Enige tijd lijkt er peis en vree op het eiland Irindol te
heersen. Chiara bekommert zich over de heropbouw van de herberg, Alítih
verdiept zich in de boeken die professor Renatus hen heeft nagelaten na zijn
zelfopoffering om de Ketel tot zwijgen te brengen, Berlinden gaat met haar hulp
op zoek naar informatie over andere wildens, Varlock wordt aangestoken door de
koortsachtige activiteiten in Steenslag en tracht zich te ontplooien als
venomiethandelaar, Nazhaar zwerft door de haven, verliefd starend naar elk
schip dat de omvang of de vormen van de Jalan
Vashir in zijn herinnering brengt.
Al gauw blijkt er toch een en ander te broeien onder het
oppervlak.
Alítih wordt onrustig van de informatie die zich maar langzaam voor haar ontplooit: er blijken Ketels in allerlei soorten vormen te zijn, niet allemaal zo herkenbaar als het exemplaar dat ze voorlopig tot zwijgen hebben gebracht.
Nazhaar ziet met een zwaar hart een opsporingsbericht voor zijn broer passeren:
Hij schrikt echter veel erger wanneer hij een dag later ziet dat het bericht op onverklaarbare wijze veranderd is: de beloning voor een dode Nozark is ineens een stuk hoger dan die voor zijn broer in ademende conditie.
Berlindens heeft met de hulp van Alítih een schrijven doen uitgaan dat een beloning belooft bij meer informatie over wildens:
De oproep heeft een vreemd gevolg: er begint een verhaal te circuleren dat de laatste van hen onlangs op een eiland gedood zijn, maar dit blijkt al snel overduidelijk bezijden de waarheid. Tot grote frustratie van Berlinden neemt echter niemand meer de moeite om echt na te denken over het vraagstuk, aangezien het zo afdoende opgelost lijkt.
Chiara’s inspanningen om van de Morgenstond het Uitverkoren Etablissement van Clientèle Met Geld te maken in de hele archipel zijn velerlei:
Ze stuit op een onverwacht probleem, zodra de gasten beginnen toe te stromen: het lijkt te spoken in de herberg. Een hels gekrijs verjaagt nacht na nacht de gasten uit haar beste kamers.
Varlock inmiddels ziet dat zijn aanwezigheid inspirerend werkt. Een schrijven wordt aan de dwergenclans gericht:
De prins der dwergen wordt enigszins bleek om de neus wanneer blijkt dat ook met deze brief gerommeld werd. De uitgaande brieven blijken alle dwergenvaders op te roepen om vooral hun dochters naar Irindol te sturen.
Eén factor verbindt dit alles: de schim van een roodharige vrouw die telkens aan de basis van de vreemde en frustrerende gebeurtenissen blijkt te liggen.
Chiara schakelt de dorpspriester in, maar hoewel die graag zijn buik komt vullen in de herberg, is hij niet opgewassen tegen de nieuwe bewoonster van het huis. De halfelf besluit uiteindelijk, gefrustreerd, om dan maar zelf de wacht op te trekken. Ze posteert zich bij haar duurste kamer – de plek waar het spook graag opduikt – en wacht het vallen van de nacht af. De uren gaan voorbij zonder dat er iets gebeurt, behalve dan dat ze, vlak voor het ochtendgloren, door het raam een groep clandestiene schepen de haven ziet binnenvaren.
Ze blijft even besluiteloos op haar post, maar het ziet
ernaar uit dat het spook zich vannacht zal stilhouden. De schepen zijn
duidelijk iets van plan dat het daglicht niet verdraagt, dus ze besluit om haar
vrienden te gaan wakker maken en poolshoogte te gaan nemen. Net wanneer ze de
herberg uitrent, hoort ze een akelig gekrijs, gevolgd door de verschrikte
gillen van weer twee gasten die hun geld terug zullen willen.
