De duistere vorm van de Schaduwsteen zuigt het licht naar
zich toe en lijkt ook de levensenergie van Berlinden te willen opslokken.
Varlock bestormt de wraith, maar zijn bewegingen worden
vertraagd door de dempende magie die het wezen uitwasemt. De wraith beweegt
zich intussen naar Alítih en fluistert griezelige uitnodigingen in de
schaduwen: ‘Kom mee, elfenkind, en vind je echte bestemming, verzet je niet
tegen de plaats waar je thuishoort…’ Ze is even afgeleid en hij weet haar zicht
te verstoren, zodat de tovenares verblind achteruitdeinst, hulpeloos. Berlinden ziet het gevaar waarin ze verkeert maar is te laat
om te beletten dat Alítih naar de wraith wordt toegezogen en bewusteloos ter
aarde stort. Hij ziet de Schaduwsteen nog steeds pulseren en raadt de betekenis
die het object wellicht heeft voor de wraith. De wilden verzamelt zijn magie en
kanaliseert die in een donderende klap die de aarde doet beven. De Schaduwsteen
barst in stukken uiteen, alleen een kleine, gloeiende steen blijft te midden
van de splinters liggen. Hij grist hem van de vloer en spurt naar Alítih, die
meer dood dan levend op de vloer ligt. De tovenares is nog slechts via een
dunne draad met haar leven verbonden en glijdt in de greep van een vreemd
visioen:
Ze rijdt
door een bos, en de wereld voelt anders aan. Levendiger, jonger, wilder. Haar
heer leidt haar naar een naburig kasteel van eladrin makelij. Vreemd genoeg
geeft hij opdracht om aan de rand van het bos te wachten op zijn terugkomst.
Hij geeft zijn rijdier de sporen en spoedt zich naar het slot. Vanuit een
verlicht raam ontwaart ze het silhouet van een prachtige eladrinvrouw met een
rijke bos rossig krulhaar. Ze kijkt haar aan en schreeuwt “Dood me! Dood me
driemaal en het pad naar je verlossing zal openen!”
Alítih ontwaakt met verstoord gelach nazinderend in haar hoofd. Heel even moet ze zichzelf ervan overtuigen dat de werkelijkheid de Schemersmidse is, met een woedende wraith. Ze teleporteert razendsnel naar een veiliger plek.
Berlinden kanaliseert inmiddels het licht dat gevangen zit
in de kleine steen om de wraith van zijn schaduwachtige kenmerken te beroven.
Alítih kijkt ongelovig toe hoe de gestalte vaster wordt. De wraith blijkt niet
alleen vrouwelijk maar ook roodharig… Haar visioen is nog levendig in haar
gedachten. Hebben ze hier misschien te maken met een van de splinters van de
ziel van Kara’Vakasta? Varlock heeft zich op de halfling stort die poogt om
zijn meesteres te komen bijstaan. De wraith spaart de halfling echter geen
tweede blik terwijl hij door een trage maar gestage dwergenprins in de pan
wordt gehakt. Ze vlucht een naburig vertrek in, maar wordt meedogenloos door
Berlinden achternagezet. Alítih volgt op veilige afstand, en wanneer ze haar
magie bij de zijne voegt, weten ze af te rekenen met de wraith. Die verdwijnt
schijnbaar in het niets, alleen een onyx ligt in het donker te glanzen.
Een vreemd gevoel bekruipt Berlinden. Op zijn borstkas
verdwijnt een van de namen die daar gegraveerd stond: het lijkt alsof ‘Rokkr’
er nooit gestaan heeft. Tegelijkertijd gebeurt er iets dat zo mogelijk nog
merkwaardiger is: zijn linkerbeen voelt nog steeds hetzelfde, maar ziet eruit
alsof het een menselijk been is.
