Wanneer ze eenmaal door het portaal zijn geraakt, zet Chiara
het magische kompas in om op zoek te gaan naar Alítih. Ze merken echter dat er
zich tijdens hun afwezigheid enige veranderingen hebben voorgedaan: zo is de
opslagplaats van het venomiet helemaal leeggehaald. Na enig rondspeuren,
besluiten ze om eerst wat rust te nemen – iedereen is uitgeput na de lange dag.
Alítih worstelt intussen vruchteloos met de ketens van koud
ijzer die om haar polsen zijn gelegd, en waarmee ze aan een pilaar is
vastgeketend. Ze zuigen haar magische reservoir leeg, waardoor ze tot weinig
meer in staat is, ondanks het feit dat haar blinddoek intussen is losgeraakt.
Ze ziet dat ze in een grote grot staat, waarin slangenmensen
en cultisten druk bezig zijn. De achterkant van de grot is afgesloten door een
rood gordijn. De cultisten hebben duidelijk de leiding, en zijn gekleed in rode
gewaden waarop vreemde, verschuivende symbolen zijn aangebracht. Niemand
reageert op haar boze uitroepen en vragen wat ze met haar van plan zijn.
Uiteindelijk geeft ze het vermoeid op, en probeert zich rustig te houden in de
hoop dat ze vroeg of laat een kans krijgt om meer aan de weet te komen.
Wanneer een cultist de keten rond haar polsen vasthaakt
boven haar hoofd, voelt ze echter dat haar levenskracht nog sneller begint weg
te vloeien. Ze besluit wanhopig dat het tijd is om toch iéts te proberen, magie
of niet. Zodra de cultist even niet oplet, begint ze het slot open te prutsen.
De cultist krijgt echter in de gaten waar ze mee bezig is en
dient de tovenares een keiharde klap in haar gezicht toe. Alítihs hoofd slaat
door de ongenadige dreun opzij, en uit haar ooghoek ziet ze achter zich iets
dat haar ergste vrees bevestigt: de zwevende Ketel van de Grauwe Oogst… die nu
via een ketting met haar verbonden is.
De figuur, die klaarblijkelijk aan het hoofd van de cultisten
staat, concludeert tevreden dat de voorbereidingen bijna gereed zijn. Naast
Alítih legt ze een spreukrol neer. Ze beveelt de rest van de cultisten om die
te gebruiken, zodra alles is afgehandeld, en verdwijnt.
Chiara hoort tijdens haar wacht vreemde geluiden. Ze trommelt
de rest van de groep op en ze gaan op onderzoek uit. De ruimte waar voorheen
een eilandje, omringd door water was, is helemaal drooggevallen. Onder het gat
waar Varlock en Fáelán de vorige keer doorvielen, toen ze ontsnapten aan de
aardbeving veroorzaakt door de Ketel van de Grauwe Oogst, wervelt nu een
stofdraaikolk.
Nazhaar besluit meteen dat daar duidelijk iets geheimzinnigs
aan de hand is. Nadat Chiara enige vruchteloze pogingen heeft gedaan om hem
ervan te overtuigen dat ze misschien praktisch het daar opgestelde
katrollensysteem kunnen benutten, weet de drakenman iedereen te motiveren om de
zakken met contragewichten voor de katrol in de kolk te gooien. Het resultaat
is teleurstellend: er is zelfs geen plof te horen.
Dat is echter geen reden om te versagen. Nazhaar bindt een
touw om zijn middel, en laat zich in de kolk zakken. Tot ontzetting van de rest
breekt het touw echter meteen af, zodra het in contact met draaikolk komt. De rest
probeert hem met behulp van een mens/halfelf/dwerg-elijke brug te bereiken…
maar wordt even snel in de kolk gezogen.
De vier belanden in een vreemd soort vacuüm, elk geplaagd
door een visioen…
Chiara staat op de
rand van een vulkaan, haar rosse haar wapperend tegen de achtergrond van het
gloeiende hart van de berg. Er lijkt geen vuiltje aan de lucht en alles is
rustig. Maar dan tuimelt ze ineens achterover en wordt door de hongerige
vuurbuik verteerd.
Varlock kruipt door
een diepe, onderaardse grot, zijn trouwe schild op zijn rug gebonden. Hij is
bestoft en moe, maar de dwerg zet door. De schat kan niet veraf meer zijn, de
grote schat waarvoor hij hier is gekomen… Maar dan begint de aarde te beven. Het
dak van de tunnel begeeft het en Varlock raakt reddeloos begraven onder de
brokstukken.
Nazhaar heeft zijn
schip heroverd. Maar hij is helemaal alleen. Waar is zijn bemanning gebleven?
Het dek klinkt hol onder zijn voeten terwijl hij aan de reling heen en weer
beent. Dan ziet hij hoe de zee begint te schuimen. Een ziedende draaikolk vormt
zich, en met zijn schip wordt de eenzame kapitein naar beneden gesleurd.
Fáelán klemt zijn
zwaard in zijn hand. Het gevaar is groot. Te groot. Maar degene die hij
beschermt, heeft zo’n groot deel van zijn hart in bezit, dat de keuze er geen
is. Hij werpt een blik over zijn schouder en ziet dat hij met zijn leven net
genoeg tijd zal weten te kopen om haar te redden. Hij stormt naar voren, onder
het slaken van een strijdkreet.
Terwijl de vier hun eigen dood in de ogen zien, hun gezichten vertrokken, voegt zich een aanwezigheid bij hen.
Terwijl de vier hun eigen dood in de ogen zien, hun gezichten vertrokken, voegt zich een aanwezigheid bij hen.
