar ergens naar binnen gegaan?
Een reusachtige grijparm, bestuurd door een dwerg die afzonderlijk in een hokje zit, grijpt van tijd tot tijd een stuk van de hoop scherven en gooit die in een koker die uitgeeft op de loopband. Deze arm is het enige in de kamer dat lijkt te reageren op de nieuwkomers: hij zwaait naar de loopbrug en probeert een van hen op te scheppen.
Nazhaar besluit dit lot op een onorthodoxe manier te ontlopen: hij springt zelf in de koker en komt terecht op de lopende band. Hij voelt al snel dat het ding te hard schudt om eroverheen te kunnen lopen, en laat zich plat op zijn buik vallen. Boven zijn hoofd ziet hij vreemde groene lampen, waarin dingen rondzweven.
Alítih voelt intussen dat iets een aanslag doet op haar wilskracht, maar weet het vreemde effect af te schudden. Berlinden en Chiara zijn tijdelijk in verwarring en ze springt achteruit terwijl de twee proberen iedereen in het zicht een rake klap te verkopen. Wanneer ze weer bij zinnen zijn, wil Berlinden de grijparm onschadelijk gaan maken. Hij springt naar het hokje waarin een dwerg die zit te bedienen, maar de tralies waarvan dat gemaakt is blijken van cold iron. De wilden laat het voor hem giftige metaal instinctief los, en valt middenin de scherpe brokken. Elke keer dat hij beweegt, zakt hij alleen maar dieper, dus de wilden probeert zich zo stil mogelijk te houden. Alítih probeert hem de helpende hand te bieden, maar de tovenares is niet gewend aan zulk hard werk en slaagt er niet in om hem omhoog te trekken. Chiara, geërgerd door iedereen die maar in alle richtingen wegspringt, stampt naar Berlinden toe en rukt hem met één fors gebaar de brug weer op. En nu iedereen mee naar de deur! Nazhaar wordt daar straks binnengebracht, dus dan kunnen ze er maar beter samen belanden.
Nazhaar brult het plotseling uit. De loopband heeft hem tot voor een van de dwergen gebracht, en die heeft zonder verpinken een metalen plaat aan zijn been vastgevezen.
Chiara rent naar de deur en ziet dat in de volgende kamer smedelingen in diverse stadia van voltooiing staan, al lijkt geen van hen helemaal zoals hij zou moeten zijn. Alítih wil haar volgen, maar wordt net op dat moment door de grijparm gegrepen en de koker in gegooid. Zodra ze op de lopende band terechtkomt werpt ze één blik op Nazhaar en besluit dat zij er niets voor voelt om extra metalen ledematen te krijgen. Ze teleporteert naar de loopbrug en volgt Chiara en Berlinden.
Nazhaar wordt intussen de kamer binnengebracht op de band. Wanneer hij de opening ziet verschijnen, reikt hij met onmenselijke snelheid naar achteren, verkoopt de laatste werkzame dwerg een knal en pikt zijn schroefmachine in. Die plaat moet van zijn been! Binnengekomen in de kamer laat hij zich meteen van de band vallen en hurkt eronder om daaraan te beginnen. Hij krijgt echter de kans niet: een smedeling komt aanstormen en hij is verplicht zich te verdedigen. Berlinden ziet zijn precaire situatie en snelt naderbij om hem te helpen.
Chiara en Alítih nemen intussen twee andere smedelingen onder vuur. Ze weten hen neer te halen, maar een generator achter in de kamer zoemt en klikt, en de wezens komen weer overeind. Chiara trekt snel haar conclusies en richt haar pijlen op de machine. Alítih en Berlinden houden de twee smedelingen die haar belagen van haar af, terwijl Nazhaar, bloedend en met metalen plaat aan zijn been, de grootste van de troep met zijn bijl een kopje kleiner maakt. Net op het moment dat Berlinden de laatste van de smedelingen tot schroot reduceert, weet Chiara met een welgemikte pijl de generator te vernielen.
Nader onderzoek brengt hen bij operatietafels, waarop warforged liggen: smedelingen die bekleed worden met een kunstmatige huid, om er menselijker uit te zien. Op het moment dat Chiara er een met gefascineerd afgrijzen nader inspecteert, schiet hij overeind, maar zwakke piepjes en gesputter van de generator zijn niet genoeg om hem in actie te laten schieten – hij zijgt levensloos weer neer. Nazhaar vijst grinnikend de plaat weer van zijn been – dat was een interessante ervaring – en is klaar om de boel verder te verkennen.

