Chiara is nog aan het bekomen van het afscheid van haar
mede-halfelf als ze in de herberg wordt geënterd door vrouwe Serusa, die heeft
uitgevogeld dat Chiara de eigenaresse van het etablissement is waar ze
verblijft. Nadat ze Chiara stevig heeft ondervraagd over de wetenswaardigheden
in verband met Waterzooi, besluit ze dat deze jonge vrouw weliswaar kort van
stof is maar toch wel nuttig kan zijn als haar gids. Haar eenarmige bediende is
verdwenen en ze heeft toch iémand nodig die haar waardige zelf kan rondleiden.
De rosse ranger is niet voor één gat te vangen en besluit
twee vogels met één steen te raken. Ze weet vrouwe Serusa kordaat af te schepen
met de belofte dat ze een veel betere gids voor haar heeft: Radam, die zijn
tijd laat verglijden door droevig bij de tempel te treuren om Sofaya. Chiara
kan een dergelijke aanpak niet goedkeuren en ziet de geknipte gelegenheid om
hem uit zijn depressie te halen.
Enigszins geschokt door deze vrijmoedige respons gaat vrouwe Serusa toch maar akkoord. Ze heeft in elk geval iemand nodig die haar culturele nieuwsgierigheid kan helpen bevredigen.
Enigszins geschokt door deze vrijmoedige respons gaat vrouwe Serusa toch maar akkoord. Ze heeft in elk geval iemand nodig die haar culturele nieuwsgierigheid kan helpen bevredigen.
Intussen zwalpt Varlock rond over het strand, op zoek naar
de kist die hij bij zich had toen hij schipbreuk leed. Van tijd tot tijd ziet
hij een hoopgevende bult in het zand, maar keer op keer moet hij concluderen
dat het een andere kist is. Wel valt het hem op dat veel daarvan door zuur zijn
aangetast.
Nazhaar inmiddels begint bang te worden dat hij zal
veranderen in een landrot. Hij heeft een schip nodig, en wel nu! Hij struint
richting de haven om te zien of daar ergens een geschikt vaartuig ligt dat hij
op de één of andere manier kan bemachtigen.
Een handelaar spreekt hem aan: hij heeft een brief bij voor de drakenman. Zodra Nazhaar het document opent, wordt er een brandmerk op zijn wang gebrand. De handelaar ziet gloeiende cijfers verschijnen: de dagen die Nazhaar nog in verbanning moet doorbrengen. Pas wanneer de nul bereikt is, zal hij zich weer elders in het keizerrijk mogen vertonen.
Een handelaar spreekt hem aan: hij heeft een brief bij voor de drakenman. Zodra Nazhaar het document opent, wordt er een brandmerk op zijn wang gebrand. De handelaar ziet gloeiende cijfers verschijnen: de dagen die Nazhaar nog in verbanning moet doorbrengen. Pas wanneer de nul bereikt is, zal hij zich weer elders in het keizerrijk mogen vertonen.
De handelaar vertelt hem ook over een zorgwekkende toestand:
op zee tussen Marzark en Khesh ligt een vreemd vaartuig. Het belemmert de handel en iedereen zou het
liever kwijt dan rijk zijn. Nazhaar ruikt hier echter een kansje: misschien kan
hij dat schip wel voor zichzelf bemachtigen?
Onder het mom van Khesh verlossen van deze stoorzender weet Nazhaar zijn makkers mee te krijgen en ook Padraig is opgelucht dat iemand iets aan de situatie gaat doen. Met een geleend schip varen ze uit – evenwel met de strenge waarschuwing in hun oren dat het ongehavend terug moet worden gebracht als ze hun borgstelling terug willen krijgen!
Onder het mom van Khesh verlossen van deze stoorzender weet Nazhaar zijn makkers mee te krijgen en ook Padraig is opgelucht dat iemand iets aan de situatie gaat doen. Met een geleend schip varen ze uit – evenwel met de strenge waarschuwing in hun oren dat het ongehavend terug moet worden gebracht als ze hun borgstelling terug willen krijgen!
Van Padraig hebben ze gehoord dat het schip iets te maken
zou hebben met het Rijk van Sanghor. Alítih kent de naam uit haar
geschiedenislessen: een bruut en bloeddorstig goblinrijk, dat werd vermorzeld
door het Dragovar keizerrijk. De piraten op het schip eisen de schat van de
draak, anders blijven ze de wateren teisteren.
Wanneer ze het schip naderen, zien ze dat het met ijzeren
platen beslagen is. Lijken bungelen daarover als afschrikwekkende waarschuwing
bij het schip uit de buurt te blijven. Boven in één van de twee masten wappert
een witte vlag waarop een rood oog staat afgebeeld.
Zodra ze dichtbij het schip komen, klinkt er geplons aan de andere
kant. Tegelijk worden er projectielen afgevuurd die vlakbij hun geleende schip
in het water vallen. Nazhaar stuurt echter met kordate hand het schip langszij:
zodra ze vlak naast het schip liggen, zal het een stuk moeilijker worden om hen
te beschieten.
Fáelán en Alítih maken het schip vast aan het piratenschip,
terwijl Chiara aan boord springt. Ze belandt op de verschansing en wordt meteen
door een goblin beschoten. Ze trekt echter haar zwaarden en stormt op
hem af.
Varlock, Nazhaar en Fáelán springen nu ook op het dek en er
stormen meteen woeste goblinmatrozen op hen af. Alítih teleporteert het dek op
en belandt midden in het gewoel. Ze trekt zich wijselijk wat terug, zodat ze
haar magische aanvallen op de goblins kan loslaten, terwijl de mannen van leer
trekken. Terwijl Chiara haar boog spant, mept Varlock al een eerste matroos
tegen het dek. Even lijkt het erop dat ze de boel snel onder controle zullen
hebben.