“Nee,” klinkt een vrouwenstem. “Nee…”
En een zachte hand trekt Chiara weg van bij de vulkaan,
Nazhaar uit zijn rondtollende schip, Varlock uit de trillende tunnel en Fáelán van
zijn wisse opoffering…
Met een plof landen de vier bovenop de zakken die ze eerder naar beneden hadden gegooid. Wanneer ze overeind zijn gekrabbeld, zien ze dat op Fáeláns borstplaat de afdruk van een witte vrouwenhand is verschenen. Veel tijd om bij hun merkwaardige ervaring stil te staan, krijgen ze niet. Vlak bij hen wappert een rood gordijn. Dat kan daar niet zomaar zijn.
Chiara hoort niets, maar maant de rest tot voorzichtigheid.
Fáelán, nog in de greep van zijn heroïsche visioen, is het onderhand zat en wil
gewoon door het gordijn stappen. Terwijl Chiara met hem worstelt om de ridder
tegen te houden, struikelen de twee en vallen pardoes door het gordijn naar
binnen.
Daar ziet Varlock meteen de vastgeketende Alítih staan. Het tafereel
met de zwevende ketel achter haar is al te bekend: met de redding van Halci hebben
ze duidelijk niet de hele cultus weten weg te vagen… het plan om de magie van
de feeëndimensie te stelen om ondoden te maken is nog steeds in volle werking.
Dit keer willen ze echter Alítih offeren om het ritueel te voltrekken.
Varlock stormt meteen naar voren, maar wordt bestookt door
bliksemschichten. Chiara legt een pijl op haar boog en probeert de tovenares
los te schieten, maar hoewel ze doel treft, ketst de pijl af op de ijzeren
ketens. Nazhaar probeert het via een andere weg, maar wordt net als Varlock
geraakt door schichten energie.
Alítih merkt dat de cultisten kennelijk onzichtbaar zijn
voor haar vrienden en tracht hen te waarschuwen voor hun aanwezigheid. Rukkend
aan haar boeien kan ze echter tot haar frustratie alleen Chiara enigszins de
locatie van één van de cultisten aanduiden.
Varlock trekt zich echter niets van de rondvliegende
bliksems aan en stormt vastberaden op Alítih af. Met enkele ferme hamerklappen
weet hij de tovenares los te maken, maar staat dan zelf nog amper overeind.
Gelukkig is Fáelán nabij om de wankelende dwerg met een helende aanraking bij
te staan. Alítih voelt inmiddels haar krachten gedeeltelijk terugkeren en valt
meteen een nabije cultist aan. Tot haar ergernis heeft ze echter nog veel last
van de boeien die nog steeds om haar polsen hangen.
Nazhaar heeft inmiddels de spreukrol bespeurd die vlakbij Alítih
op een rotsblok lag en heeft zijn magische steenhond erop afgestuurd. Het
beestje weet inderdaad de rol bij hem terug te brengen, weliswaar zwaar
bestookt door de cultisten, die duidelijk niet willen dat de rol in verkeerde
handen valt.
Wanneer dat niet blijkt te werken, nemen ze andere
maatregelen. Terwijl de ketel schudt en beeft en met donderende stem een offer
eist, rennen ze ernaartoe en beginnen er botten in te gooien – één van hen
stort zichzelf er zelfs in, terwijl de rest nog steeds de groep met steeds
hevigere bliksemschichten bestookt.
Het gewelf van de grot begint te schudden en te beven.
Nazhaar heeft de spreukrol in handen van Alítih gedrukt en wanneer de tovenares
hem vertelt dat dit een teleportatiespreuk is, stelt de drakenman van harte
voor om die meteen te gebruiken. De tovenares verzet zich: wanneer ze toestaan dat
dit ritueel verdergezet wordt, dan zal heel Khesh door ondoden overspoeld
worden! Bovendien kan ze de gedachte niet verdragen dat de magie van de
feeëndimensie op deze manier misbruikt wordt.
Maar het is al te laat. De ketel straalt een nieuw licht
uit, nu hij een offer heeft gekregen. Skeletten staan op. Wanneer Chiara één
van de cultisten velt, dan valt hij op de grond en vergaat tot een soort
organische pulp. Over de kettingen van de ketel kruipt mos de grot in.
Alítih lijkt nog steeds weigerachtig de teleportatiespreuk
te gebruiken, maar wanneer ook zij de cultisten niet langer kan zien, de groep
bestookt wordt door bliksem en er steeds meer skeletten opstaan, moet ook zij
toegeven dat ze niet tegen deze situatie zijn opgewassen. Ze moet echter nog
steeds van de boeien af die haar magie kluisteren. Met hulp van de rest van de
groep, slaagt de tovenares er eindelijk in zich van het beperkende materiaal te bevrijden. Haar magie springt weer tot leven en ze weet de spreuk net op tijd te voltrekken.
Opgelucht belandt de groep weer bij het prieel. Maar ook
bovengronds is de invloed van het ritueel duidelijk te merken: het hele eiland
staat in een onnatuurlijke bloei. Padraig staat hen bezorgd op te wachten.
De ogen van de burgemeester veranderen wanneer hij hen ziet.
Hij trekt ineens een dolk en valt sissend aan… waarna een doorspietste cultist
neerzijgt die kennelijk ongemerkt binnen de teleportatiespreuk van Alítih was
weten te komen.
De groep stelt Padraig snel van het gebeurde op de hoogte.
Fáelán raadt hem ten sterkste aan om het portaal te laten bewaken en Padraig
zegt toe daarvoor te zullen zorgen. Wanneer hij de ‘verstekeling’ van Padraig
ondervraagt over de Ketel zegt die van niets te weten: hij verbleef het laatste
deel van zijn bestaan in een soort fort voor Yuan-Ti-dissidenten zoals hij.
Dan kleppert de bel van Waterzooi en klinkt een kreet: “De
doden bewandelen de aarde!”