De drie bestuderen de vertrekken wat nader. Op een gordijn is een kasteel in de stijl van Vhalt afgebeeld, dat de woonplaats van Oristos moet zijn geweest. Een maquette van hetzelfde kasteel lijkt een vreemde aantrekkingskracht uit te oefenen. Alítih weet die na een ogenblik af te schudden, maar ziet Berlinden en Varlock met een verlangen dat op heimwee lijkt naar het miniatuurkasteel staren.
Terwijl de twee hopeloze zuchten slaken en overleggen hoe ze
dit magische bouwwerk ooit zouden kunnen bereiken, gaat de tovenares verder op
onderzoek. Ze heeft al vastgesteld dat de Schaduwsteen weliswaar een grote
energiebron was, maar niet de drijvende kracht van de Schemersmidse. In een
naburige kamer vindt ze een bed dat meer op een tobbe lijkt. De hele kamer is
volgekrabbeld met een onbekend schrift, waar ze ook na lang denken niets uit op
kan maken. Een gesloten kist blijkt meer te bevatten: wanneer ze die heeft
opengeprutst, treft ze daarin kostbaarheden, vreemde bladeren die haar aan het
harnas van Berlinden doen denken en daaronder… een hele stapel kleine objecten
die op het eerste gezicht geen enkele waarde lijken te hebben.
Alítih weet Berlinden en Varlock weg te slepen van bij hun
droomkasteel. Ze komen tot de hypothese dat de massa kleine voorwerpen wellicht
verbonden zijn met de zielen in het doolhof: het lijken allemaal objecten die
een sentimentele waarde zouden kunnen hebben, en de zielen leken duidelijk op
zoek naar iets. Voorzichtig stappen ze het doolhof weer in, zich schrap zettend
tegen de verwoestende kracht van de verloren zielen, maar de hypothese blijkt
correct. Naarmate ze vorderen, raakt de kist leger, en komt het koor van
gekwelde stemmen steeds verder tot rust.
Nadat ze het hele doolhof hebben uitgekamd, komen ze bij een
deur aan de overkant. Op het eerste gezicht lijkt die naar een doodlopende gang
te leiden, maar na enig onderzoek komen ze erachter dat het om een illusie
gaat.
Ze zien achter de muur een kamer waarin een giftig uitziende
groene wolk hangt. Bij een bed zit een figuur geknield, zijn hoofd op het bed.
Onrustbarender: Chiara en Nazhaar liggen op de grond, duidelijk overvallen door
de groene mist. Berlinden snelt meteen te hulp en gooit Nazhaar over zijn
schouder, maar botst op een barrière wanneer hij de deur naar de gang weer door
wil.
Varlock aarzelt niet en stapt zelf ook de kamer binnen:
binnen zit iemand die eruitziet alsof die met enige overredingskracht wel iets
kan doen aan de situatie. De knielende blijkt echter ver voorbij wat voor
overredingskracht dan ook. Intussen krijgen de twee mannen het moeilijk met de
giftige mist die langzaam maar zeker hun krachten aantast. Alítih voelt er niet
veel voor om willens en wetens hetzelfde lot tegemoet te gaan, maar de mist
kruipt nu ook de gang in. Er zit maar een ding op: naar binnen en de bron van
het gif proberen uit te schakelen.
Chiara en Nazhaar zijn er intussen deerlijk aan toe. Vooral
Chiara balanceert op het randje van de dood. Berlinden dient haar een genezend
drankje toe en probeert wat leven in haar te krijgen. Alítih weet intussen uit
te vogelen dat de kandelaars die in de kamer staan het gif uitspuwen. Ze
probeert er een van onklaar te maken maar heeft niet veel vorderingen gemaakt,
voor de gifwolk ook haar adem afsnijdt en ze bewusteloos op de grond glijdt.
Varlock en Berlinden zijn van steviger materiaal gemaakt.
Terwijl Berlinden probeert om iedereen in leven te houden, zet de dwerg zijn
universele sleutel in voor het openen van elk mechanisme: zijn bijl hakt en
wrikt, bonkt en slaat gensters tot een van de kandelaars een onherkenbare klomp
is geworden waar geen zuchtje mist nog uit kan. Maar zelfs de robuuste dwerg
voelt zijn krachten verzwakken onder de constante aanval van het gif.