In de haven belandt de groep in een chaos: het postkantoor
staat in brand en er wordt druk heen en weer gerend met emmers water. Het is
niet zo eenvoudig om aan de weet te komen wat er gaande is, maar uiteindelijk kan
Alítih achterhalen dat de brand is gesticht door gemaskerde matrozen, die zich
daarna richting de Serpentheuvel begaven. Daarvóór hebben ze echter de tijd
genomen om een pakje te stelen dat toebehoorde aan… Nazhaar.
De postmeester durft het laatste alleen maar te fluisteren,
maar zijn angst is ongegrond: de drakenman is allang niet meer in de buurt om
te horen dat zijn eigendommen niet bevredigend beschermd zijn. Hij is het water
ingedoken en krachtige armslagen brengen de voormalige kapitein steeds
dichterbij de voor anker liggende boten. Met een paar handige kunstgrepen maakt
hij het roer van de boten onklaar. Tot zijn woede herkent hij in de matroos die
op wacht staat een lid van zijn voormalige bemanning. Nazhaar treedt niet al te
zachtzinnig op en de man geniet al gauw het twijfelachtige genoegen om voortaan
over het ideale aantal benen voor een piraat te beschikken. Hij biecht op dat
ze hier op rooftocht zijn, onder leiding van Taazhon.
Voor Nazhaar is het duidelijk: hij wil bloed zien. Er moet
voor eens en voor altijd met zijn kwelgeest worden afgerekend. Ook Alítih is
bezorgd over de bedoelingen van de rovers: de venomietmijn is volgens haar
vrijwel zeker verbonden met de plek waar de Ketels van Grauwe Oogst worden gemaakt.
Als iemand daarin gaat lopen porren, kan het alleen maar verkeerd aflopen. Het
is echter Varlock die zonder aarzeling de leiding neemt: een bende schurken
versus een aantal nietsvermoedende mijnwerkende dwergen… nee, daar moet hij
iets aan doen.
Bij de mijn treft de groep inderdaad een groepje gewonde
dwergen. Ze maken zich ook nog eens zorgen: de nachtploeg is niet naar boven
gekomen, terwijl dat al lang had gemoeten. Varlock deelt hier en daar een
versterkende slok bier uit en verzekert de dwergen ervan dat hij voor een
oplossing zal zorgen. Van her en der worden goedkeurende en waarderende blikken
op de besluitvaardige en kloekmoedige prins der dwergen geworpen.
Een afdaling in het pikkedonker brengt de groep tot diep in
de mijn. De voorman van de mijnwerkers is met hen meegegaan om de weg te wijzen
en dat blijkt hard nodig: ze komen terecht in een complex kluwen van gangen.
Vloekend constateert de voorman de ravage die is aangericht: de grote brokken
jade die waren opgegraven, zijn allemaal gestolen.
Lange tijd volgt de groep de sporen van de bende rovers… van
tijd tot tijd opgeschrikt door een hels, spookachtig gekrijs dat vooral over de
zenuwen van Chiara raspt.
De sporen houden abrupt op… bij een zwart gordijn. Het is
duidelijk dat de groep hier doorheen is gegaan. Moeten ze hen volgen? Nazhaar,
Chiara en Varlock aarzelen: een zwart gordijn als dit hebben ze eerder
meegemaakt, en dat was géén leuke ervaring. Varlock overwint echter al snel
zijn aarzeling: de dagploeg mijnwerkers is daar ergens… hij kan ze niet in de
steek laten. Ook Berlinden laat zich niet uit het veld slaan. Hij wendt zich
tot Alítih en zegt bezwerend: ‘Vertrouw me’.
De dwerg en de wilden stappen door het zwarte gordijn...
En Varlock en Berlinden hangen in het niets, een zwart niets…
De dwerg en de wilden stappen door het zwarte gordijn...
En Varlock en Berlinden hangen in het niets, een zwart niets…
Alleen een vraag
dringt zich op in de leegte.
‘Wie ben je, en wat
wil je worden?’ En Varlock antwoordt standvastig: ‘Ik ben prins Varlock en ik
wil koning der dwergen worden.’