Twee deuren staren hen nog aan. Op een prachtig bewerkte deur is een opschrift aangebracht: ‘Ksaraka Vatas – Meesteresse van de smidse’. Nog voor ze tijd hebben om zich helemaal te realiseren wie er achter deze naam schuilgaat, klinkt de gepijnigde stem van Varlock vanachter de tweede deur. Wanneer ze erheen snellen, worden de kreten van hun makker gekwelder en luider, en slaat de hitte hen tegemoet…

vrijdag 9 juni 2017

Hoofdstuk 29

Chiara schiet wakker in een lange, smalle kamer. Vlakbij haar bed ziet ze op een kaptafeltje drie bustes staan. Ontroerd herkent ze de gezichten van haar pleegvader en -broer en -zus. Wanneer ze verder op verkenning gaat, ontdekt ze een hoog oprijzende toren. Verheugd klautert ze naar boven en ontdekt daar het uitkijkpunt van haar dromen, waar haar boog geruststellend op haar wacht.
Nazhaar is inmiddels wakkergeworden in een kamer die hem herinnert aan betere tijden: overal om hem heen hangen touwen, geknoopt in de meest ingewikkelde zeemansknopen, of hangend van houten muur naar houten muur. Hij gooit er onmiddellijk een over zijn schouder en spurt naar het grote roer dat decoratief is opgesteld in het midden van de kamer. Met vaste hand laat hij het draaien en weet dat eens de dag komt dat hij de zilte zeeën weer zal bevaren.
Wanneer de groep elkaar heeft teruggevonden bij de tombe van Oristos, en hun verwondering over deze merkwaardige gebeurtenis heeft besproken, komen ze met hulp van Vyrellis tot een hypothese: nadat ze dit niveau van de schemersmidse van zijn inwoners hebben ontdaan, zijn zij zelf de machtigste wezens die er aanwezig zijn. De smidse heeft zichzelf herschapen rondom hen en hun noden. Ze hebben een veilige uitvalsbasis gekregen, niet te versmaden in een omgeving als deze.

De verkenning wordt verdergezet door een nieuw portaal. Ze komen terecht in een donkere kamer, die verval uitademt. Oude muurschilderingen verhalen van strijd en oorlog. In de schilderijengalerij zijn een hele resem portalen verwerkt, die nadere inspectie behoeven, maar in het midden van de kamer is iets merkwaardigs te zien: een verhoog waarop een krachtveld trilt tussen vier pilaren. Een soort levendig zwart gordijn hangt hier. Vyrellis, in de kristallen bol die Alítih vasthoudt, herkent deze kamer als de Nexus.
Varlock brengt de pilaren meteen thuis als een soort mechanisme, maar zodra de groep een voet de kamer binnenzet om het te gaan bestuderen, worden ze verrast door overeind komende lijken, gehuld in harnassen van Nieuw-Vhalt. Chiara’s scherpe ogen ontwaren een soort verbinding met het zwarte gordijn in het midden van de kamer. Een gevecht ontspint zich. De ondoden schreeuwen over 'de toegang tot het Heiligdom van Licht' en blijken bepaald geen breekbare oudjes: ze lijken welhaast onverwoestbaar en krijgen duidelijk extra kracht van het zwarte gordijn.
Alítih rept zich naar de pilaren, in een poging die toevoer af te snijden, maar kan dat niet meteen voor elkaar krijgen. Wel treft ze merkwaardige sleutelgaten in drie van de pilaren: in de vorm van de maan, de zon en een ster. Een inscriptie gebiedt: ‘Bovenal, wees nederig’.
Wanneer de ondoden onvermoeibaar blijven terugkomen, besluit de groep tot een tactische terugtrekking en springt door een tweede portaal… misschien vinden ze daar de sleutels die op de sleutelgaten passen? Ze belanden echter abrupt weer in de ruimte met hun slaapvertrekken.
De wirwar van portalen wordt er niet duidelijker op wanneer diezelfde cirkel zich nog een keer herhaalt met een ander portaal.