Berlinden, die probeert om Nazhaar en Chiara in leven te houden, laat hen
noodgedwongen even aan zichzelf over en voegt zijn laatste krachten bij die van
Varlock.
Verzwakt maar verbeten hakken de wilden en de dwerg op de tweede
kandelaar in, terwijl ze steeds moeilijker ademen. Elke klap kost meer van hun
afnemende energie, elke zwoegende ademhaling vergiftigt hen sneller. Net
wanneer het erop lijkt dat ze het onmogelijk kunnen halen, merken ze dat groene
schijn afneemt en de wolk naar beneden zakt: ze hebben de gifuitstoot weten te
stoppen.
Wanneer iedereen weer bij kennis is, vindt Chiara al snel
genoeg adem om Nazhaar duidelijk te maken dat ze er nog wel zó op tegen was om
de kamer in te gaan, en dat ze die figuur met zijn enge schrijfsels níet hadden
moeten benaderen! Wanneer ze daarmee klaar is, gaat ze zonder overgang over tot
een opgewonden toespraak tot de rest van de groep: wat dachten ze wel niet,
haar en Nazhaar achterlaten in het labyrint?! Begrepen ze dan niet dat ze met
hun tweetjes helemaal niet opgewassen waren tegen de gevaren van de
Schemersmidse? Waar bleven ze zo lang?! Nazhaar bromt onbekommerd dat het
allemaal wel meeviel, maar terwijl Chiara de voordelen van samenblijven als
groep uiteenzet, heeft ze de onmiskenbare indruk dat ergens, op een onbekend
niveau van bestaan, Fáelán goedkeurend knikt.
Om de aandacht van de opgefokte ranger af te leiden, gaat de
groep maar gauw over tot het inspecteren van de kamer. Twee grote standbeelden
blijken niemand minder dan Kara’Vakasta en Vyrellis voor te stellen. Het hoofd
in de kristallen bol die Alítih meedraagt, zucht droevig bij de herinnering aan
haar krijgshaftige lichaam dat zo kundig en soepel wapens hanteerde en magie
geleidde. De woede jegens haar verraderlijke zuster groeit andermaal.
De knielende figuur bij het bed blijkt bij nader onderzoek
te bestaan uit de gemummificeerde resten van een gevangen ravenridder, die
Varlock herkent als een elite-aanvoerder van de Shadar-Qai. De gevederde mantel
van de ridder glanst van onderdrukte kracht. Berlinden tast er aarzelend naar:
de mantel is duidelijk een machtig middel, maar hij wil de woede van de
Ravenkoningin niet over zich afroepen door zich iets toe te eigenen dat ze voor
haar dienaars heeft bestemd. Uiteindelijk krijgt hij echter het gevoel dat hem
hier een hulpmiddel wordt geboden: tenslotte is de taak die hij zich heeft
voorgenomen om af te rekenen met een ziel die op een onnatuurlijke wijze haar
leven heeft verlengd.
Na deze uitputtende beproevingen, is het hoog tijd om wat rust te nemen. Het is wel de bedoeling om een wacht uit te zetten, maar iedereen valt vermoeid in slaap.
Alleen Alítih, die haar rust neemt door in trance te gaan,
merkt aan de rand van haar bewustzijn een aanzwellende, vreemde beweging in de
werkelijkheid. De schemersmidse lijkt samen te trekken en daarna weer uit te
zetten. Ze wekt zichzelf verschrikt uit haar meditatie om poolshoogte te nemen,
maar merkt tot haar verrassing dat ze niet langer op kale vloer zit, omringd
door haar makkers. Ze is alleen, leunend op de elegante rustbank van een
fijnzinnig gedecoreerde kamer die alleen een eladrin edelvrouwe zou kunnen
toebehoren. De tweede helft daarvan mondt uit in een laboratorium dat
onderzoeksmaterialen bevat waar elke tovenares alleen maar van kan dromen.