‘Wie ben je en wat verzwijg je?’ En Berlinden antwoordt somber: ‘Ik ben Berlinden, laatste der wildens. Ik verzwijg dat wat mijn dood zou kunnen betekenen.’
De twee zijn verdwenen zonder een spoor na te laten. Chiara
staat, op van de zenuwen, heen en weer te dansen. Welke gek stapt nu zomaar het
gordijn in? Wat ligt erachter? Dat spook heeft er vast iets mee te maken! Ook
Nazhaar ziet niet veel reden om niet gewoon af te wachten tot Taazhon
terugkeert en hem dan een knal voor zijn kop te geven.
Alítih staart intussen gefascineerd naar het gordijn en
draait en vraagt zich af wat de cryptische boodschap van de wilden betekende.
Het raadsel van de Ketels, verbonden aan de fey magie die in haar bloed bruist,
trekt haar echter onontkoombaar naar het zwarte gordijn toe. Terwijl Chiara en
Nazhaar ruziën over de vraag of ze hier zullen blijven afwachten, of omhooggaan
en proberen om via de teleportatiecirkel achter het landhuis van de Padraigs
binnen te geraken… stapt Alítih het gordijn in.
En Alítih hangt in het niets, een zwart niets…
En Alítih hangt in het niets, een zwart niets…
De echo van een
antwoord hangt in de leegte. ‘… ik vrees datgene wat mij kan doden.’ Dan dringt
een vraag zich op.
‘Wie ben je en wat
vrees je?’ En Alítih antwoordt gespannen: ‘Ik ben Alítih, en ik vrees dat in
mijn magie iets destructiefs schuilt dat ik niet in de hand zal kunnen houden.’
Chiara slaakt een kreet van frustratie. Zonder Alítih kunnen
ze de teleportatiecirkel niet eens gebruiken. Of zal ze een beroep doen op de
tovenaar die haar zo graag ziet komen…? Nazhaar vindt het welletjes zo. Als
iedereen achter Taazhon aangaat, dan krijgt hij misschien de kans niet om de
beslissende klap toe te brengen. Hij pakt Chiara bij de arm en samen springen
ze het zwarte gordijn in.
En Nazhaar en Chiara
hangen in het niets, een zwart niets…
Alleen een vraag presenteert
zich in de leegte.
‘Wie ben je, en wat
zoek je?’ En Nazhaar antwoordt na wikken en wegen: ‘Ik ben Nazhaar en ik zoek
mijn broer Nozark.’
‘Wie ben je en wat
veracht je?’ En Chiara antwoordt vurig: ‘Ik ben Chiara, de ranger en ik veracht
de vijanden van de halfelfen.’
De groep landt luttele ogenblikken na elkaar op een hoop
lijken die zijn gekleed in wapenrustingen en kledij die uit verschillende
tijdperken lijkt te stammen… hoewel ze allemaal een ogenblik geleden gestorven
lijken te zijn. Iedereen lijkt ongedeerd, behalve Berlinden. Wanneer Alítih poolshoogte neemt, ziet ze dat
ter hoogte van zijn hart een stuk van zijn lichaam is zwart geworden en
afgestorven. Vreemde woorden zijn op zijn ribben gegrift, waarvan ze de betekenis niet kan uitmaken…
een raadsel dat echter moet wachten.
Ze zijn terechtgekomen in een kuil, met rondomrond muren, waaraan
hoofden zijn bevestigd, die luguber op hen neerkijken.
De muurornamenten zijn
echter niet zo beangstigend als de twee koppen van de gnuivende ettin die hen
opwacht. De reus zwaait zijn wapen en inventariseert verwachtingsvol de
soorten hoofden in de groep die hij nog niet in zijn collectie heeft. Intussen
begint de hoop lijken te bewegen en enige zombies, geflankeerd dor een
lijkenkruiper, een groen, slangachtig wezen, werken zich omhoog.