Wanneer ze de Nexus een derde keer in hoog tempo doorkruisen, achternagezeten door gefrustreerde ondoden, spurten ze omhoog naar een portaal op een richel. Wanneer ze daar doorheen springen worden ze begroet door kilte, en landen met het bizarre gevoel dat het portaal op de een of andere manier verwrongen was… daardoor zullen ze alleszins niet terug kunnen.
Ze blijken te zijn beland in het ijzige domein van een slapende draak: een grot, met in het midden een poel water waar de kou van afslaat. Verderop is een deur, maar dan moeten ze óf vlak langs de draak, of door het vrieskoude water. Alítih heeft een oplossing achter de hand: ze kan door een magische bezwering het water bewandelbaar maken. Haar incantatie, die ze zo zachtjes mogelijk inzet, wekt echter meteen de grote, witte draak.
Het reusachtige wezen heft zijn kop en ziet verheugd vijf smakelijke hapjes die hem uit vrije wil zijn komen opzoeken. Nazhaar probeert hem af te leiden met de mededeling dat ze hier op last van de draak Irindol zijn, maar Ausirax snuift minachtend. Irindol, wat is dat voor een jonkie? Als hij niet minstens 1000 jaar oud is, dan heeft geen boodschap aan de woorden van de draak.
Intussen heeft Vyrellis haar oog laten vallen op een amehtist die dieppaars opgloeit in een hoop buit die achter de draak ligt. Fluisterend probeert ze Alítih te overhalen om die voor haar te bemachtigen. Tot nu toe heeft Vyrellis zich een goeie bondgenote betoond, dus de tovenares belooft haar best te doen, maar hoe krijgt ze de steen te pakken?
Ze probeert met Ausirax te onderhandelen, maar de draak ziet een onderhandeling vooral als ‘Ausirax krijgt geschenken’ en ‘geef Ausirax te eten, hij heeft honger’. Nadat ze hem een paar ijswitte kristallen heeft aangeboden, lijkt hij iets milder gestemd te raken, maar het schiet niet bepaald op. De draak wil vooral uit de schemersmidse geraken, en dan nog het liefst met een klaarstaande nieuwe woonplek: een eiland voor hemzelf. Varlock pruttelt op de achtergrond wanneer Alítih opgewekt beweert dat zoiets wel moet kunnen – eilanden genoeg toch, op de Drakenzee? Nazhaar vindt het ook wat ingewikkeld, maar heeft inmiddels zijn eigen agenda: hij wil een witte schub bemachtigen. Wanneer Alítih dat in de gaten krijgt, probeert ze twee vliegen in één klap te slaan, door Ausirax te overhalen om Nazhaar een schub te geven als manier om te garanderen dat hij zeker zijn eiland krijgt.
De draak blijkt dat een uitstekend idee te vinden, en laat zich Chiara’s gevlei aanleunen dat ze zijn grot wel een beetje kan opfleuren. Hij heeft daar een hoop buit liggen, maar die kan toch wel een beetje netter uitgestald worden? De nieuwbakken herbergierster heeft blijkbaar de smaak te pakken van het sfeerscheppen. Ze begint te rommelen tussen de schatten van de draak en wijst mooie plekjes aan voor al zijn blinkend moois. Alítih drentelt naderbij en kijkt peinzend naar de amethist. Als ze die nu eens stilletjes in haar mouw laat verdwijnen? De rest houdt de draak nu toch goed bezig.
Varlock vindt het een nog slechter idee dan het vorige en wisselt bedenkelijke blikken met Berlinden. De twee zijn ervan overtuigd dat het vroeg of laat verschrikkelijk verkeerd zal gaan, en houden hun hand in de buurt van hun wapen, terwijl ze Ausirax aan de praat proberen te houden.
Ze krijgen maar al te snel gelijk. Voor de witte draak blijkt het geluid van een wegglijdende edelsteen zoiets als een alarmbel. Hij draait meteen zijn reusachtige kop in de richting van de tovenares, die zich er nog uit probeert te praten, maar tevergeefs. Ausirax brult van woede en keert zich meteen tegen de hele groep.
Berlinden en Varlock staan paraat en zwaaien van twee kanten hun bijlen. Nazhaar, de witte schub blinkend op zijn borst, haalt zijn schouders op: dit wordt makkelijk verdiend zo. Grijzend haalt hij zijn eigen bijl tevoorschijn en stort zich in de strijd. De draak blijkt een geduchte tegenstander: zijn muil en klauwen aan de ene kant, en zijn zwiepende staart aan de andere kant eisen meteen een bloedige tol. Hij stormt als een dolle richting Chiara en Alítih die nog steeds bij zijn schatten staat. Chiara houdt het hoofd koel, en rent lichtvoetig achteruit in een smalle spleet, zodat hij niet bij haar kan komen. Alítih volgt wijselijk haar strategie en maakt zich uit de voeten, zij het niet dan nadat ze de amethist in haar zak heeft laten glijden.
De ijsgrot davert en resoneert van de heen en weer springende draak, magische uitbarstingen, het hakken en pareren van drie bijlen en zoevende pijlen. Bijna tot hun eigen verbazing, weten de avonturiers de draak langzaam maar zeker achteruit te dringen. Hij schuifelt achteruit richting het water en verdwijnt in de ijzige dieptes… om enkele seconden later in een ijsgolf weer tevoorschijn te springen, zijn krachten hersteld door de kou. Hij haalt diep adem en spuwt zijn ijzige adem over Chiara, die bewusteloos neerstort, in de greep van een visioen. 