Dan schommelt het schip vervaarlijk, doordat iets zich eraan
vastklampt. Koperig glanzend slaan twee klauwen zich aan één kant om de metalen
verschansing.
Goblins en helden worden omver gekegeld, alleen Nazhaar weet
zich op zijn zeemansbenen in evenwicht te houden. Hij snelt over de
verschansing naar Chiara toe en weet haar een dosis genezende energie te geven
zodat ze weer overeind kan krabbelen.
Alítih maakt van de gelegenheid gebruik om nog een matroos
met haar magie te treffen en teleporteert dan weer richting een veiliger plekje
op het drukke dek. Ook Fáelán weet de goblinbemanning te verkleinen.
De goblins worden ook afgeleid door het wezen dat zich aan
hun schip vastklampt: met bijlen snellen ze ernaartoe en proberen de klauwen
los te hakken. Inmiddels is één van hun leiders gealarmeerd door het lawaai. Samen
met twee forse goblins met bijlen komt hij zich in de strijd mengen.
Inmiddels is de groep verspreid geraakt. Chiara is een
kat-en-muis-spel rond de masten aan het spelen met twee goblinschutters. Ze
vuurt haar pijlen secuur af en duikt dan weer weg, zodat ze zelf buiten schot
blijft. Varlock heeft zich achter zijn schild verschanst, terwijl hij door een
overmacht aan goblins wordt omsingeld. Tot overmaat van ramp ziet Nazhaar dat
het schip dat ze van de handelaar geleend hadden langzaam begint weg te drijven…
een groepje goblins was erop gesprongen en heeft de touwen losgemaakt die het
aan het piratenschip vasthingen.
En dan klimt een woedende koperen draak op het schip. “Wie
was dat?!”, buldert hij verontwaardigd. De goblins wijzen onmiddellijk en
zonder enige schroom Alítih en Chiara als ontruststokers aan. De twee zijn
zodanig verbijsterd dat ze geen overtuigende manier weten te verzinnen om het
tegendeel te bewijzen.
Nazhaar komt haastig zijn gewicht in de schaal werpen, en
tracht van drakenman tot draak te redeneren. En passant spuwt hij een pluim
zuur richting de goblinmatrozen die Varlock omringen en weet er een viertal
sissend te doen neerstorten.
Fáelán benut de kennis die hij over draken heeft en biedt
aan de schat, die ongetwijfeld op het schip verborgen is, met de draak te
delen. Tot zijn grote verbijstering wordt zijn voorstel snuivend van de hand
gewezen: de draak heeft geen enkele interesse in kostbaarheden.
Intussen ziet één van de bijldragende goblins dat ze in
nauwe schoentjes komen. Hij vlucht weg door een luik met het lijk van zijn
makker over zijn schouder, terwijl Varlock op de goblinleider afrent.
Chiara weet één van de goblinschutters uit te schakelen,
maar moet dan dekking zoeken tegen de andere, die haar gevoelige wonden weet
toe te brengen. Ze is nog amper bij bewustzijn en kijkt hulpzoekend naar haar
vrienden die allemaal te veraf zijn om haar bij te staan. De draak heeft zich
echter eindelijk laten overtuigen van de goede bedoelingen van de groep en
grijpt met een machtige klauw de schutter van het dek af. Nazhaar ziet
inmiddels met lede ogen het koopmansschip afdrijven. Hij wil net een sprong
wagen, wanneer een rookpluim uit het luik naar het ruim drijft, waarna een
steekvlam omhoog schiet en een ontploffing het hele schip krakend uiteen doet
scheuren. Nazhaar laat zich echter niet zomaar van zijn stuk brengen en springt
alsnog op het schip, waar de goblins hem treiterig stonden uit te lachen. Het lachen
vergaat hen al snel, wanneer ook Varlock, van brokstuk naar brokstuk springend,
de boot weet te bereiken.
Alítih arriveert wat later en kijkt bedenkelijk naar de
steeds groter wordende afstand. Ook Fáelán, die een gewonde Chiara ondersteunt,
vraagt zich af hoe ze het nog moeten bereiken.
Vanuit de lucht komt echter ineens onverwachte hulp: de
koperen draak bestookt de goblins met zuur en trekt het schip naar de zinkende
brokstukken toe. Net op tijd kan de rest van de groep het schip bereiken.
Nazhaar is maar half-en-half tevreden met deze oplossing: het koopmansschip is
er niet bepaald goed aan toe, nadat een draak er zijn klauwen in geslagen heeft…
De draak sommeert hen om hem bij de kust te treffen, en de
groep geeft wijselijk gehoor aan dit verzoek. Daar krijgen ze te horen dat hun
onverwachte bondgenoot Korzinalikur is, een protégé van de draak Irindol. Die laatste
wil Khesh verdrijven en is bereid daartoe een bondgenootschap met hen te
sluiten. Ten bewijze van zijn goede wil, geeft hij hen een amulet ten
geschenke.
Terwijl ze wegvaren, zien ze in de verte nog een brokstuk
van het piratenschip, waarop de goblinleider zich staande heeft weten te
houden. Een koperen glans hangt echter al dreigend in de lucht…
Wanneer de groep terug in Waterzooi aankomt, hebben ze amper
tijd om de boot terug te brengen en de boze blikken van de handelaar in
ontvangst te nemen. Er ligt namelijk een boot onder leiding van niemand anders
dan Zentorm. Hij sommeert Nazhaar met hem mee te komen en een metgezel naar
keuze mee te nemen: zij zullen op Marzark moeten komen uitleggen wat er
allemaal gaande is geweest op zee…