Chiara springt als een pijl uit een boog de kuil uit,
luidkeels mopperend tegen iedereen die het horen wil dat ze het een rotidee
vond en dat ze hier niét wilde zijn. Het belet haar echter niet om capabel haar
projectielen af te vuren, zelfs wanneer ze door de tentakels van de
lijkenkruiper bij haar enkel wordt gegrepen. Berlinden stort zich meteen op de
lijkenkruiper, terwijl Varlock uit de kuil springt en zijn woede koelt op de
ettin. Alítih, niet zo atletisch als de rest, geraakt niet één, twee, drie uit
de kuil en zet een paar magische uitbarstingen in om zich de zombies van het
lijf te houden.
Wanneer iedereen veilig en wel met zijn tegenstander heeft
afgerekend, beginnen de hoofden aan de muur te roepen tegen de groep. Nazhaar
herkent nog een oudgediende van zijn voormalige bemanning onder hen, en Varlock
wijst ontzet Samael aan, één van de Shadar-Qai die hen hielpen om de Ketel de
eerste keer het zwijgen op te leggen.
Er is echter nog iets: een zakje dat zachtjes tegen Varlock
fluistert dat hij het moet pakken en meedragen. De dwerg laat zich niet zomaar
door fluisterende zakjes van de wijs brengen en gluurt erin om te kijken wat
het bevat. Hij vindt een glazen bol, waarin een levend hoofd drijft, een bleke
eladrin vrouw met zwarte lokken, de groep pleitend aankijkt.
Het hoofd stelt zichzelf voor als Vyrellis. Ze verklaart de
groep dat ze zijn terechtgekomen in een schemersmidse die is omgevormd tot een
gevangenis tussen dimensies. De voornaamste bewoners ervan geven de ruimtes
vorm. Vyrellis is onthoofd door haar zuster Kara'vakasta, toen ze probeerde om
de aandacht van de Ravenridder Fáelán te trekken. Deze zustermoord is niet
zonder gevolgen gebleven voor Kara'vakasta zelf: de daad heeft haar ziel in drie
stukken gesplitst. Met elk van deze drie delen zal moeten afgerekend worden als
ze een definitief eind willen maken aan haar boosaardige bestaan en plannen. Vyrellis
biedt haar hulp aan de groep: hun doel is immers gemeenschappelijk, dus als ze
haar met zich meenemen, zal ze hen zo goed als ze kan bijstaan.
Chiara, hoewel meer dan bereid om het roodharige spook dat
haar herberg verziekte, een flink lesje te leren, moppert nog even door: ze
heeft haar handen nodig voor haar boog, en nee, ze heeft geen zin om een ondood
hoofd mee te dragen, dankjewel. Alítih vindt de geboden hulp echter niet te
versmaden en voelt bovendien mededogen voor de eladrin tovenares en haar droeve
lot. Ze bekommert zich over de glanzende bol en de groep gaat verder.
Al snel beseffen ze dat het gangenkluwen in de venomietmijn
niets was, in vergelijking met het labyrint dat hen hier wacht. Na enige tijd
besluiten ze op goed geluk een ruimte te gaan verkennen, van de bende rovers of
de dwergen is immers geen spoor.
Chiara trekt voortvarend de eerste deur open en wordt
overspoeld door een hoop compost. Althans, dat lijkt zo: bij nader inzien
blijkt het een vloed aan lichaamsdelen van dode wildens te zijn. Berlinden
keert kreunend van ellende zijn maag om. Elke hoop dat hij zijn broeders nog
zou kunnen terugvinden, lijkt de bodem te zijn ingeslagen. Hij heeft geen tijd om te treuren, want een zwerm ratten overspoelt de kamer. De ratten vallen vlot onder de wapens en magie van de groep, maar ze
zijn met zoveel dat ze toch wel de kans krijgen om her en der hun tanden in een
enkel of been te zetten.
Behoorlijk moe gaat de groep verder op onderzoek. Ze ontdekken
een geheime gang die leidt naar een tweede kamer: standbeelden van eladrin
krijgers, gehuld in kledij die zeker 1000 jaar oud is, wijzen naar elkaar.
Vreemd genoeg is de stank die in de eerste kamer hing hier niet minder.
Integendeel, die wordt alleen maar sterker…