Ze is een soldaat van Nieuw Vhalt in het leger van haar Alleenheer en Alleenvrouwe. Vanop de zwevende necrosmidse kijkt ze uit over de vele eilanden op de Drakenzee. Prooi. Wat normaal een machtig mooi uitzicht zou zijn, wordt enigszins verstoord door de vreemde wezens die patrouilleren rondom het grijze gevaarte. De feywezens die zichzelf Wilden noemen zien er vervaarlijk maar droevig uit. Waarschijnlijk omdat ze gedwongen worden om samen te werken met de ondode schepsels die binnen gemaakt worden. Ze huivert en haar blik wordt getrokken naar een necrosmidse enige kilometers in de verte, links van haar. Verhuld door de ochtendmist weet je er nog twee andere zweven, op gelijke afstanden. Het is een vloot om te veroveren.
Nazhaar, Varlock en Berlinden springen achteruit, maar gaan dan verbeten weer in de aanval. Het wordt een uitputtingsslag, maar de groep houdt vol. Ze putten het laatste van hun krachten uit zichzelf en passen elke tactiek die ze kennen toe. De draak raakt langzamerhand echt aan het eind van zijn krachten en besluit om minstens een van de groep met zich mee te nemen. Varlock krijgt de zwaarste van zijn aanvallen te verwerken en valt uiteindelijk bewusteloos neer. Ook hij wordt meteen geplaagd door vreemde visioenen. 

De verovering van Nieuw Vhalt ging schrikwekkend snel, routinematig bijna. De zwevende forten arriveerden, landden, de legers zwermden uit en doodden elke tegenstand, de gevallenen werden verzameld en het leger zwol weer aan. Aan elke cluster van drie eilanden werd één smidse toegekend om de bevolking in het gareel te houden. De necrosmidse met zijn nietig persoontje aan boord moet nog wat langer in verovermodus blijven maar daarna kan hij uitkijken naar het comfort van de bezetter. Tenminste, als het plan niet gewijzigd wordt door zijn Alleenvrouwe. Hij ziet haar staan op een balkon, bovenop het fort. Schaduwen poelen aan haar voeten. Ze houdt de hand van zijn Alleenheer bezitterig vast terwijl ze haar troepen beneden op de overloop een blik gunt. Haar blik kruist de zijne en in zijn hoofd hoort hij haar stem schreeuwen: 'Dood me! Dood me driemaal en het pad naar je verlossing zal openen!'
Varlock schiet overeind met de stem in zijn oren en in reflex haalt hij dreunend uit met zijn schild - recht tegen de drakenkop die net zijn strot wou afbijten. Het is de genadeklap voor Ausirax, die levensloos ter aarde stort. Het wordt weer ijzig stil in de grot.

Dat allemaal voor een amethist? Vyrellis acht het moment aangebroken om een bekentenis te doen: toen de ziel van haar zuster Kara’Vakasta in drieën werd gesplitst, is haar hetzelfde overkomen. Haar zielefragmenten zijn opgeslagen in edelstenen. Als ze de groep écht wil kunnen bijstaan om Kara’Vakasta voorgoed te vernietigen, dan moet ze die alle drie terugvinden. De groep knikt vermoeid. Het is duidelijk dat ze hun laatste gevecht hier nog niet geleverd hebben.