Verrast gaat ze die nader inspecteren, voor ze zichzelf wakkerschudt uit deze
droomachtige ervaring: wat is hier precies aan de hand?
Wanneer ze de deur van de kamer uitstapt, ziet ze dat dit
niveau van de Schemersmidse getransformeerd lijkt. Een gang leidt naar een
centrale kamer, waar een tombe is opgesteld waarop een Ravenridder in volle
glorie ligt opgebaard. Een moeilijk leesbare inscriptie wikkelt zich om de voet
van de tombe. Terwijl Alítih die ontcijfert, vertelt het weeklagen van Vyrellis
haar echter al voor wiens gedachtenis deze tombe is opgesteld:
Mijn naam is Oristos.
Mijn naam is Oristos.
Ik ben de
baron van Vhalt.
Ik hou van Vyrellis en Kara'Vakasta.
Ik ben de alleenheer van Nieuw Vhalt.
De Meesteresse van mijn Hart is Kara'Vakasta.
Ik ben de gevangene van de Schemersmidse.
Ik ben vrij, maar niet.
Ik sterf. Alles wat leeft moet sterven.
Ik ben een ravenridder.
De Meesteresse van mijn Ziel is de Ravenkoningin.
Wie niet leeft moet ook sterven.
Haestos. Camnor. Rokkr. Tao Feng. Kara'Vakasta.
Ik ben de gevangene van de Schemersmidse.
Mijn opvolger komt.
Ik ben gevangen, maar niet.
Ik hou van Vyrellis en Kara'Vakasta.
Ik ben de alleenheer van Nieuw Vhalt.
De Meesteresse van mijn Hart is Kara'Vakasta.
Ik ben de gevangene van de Schemersmidse.
Ik ben vrij, maar niet.
Ik sterf. Alles wat leeft moet sterven.
Ik ben een ravenridder.
De Meesteresse van mijn Ziel is de Ravenkoningin.
Wie niet leeft moet ook sterven.
Haestos. Camnor. Rokkr. Tao Feng. Kara'Vakasta.
Ik ben de gevangene van de Schemersmidse.
Mijn opvolger komt.
Ik ben gevangen, maar niet.
Terwijl het hoofd van Vyrellis droeve liederen zingt over volmaakte liefde, verraad en verlies, gaan in de gang ook andere deuren open.
Berlinden is enkele minuten eerder ontwaakt in een kamer die
lijkt op een groen woud. Boomkruinen vormen het dak, brede takken vlechten zich
tot meubilair. Een indrukwekkende wapenstandaard houdt zijn glanzende wapens
gereed voor gebruik. Zijn ravenmantel heeft een merkwaardige transformatie
ondergaan: op de takken boven zijn hoofd kijken raven op hem neer, die geduldig
wachten tot hij is opgestaan. Wanneer hij zijn wapens omgordt en naar de deur
loopt, vliegen ze op zachte vleugelslagen naar beneden, scheren naar zijn
schouders en landen daar, vloeiend veranderend in een zware mantel die zich om
hem heen legt.
Varlock slaat intussen zijn ogen op in een vertrek van
donker hout, rijk gestoffeerd met wandtapijten die de heldendaden van
historische dwergenkrijgers verbeelden. Wanneer hij achterdochtig overeind
schiet en naar zijn bijl tast, ziet hij aan de overkant van de kamer een zicht
dat zijn zinnen meteen kalmeert: een rijkgevulde bar, waar eikenhoutenvaten
bier op hem liggen te wachten. Er is geen enkele reden, zo redeneert hij,
waarom hij niet verder op onderzoek zou kunnen gaan nádat hij de inwendige
dwerg heeft versterkt. Pas wanneer hij een kroes heeft volgetapt met een koppig
geurend vocht, valt het hem op dat overal de symbolen van de dwergenkoning zijn
aangebracht: van het hoofdeind van het bed, over de kroes in zijn hand tot de
stenen ereplaats voor zijn bijl. Hoe is hij in deze vertrekken van een
krijgerprins beland?